Log in

Linksaf, zo snel mogelijk

QUO VADIS SP.A?

Het gaat al geruime tijd neerwaarts met de sociaaldemocratie, weliswaar met ups-and-downs. Een charismatisch leider, een uitzonderlijke campagne kunnen even zorgen voor een heuveltje in de lange neerwaartse helling. Om die neerwaartse langetermijntrend echt te keren, is het nodig de oorzaken ervan te kennen. Ik zie vijf maatschappelijke ontwikkelingen die de sociaaldemocratie niet goed heeft verwerkt en die haar structureel verzwakken: desindustrialisering, globalisering, liberalisering, diversifiëring en versymbolisering. In de toekomst moet de sociaaldemocratie democratischer, linkser en meer gemeenschapsgebonden. We moeten ophouden een partij van de quasi liberale middeltjes te zijn om er weer een van de grote linkse doelstellingen te worden.

Welke samenleving willen wij? Hoe verwezenlijken we die?

Dat lijken me de twee wezenlijke vragen… en ze zijn onafscheidelijk met elkaar verbonden. Het zal nooit beter gaan met de sociaaldemocratie als sociaaldemocraten niet heel duidelijk zeggen waar zij met de samenleving naartoe willen en waarom en hoezeer dat verschilt van wat andere politieke bewegingen nastreven. En die goede samenleving zal er nooit komen als de sociaaldemocratie niet opnieuw een belangrijke, doorslaggevende politieke beweging wordt.

DE NEERWAARTSE TREND ONTLEED

Het baat niet naar de toekomst te kijken, zonder het verleden mee te nemen. Vooraleer we in dit stuk de stapstenen aanreikendie de neerwaartse trend kunnen ombuigen, detecteer ik eerst de vijf struikelstenen die de sociaaldemocratie structureel verzwakken.

Desindustrialisering

Door de desindustrialisering is het aantal arbeiders geslonken. De identiteiten ‘arbeider’ en ‘arbeidersbeweging’ gingen verloren. Sociologisch gezien werd de arbeidersklasse vervangen door de laaggeschoolden. Veel meer dan de beroepscategorie werd het onderwijsniveau bepalend voor toegang tot de goede dingen van het leven. De verschillen en ongelijkheden tussen laag- en hooggeschoolden zijn schrijnend. We zijn, wat materiële ongelijkheid, de sociale afstand en de culturele verschillen tussen laag- en hooggeschoolden betreft, wat de kansen op sociale mobiliteit betreft, weer een standenmaatschappij geworden.

Het aantal hooggeschoolden is spectaculair gestegen en het aantal laaggeschoolden sterk gedaald. Op zoek naar een verbreding van hun electorale basis gingen de voormalige arbeiderspartijen op zoek naar hooggeschoolden. Deze leverden alras een deel van het electoraat en nagenoeg alle politieke kaders. Het is politiek ook een aantrekkelijke groep, de sociaal bewogen hoogopgeleiden. Maar de democratie werd snel een diplomademocratie. De diepe maatschappelijke breuk tussen laag- en middengeschoolden enerzijds, hooggeschoolden anderzijds, werd binnen de sociaaldemocratische partijen geïmporteerd. De hooggeschoolden zetten de toon, definiëren de problemen, bepalen de agenda, reiken hun oplossingen aan en beslissen wat weldenkend is… en blijken daarbij bijzonder weinig voeling te hebben met de traditionele achterban van de sociaaldemocratische partijen. Van die laatsten hielden velen het na een tijdje voor bekeken en stapten over naar extreemrechtse en populistisch rechtse partijen.

