Log in

Pappenheimersocialisme

Reflecties over de sp.a

ALS IK NAAR DE SP.A KIJK, ZIE IK…

Als ik naar de sp.a kijk, zie ik een partij die de afgelopen jaren gaandeweg het vermogen heeft ver­loren om vanop een afstand naar zichzelf te kijken. Erg verwonderlijk is dat niet, als je weet dat de partijlijn - ook achter de schermen, ook en vooral op het vlak van communicatie - al die jaren door dezelfde sleutelfiguren werd uitgezet. Het is die harde kern op de Grasmarkt die, dwars door alle bewijzen van het tegendeel heen, al die afgelopen jaren is blij­ven geloven dat er met de partijlijn en de communicatie daarvan niets aan de hand is. Sterker nog: hoe harder de nederlaag, hoe harder die partijtop lijkt te volharden in de boosheid.

Veelzeg­gend voorbeeld (1): in 2007 kreeg de sp.a een dermate zware opdoffer dat se­naats­­lijst­­trek­ker Johan Vande Lanotte meteen ontslag nam als partijvoorzitter; maar in 2010 trok hij op­nieuw de se­­naats­lijst. Een volstrekt onbegrijpelijke bloedfout, die alleen maar kan wor­den ver­­klaard door een schrij­nend gebrek aan zelfkritiek.

Een verstandige partij had de senaatslijst (en de campagne) laten trekken door Frank Vanden­brou­cke, die als lijstduwer Vande Lanotte overigens ei zo na vernederde door haast even­veel voorkeurs­stem­men te verzamelen. Over Vandenbroucke later meer.
Dat gebrek aan zelfkritiek gaat gepaard met een, vermoedelijk onbewuste, minachting voor de kiezer, die wellicht is ingegeven door een verkeerde mediatraining. Ik verklaar mij nader: heel wat partijkopstukken, voorzitster Caroline Gennez niet in het minst, lijken ervan overtuigd te zijn dat je een probleem kunt wegcommuniceren door het te ontkennen, of door eromheen te praten, of door er een verklaring voor te geven die iedereen meteen kan doorprikken. Wie zoiets doet, neemt zijn kiezer niet ernstig of denkt dat de kiezer dom is.

Veelzeggend voorbeeld (2): bij de intrede van Bert Anciaux was voorzitster Caroline Gennez van plan om de naam van de partij te veranderen in Socialisten en Progressieven Anders. Toen dat idee alom werd afgeschoten, ook door een aantal oude krokodillen, trok Gen­nez het terug. Het is te zeggen: ze probeerde het probleem weg te communiceren - het ging zogezegd alleen maar om de baseline, niet om de partijnaam zelf.
Een verstandige voorzitster had gedaan wat elke goede mediatrainer adviseert: geef de fout on­­­­middellijk, eerlijk en volledig toe, verontschuldig je ondubbelzinnig en sla vervolgens de hand weer aan de ploeg. En begin vooral niet te zigzaggen of te kronkelen, zoals Gennez begin 2009 deed in een in­terview dat ik voor Knack met haar had. Ik citeer een korte passage uit dat gesprek, met voorsprong het meest hallucinante politieke interview dat ik ooit gedaan heb. Lees even mee, we schrijven voorjaar 2009, de aanloop naar de Vlaamse verkiezingen.

Knack: ‘Waar staat SP.A voor?’
Gennez: ‘SP.A staat voor SP.A, dat is mijn partij.’
Knack: ‘Uiteraard. Maar wat betekenen die letters?’
Gennez: ‘Dat is toch onbelangrijk. Ik begrijp niet dat wij daar zolang over gediscussieerd hebben.’
Knack : ‘Vindt u dat onbelangrijk?’
Gennez: ‘Voor mij staat SP.A voor de socialisten. Heel simpel. En daar ben ik de voorzitter van. Wij gaan onze kieslijsten indienen als SP.A. Ik ben een socialist en anderen zullen zich progressief noemen.’
Knack: ‘Ik snap niet waarom het voor u zo moeilijk is om te zeggen waar die letters voor staan.’
Gennez: ‘Ik begrijp niet waarom u daarin geïnteresseerd bent. SP.A is SP.A.’
Knack: ‘Maakt het dan niets uit waarvoor die letters staan?’
Gennez: ‘Die letters staan voor het socialisme, voor de partij van de linkerzijde. Ik begrijp echt niet waar sommige journalisten zich mee bezig houden. Op onze kieslijsten staat SP.A, So­cialistische Partij Anders, en onze ondertitel is Socialisten en Progressieven Anders.’