Globalisering

Globalisering hoeft niet negatief te zijn, maar onder de condities geschapen door de globalisering zoals deze zich nu voltrekt, staan alle werkende mensen bloot aan ontwikkelingen die hun kansen op een goed leven bedreigen. Zij worden in concurrentie geplaatst met mensen die onder sociaal onaanvaardbare omstandigheden en tegen een hongerloon werken. Daardoor wordt concurrentie een race to the bottom. Wie de slechtste arbeidsomstandigheden kan afdwingen, krijgt de prijs. Op die manier doodt globalisering echt ondernemerschap. Werknemers en werkgevers die het anders en beter willen aanpakken, krijgen in eigen land oneerlijke concurrentie omdat de Europese wetgeving via allerhande constructies wordt omzeild, zonder dat de Europese Unie daar doeltreffend tegen optreedt. Door consumptiedrang en de hoge kosten van het levensonderhoud worden mensen ertoe gedreven producten te kopen die onder onaanvaardbare omstandigheden worden geproduceerd, maar waartegen in naam van een verkeerd begrepen vrijhandel niet wordt opgetreden, tenzij via vrijblijvende acties en oproepen ethisch te consumeren en even vrijblijvende, en soms schijnheilige oproepen maatschappelijk verantwoord te ondernemen.

Vele mensen hebben de indruk dat de sociaaldemocratische partijen hen onvoldoende tegen dat soort praktijken en concurrentie beschermen. Dat ze niet vechten tegen de komst van een wereld waarin het streven naar economische vooruitgang gelijk wordt gesteld aan sociale afbraak. Dat is een hard en niet volkomen terecht oordeel, maar inderdaad, via de zogeheten Derde Weg zijn sociaaldemocraten veel te ver mee gestapt met een liberaal verhaal van vrijhandel, zelfregelende markten, deregulering van de internationale financiële markten, afbraak van de sociale bescherming en van de moeizaam opgebouwde arbeidswetgeving… maatregelen allemaal die de capaciteit van overheden, de reikwijdte van de democratie, de positie van de werkende mensen en de bestaanszekerheid van iedereen hebben ondergraven. Met het gevolg dat in verschillende Europese landen de geijkte achterban van sociaaldemocratische partijen nu ten dele mee stapt met populistische vormen van euroscepticisme en antiglobalisme of naar extreemlinks verhuist in de hoop daar bescherming te vinden tegen deregulering en tegen de groeiremmende liberale besparingsrecepten van de Europese Unie.

Liberalisering

Via de Derde Weg hebben veel sociaaldemocratische partijen hun ideaal van individuele vrijheid op basis van collectieve actie ingeruild voor een liberaal mensbeeld. Zij aanvaardden de liberale stelling dat er individualisering is, dat het kapitalisme de mensen heeft bevrijd en dat zij dus in veel grotere mate dan voorheen individueel konden worden verantwoordelijk gesteld voor wat er met hen gebeurt. In de praktijk werden en worden veel mensen verantwoordelijk gesteld voor dingen waar ze geen vat op hebben. Collectieve verantwoordelijkheid en risico’s worden afgewenteld op individuen. Dikwijls krijgen de zwakste schouders de zwaarste lasten te dragen.

Nooit eerder werd er zoveel lippendienst bewezen aan individuele vrijheid en tegelijkertijd zoveel gecontroleerd, geëvalueerd, gevisiteerd, gesanctioneerd… in feite zoveel vrijheid van de mensen afgenomen.

In de naam van prestatie en efficiëntie werd aan vele mensen de autonomie op het werk ontnomen, werd hun de kans op beroepsfierheid ontnomen, de kans om te werken naar eigen inzicht ontnomen… En dat heeft niet geleid tot een betere samenleving, wel tot een samenleving met meer stress, minder plezier in het werk en hoge werkloosheid. Medeplichtigheid aan een dergelijk beleid is niet wat mensen van de sociaaldemocratie verwachten.