Tel maar na: vijf keer heb ik de vraag moeten stellen, en dan nog kwam het antwoord er haast gegeneerd uit. Ik wist niet wat ik hoorde. Gek genoeg leek Gennez mijn verbazing erg amu­sant te vinden. Tot ze las wat ze gezegd had. Toen ik haar de tekst via haar woordvoerder liet au­toriseren voor publicatie, was alles tus­sen de eerste vraag en het laat­ste antwoord van deze pas­sage ge­schrapt. Omdat het volgens mij om een bijzonder typerende pas­sage ging (die ui­ter­aard ook op band stond) heb ik ge­wei­gerd om dat te doen, en is het in­ter­view in deze vorm ver­schenen.
Voor de goede orde: uiteraard is dat incident met de naam niet de oorzaak van de electorale neergang. Maar het is een veelzeggend voorbeeld van de gebrekkige en volmaakt verkeerde com­municatiestijl die de partij er nu al vele jaren op na houdt.
Die gebrekkige communicatiestijl vertaalt zich ook in wat ik electorale behaagzucht zou wil­len noemen. De sp.a is als de dood om haar kiezers of potentiële kiezers tegen de haren in te strij­ken. Die goednieuwsdwang werd verankerd door Steve Stevaert, die al­ler­gisch was voor ‘miserabilisme’ en debatten over alles wat met de multiculturele samenleving te maken had. Het socialisme moest ‘gezellig’ zijn en het moest er ‘voor iedereen’ zijn - twee- maal fout, dus. Politiek heeft met gezelligheid maar weinig te maken, en geen enkele partij kan beweren dat ze het beste voorheeft met iedereen. De samenleving barst van de conflicten en dus moe­ten politici voortdurend partij kiezen. Het algemeen belang speelt op de ach­ter­grond altijd mee, maar er zijn toch vaak winnaars en verliezers. Niet volgens de huidige ge­ne­ra­tie, dus, die on­der Stevaert is opgegroeid. Zij blijven de goednieuwsshow brengen, maar dan zon­der het cha­risma van Stevaert - ergo: electorale rampspoed. En wel hierom: het laatste wat kie­zers van politici verwachten, is een goednieuwsshow. Maar dat lijkt men ter hoogte van de Gras­markt niet te beseffen: bij het minste zuchtje tegenwind vanwege deze of gene fractie van de pu­blieke opinie is men bang om stemmen te ver­lie­zen.

Veelzeggend voorbeeld (3): toen Frank Vandenbroucke de paper presenteerde die hij op vraag van Bea Cantillon had geschreven, liet hij er geen twijfel over bestaan dat de sanerings­ope­ra­tie van de komende jaren pijn zal doen, ook bij de gewone tweeverdieners, onder meer via duur­­dere dienstencheques. Op de Grasmarkt bleef het akelig stil en rukte men zich ver­moe­de­lijk de haren uit het hoofd - ‘Frank jaagt de kiezers weg!’.
Een verstandige waarnemer weet dat Frank Vandenbroucke met zo’n waarschuwing helemaal geen kiezers wegjaagt. Wel integendeel. Kiezers hebben liever dat je hen van tevoren de waar­heid vertelt. Behaagzucht is, óók in de politiek, vaak bijzonder contraproductief.
Een gebrek aan zelfkritiek, een onbewuste minachting van de kiezer en electorale behaag­zucht. Ziedaar de belangrijkste euvels van wat ik in Knack al een paar keer Pap­pen­hei­mer­so­cia­­lis­me heb genoemd, naar de bekende woestijnvisquiz van Tom Lenaerts. Het succes van die quiz kan mede worden verklaard door de ijzersterke casting die aan elke uitzending voor­af­­­­gaat: de kandidaten zijn allemaal mooie, blije, lachende mensen die niets te kort komen in het leven. Op tv werkt dat perfect. Het probleem is dat de sp.a die kandidaten tot haar kern­doel­­groep heeft verheven. Tom Lenaerts creëert een fictie, en dat is voor een tv-maker zeer goed bekeken. De sp.a leeft in een fictie, en dat is voor een politieke partij rampzalig.
Er is nog een reden waarom ik Pappenheimersocialisme een geschikte term vind: de huidige kop­stukken delen met Tom Lenaerts een soort minzaamheid die - alweer - uiterst geschikt is voor een tv-presentator, maar moordend voor een politieke partij. Caroline Gennez en de haren zéggen wel voortdurend dat ze ergens ‘verontwaardigd’ over zijn, maar je gelóóft hen helaas niet. Een politicus moet immers niet zeggen dat hij verontwaardigd is, hij of zij moet sim­pel­weg verontwaardigd zijn. Je moet hem of haar echt gelóven.
Van alle sp.a-kopstukken is er momenteel maar één van wie de overgrote meerderheid van de men­sen gelooft dat hij op een authentieke, gedreven, haast verbeten manier aan politiek doet. En dat is de man die vorig jaar op een schandelijke manier werd afgezet als Vlaams minister: Frank Vandenbroucke. Ik schrijf dit stuk op 18 augustus 2010, dus lang vóór de vorming van een nieuwe federale regering. Als die regering er is op het moment dat u dit leest, en Van­den­brou­cke zit erin, dan is er nog hoop. Als die regering er al is en hij zit er niet in, en hij is ook geen kandidaat-partijvoorzitter, dan ziet het er bijzonder beroerd uit voor de sp.a.