Diversifiëring

Diversiteit is een misnoemer. Diversiteit is geen probleem. Mochten we in dit land honderd talen spreken, het zou af en toe moeilijk zijn, maar er zou nooit sprake zijn geweest van een ‘talenkwestie’, laat staan van een communautair conflict. Diversiteit naar etnische of culturele oorsprong is evenmin een probleem en de zogeheten ‘superdiversiteit’ nog minder. De absorbatiekracht van onze samenleving is groot; grote delen van de bevolking beschouwen diversiteit als een pluspunt. Het probleem is de aanwezigheid van een voor het moderne Europa nieuwe en door de meeste van haar gelovigen zeer traditionalistisch beleden religie, de islam.

Dat probleem is tweeledig. De zeer gebrekkige sociaaleconomische integratie van de moslims zorgt terecht voor frustratie en boosheid bij een deel van de bevolkingsgroep. Ze geeft ook aanleiding tot een aanpassing aan een leven van vervanginkomens en onzekerheden, wat bij een aantal niet-moslims dan weer wordt beschouwd als een grootschalige vorm van sociale fraude. Daarnaast is er een gebrekkige mate van culturele integratie, wat zich uit in grote verschillen in opvattingen, gebrek aan wederzijds respect en gebrek aan sociale integratie, aan contact tussen moslims en niet-moslims. Bij een kleine minderheid van moslims leidt dit alles tot radicalisering en een actieve vijandigheid tegenover deze samenleving, wat een aantal niet-moslims dan weer doet vrezen voor een vergaande aftakeling van de sociale cohesie en voor gewelddadige conflicten. Het is onverantwoord deze problemen te beschouwen als een probleem van diversiteit of van een gebrek aan openheid en tolerantie.

In de meeste Europese landen hebben de sociaaldemocratische partijen geijverd voor een snelle opname van nieuwe bevolkingsgroepen in de samenleving, via onder meer het snel toegang geven tot de voorzieningen van de verzorgingsstaat en tot burgerrechten en politieke participatie. Omdat de sociaaleconomische en culturele integratie, ondanks die maatregelen (volgens sommigen precies ten gevolge van die maatregelen) niet goed is verlopen, heeft dit ertoe geleid dat grote delen van de traditionele achterban de sociaaldemocratie de rug toekeerden. Zij deden dat omdat ze haar verantwoordelijk stellen voor het laten groeien van een onderklasse die de houdbaarheid van de sociale zekerheid bedreigt en voor het onvoldoende verdedigen van de Verlichtingsidealen die de sociaaldemocratie al altijd hebben geïnspireerd.

Versymbolisering

De versymbolisering van de samenleving, zo kan men de ontwikkeling beschrijven die er dankzij de economische groei en de verzorgingsstaat toe heeft geleid dat het leven van de mensen in mindere mate wordt bepaald door de materiële condities waaronder zij leven. Het denken, voelen en doen van mensen wordt nu, gelukkig, in mindere mate gestuurd door de vrees voor armoede. Andere factoren, zoals het onderwijs dat zij genieten, de wijze waarop zij zich informeren, de media… oefenen nu een grotere invloed uit. De sociaaldemocratie, die nochtans zelf een belangrijke rol heeft gespeeld in het verwezenlijken van deze transitie, heeft zich daar onvoldoende of op een verkeerde manier aan aangepast. Onvoldoende bijvoorbeeld, omdat nog steeds wordt geloofd dat men via een sociaaleconomisch beleid alle problemen kan oplossen, ook dat van de culturele integratie. Besturen wordt nog al te zeer en te exclusief beschouwd als het geven van budgettaire en financiële incentives. Daardoor kan sociaaldemocratisch besturen niet meer worden onderscheiden van liberaal besturen, van besturen alsof mensen eendimensionele individuen zijn, alleen door eigenbelang gedreven, eigenlijk niet meer dan het product van hun belangen en van de materiële omstandigheden waaronder zij leven. Zo’n pover mensbeeld past niet bij de sociaaldemocratie. Daarin herkennen sociaaldemocraten zich niet. Voor hen zijn mensen reëel, geen abstracte individuen, maar mensen die man of vrouw, moslim, katholiek of atheïst, arm of rijk… zijn, concreet, echt, van vlees en bloed, verankerd in de samenleving.