HOE OPNIEUW ELECTORAAL AANTREKKELIJK WORDEN?

Welke paden moet de sp.a bewandelen om opnieuw electoraal aantrekkelijk te worden? Dat is nu de hamvraag. Uit wat voorafging zou men kunnen besluiten dat ik geloof dat het probleem kan worden opgelost met een nieuwe mediatrainer en een ministerpost voor Frank Van­den­broucke. En zo simpel is het natuurlijk niet.
Anderzijds is het ook niet zo vreselijk ingewikkeld. Met de ideologie van het moderne so­cia­lis­me, de sociaaldemocratie, is immers niets mis. De sp.a hoeft geen aansluiting te zoeken bij het neomarxisme, niemand hoeft de markt af te zweren, en met een kordaat activeringsbeleid is op zich ook al niets mis.
Maar er zijn twee motieven uit haar sociaaldemocratische ideologie waarop de sp.a meer dan ooit de nadruk op moet leggen. Twee dimensies waaraan het hele partijprogramma als het wa­re moet wor­den getoetst: emancipatie en herverdeling.
Het socialisme heeft geen enkele reden van bestaan als ze niet de ontvoogding van de zwakste groepen in de samenleving voor ogen heeft. In de eerste plaats de sociaaleconomische ont­voog­ding. Honderd jaar geleden was die zwakste groep de werkende mens. Vandaag is dat niet meer in de eerste plaats de wer­ken­de mens. Ook niet de Vlaming. En ook niet de vrouw. Die drie grote emancipatiegolven zijn de afgelopen eeuw al over ons heen gerold.
Een van de groepen die vandaag op zowat alle sociaaleconomische parameters is ach­ter­ge­steld, is wat ik bij gebrek aan een beter woord nog even de allochtone gemeenschap zou wil­len noemen. De cijfers liegen er niet om: op het vlak van huisvesting, onderwijs en werk­ge­le­gen­heid is er voor die groep nog veel werk aan de winkel. En die kar moet de sp.a trekken. Ex­pliciet, zonder bang te zijn voor de xenofobe autochtone kiezer. Men beweert al jaren dat links ‘de problemen van de multiculturele samenleving’ altijd ‘onder de mat heeft geveegd’, en dat klopt nog steeds. Onder druk van de nieuwe politieke correctheid durven zelfs so­cia­lis­ten niet meer praten over racisme en discriminatie in onze samenleving. Wel over hang­jon­ge­ren en andere overlast - dát probleem schuift immers niemand meer onder de mat.
Ik herinner mij een uitzending van Volt, waarin Caroline Gennez zei dat ze positieve dis­cri­mi­na­­tie van vrouwen in bepaalde gevallen verdedigbaar vindt - het ging, geloof ik, over raden van bestuur. Welnu, pas als Caroline Gennez in prime time op televisie durft te zeggen dat we op z’n minst eens moeten nadenken over positieve discriminatie voor allochtonen op de werk­vloer - dán pas zal zij tonen dat zij het lef heeft om de echte problemen aan te pakken.
Wat herverdeling betreft, schuift de sp.a al een tijdje op in de goede richting, met haar voor­stel­­len voor een vermogenswinstbelasting. Maar ook op dat vlak is er nog ruimte voor verbe­te­ring. De eenvoudige vraag waarop de partij een antwoord moet geven, luidt als volgt: is het voor een socialist nog verdedigbaar dat een alleenstaande moeder met drie kinderen en een netto-inkomen van 1200 euro in de maand evenveel kindergeld krijgt als de gemiddelde lezer van Samenleving en politiek?

Joël De Ceulaer
Journalist Knack

sp.a - socialisme - ideologie - verkiezingen

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 8 (oktober), pagina 22 tot 25