De partij is, verblind door de mogelijkheden van massacommunicatie, in grote mate een campagneteam geworden, waardoor de democratie wordt herleid tot een stembusgang om de vier jaar. Waardoor de partij ook maar eens om de zoveel jaar, naar aanleiding van een verkiezing, met de achterban spreekt. Daardoor wordt de communicatie tussen de burgers en de partij herleid tot wat de massamedia willen brengen. Dat leidt ertoe dat mensen nog bitter weinig van partijen en politiek verwachten. Zij hebben het gevoel dat het vinden van een baan, een leefbare woonomgeving, een goede school voor de kinderen, degelijke zorg als men ziek is, een goed pensioen… een zaak van persoonlijke inzet en wat geluk zijn. De rol en de mogelijkheden van collectieve en politieke actie worden niet meer gezien. Dat is nefast voor de democratie, maar noodlottig voor partijen die het willen opnemen voor mensen die op collectieve actie zijn aangewezen om het goede leven te bereiken. Die mensen blijven verweesd achter. Zelfs in een land met opkomstplicht, nemen velen van hen niet meer deel aan de verkiezingen.

DE NEERWAARTSE TREND OMBUIGEN

De sociaaldemocratie moet politiek bedrijven vanuit haar kernwaarden, verder bouwen op haar verwezenlijkingen en alzo fundamenteel vernieuwen. Dat betekent vandaag: democratischer, linkser en meer gemeenschapsverbonden. Of, zoals de slotzin van het prachtige Van Waarde-essay van Monika Sie Dhian Ho, directeur van de Nederlandse Wiardi Beckman Stichting, het zegt: ‘sociaaleconomisch naar links, sociaal-cultureel naar binding en politiek naar versterking van zeggenschap’.

Democratischer

Tussen de mensen en de politiek staat vandaag een dubbele vervreemding. De mensen rekenen niet meer op de politiek bij hun streven naar het goede leven en de politiek luistert onvoldoende naar hen, is al te vaak blind en doof voor de verzuchtingen van de mensen.

De sp.a moet de mensen weer laten ervaren dat hun persoonlijke zorgen en wensen de kern van het programma zijn. Op alle mogelijke manieren moet naar de mensen worden geluisterd, en moeten hun persoonlijke zorgen worden verbonden met de waarden waar de sociaaldemocratische beweging voor strijdt. De partij moet weer beweging worden, mobiliseer-machine. De partij moet het niet altijd eens zijn met de vakbond en de mutualiteit, maar de banden met die en andere middenveldorganisaties moeten worden aangehaald, de synergie kan en moet veel groter worden. Het is van cruciaal belang dat burgerinitiatieven en partijwerking met elkaar verweven zijn, niet los staan van elkaar. Als partijen zich losmaken van burgerinitiatieven worden het zwevende kiesmachines. Als burgerinitiatieven zich ver van politieke partijen houden, worden het kleine, roerige, onrepresentatieve en vluchtige clubjes.

Waar mensen zich organiseren en mobiliseren rond hun belangen, zorgen en dromen moeten onze middenveldorganisaties en de partij hen helpen en ondersteunen. Politiek moet veel minder een periodieke mobilisatie rond verkiezingen worden, meer een constante bedrijvigheid van politiek actieve burgers die zich mobiliseren, die gelijkaardige persoonlijke problemen en wensen bundelen en er publieke issues van maken, deze mediatiseren, op de agenda van de politiek plaatsen, in samenwerking met deskundigen en ambtenaren mogelijke oplossingen uitwerken, deze via partijprogramma’s naar de verkiezingen en het parlement brengen, en uiteindelijk vertalen in regelgeving en andere beleidsinstrumenten.

Partijen moeten politiseren wat het leven van de mensen beroert, niet zwijgen ter wille van mogelijke verdeeldheid bij de eigen achterban. Er grijpt een enorme verschuiving van bevoegdheden naar de Europese Unie plaats, en dit wordt door de middenpartijen ternauwernood gepolitiseerd, ternauwernood aan de kiezer voorgelegd. Men hoort vooral de eurosceptische populisten. Europa moet centraler komen te staan in alle verkiezingen. We moeten streven naar meer Europa waar we het nodig hebben, voor het reguleren van de banken en de financiële markten of voor de rechtszekerheid van de mensen, bijvoorbeeld. We moeten bouwen aan een Europa dat groei stimuleert en niet afremt, dat ongelijkheid verkleint en niet laat toenemen.

We gaan van staatshervorming naar staatshervorming in dit land en ook dat wordt door de sociaaldemocratische partij ternauwernood gepolitiseerd. We moeten de vraag stellen op welk beleidsniveau de samenleving die wij wensen het best kan worden gerealiseerd en de bevoegdheden in functie daarvan verdelen.

Linkser

Dit was een klassensamenleving. Het is nu door de toenemende verschillen tussen laag- en hoogopgeleiden weer een standenmaatschappij geworden. Om de ongelijkheid te verminderen, de kloof tussen de onderwijsstanden enigszins te dichten en de dynamiek van de standenmaatschappij te breken, dient gewerkt aan betere kansen in het onderwijs, betere kansen op de arbeidsmarkt en meer en beter werk.

In het onderwijs volstaat het niet gelijke kansen of een zogeheten level playing field te bieden. Daarvoor zijn de ongelijkheden te groot en te hard geworden. Streven naar enigszins gelijke kansen impliceert nu compenserend beleid: compenseren voor de kansarmoede van kinderen uit kansarme gezinnen, dikwijls gezinnen van laaggeschoolde ouders. Dat beleid kan, in nog grotere mate dan vandaag het geval is, de vorm aannemen van hogere subsidies voor scholen met een concentratie van kansarme leerlingen, het oriënteren van de beste leerkrachten en schooldirecteurs naar die scholen, het opzetten van betere leerlingvolgingsystemen om alzo sneller en doeltreffender te kunnen ingrijpen en bijsturen als de schoolloopbaan dreigt te ontsporen. De contacten met de ouders van de kinderen en jongeren die afhaken, moeten intenser worden. Er moet ook doeltreffender worden opgetreden tegen spijbelen, want ook dit vergroot de kansarmoede. Voor kinderen uit kansarme gezinnen is het ook belangrijk dat zij vroeg in een gepaste vorm van opvang kunnen verblijven, waar ook veel aandacht is voor hun intellectuele ontwikkeling en taalvaardigheid. De lange zomervakantie is nefast voor de kinderen uit kansarme gezinnen. Die moet worden ingekort.

Terwijl men alle leerlingen maximale ontwikkelingskansen moet bieden, kan het niet de bedoeling zijn iedereen naar het hoger onderwijs te sturen. Het doel van onderwijs en verheffing is niet een zo hoog mogelijk diploma voor iedereen, maar wel iedereen, absoluut iedereen de competenties laten verwerven die het mogelijk maken een waardig, bevredigend en productief leven te leiden, ten volle sociaal, cultureel, politiek en economisch te participeren. Voor kinderen uit kansarme gezinnen veronderstelt dit bijzondere aandacht voor hun kansen op de arbeidsmarkt en voor de basiscompetenties die nodig zijn om in deze samenleving te leven en te overleven, om er bijvoorbeeld zijn rechten te laten gelden. Het impliceert ook meer aandacht en middelen voor het volwassenenonderwijs.

Ook als de scholen hun uiterste best doen en het beleid hen daarin optimaal ondersteunt, zullen er nog steeds jongeren zijn die met heel beperkte, in een aantal gevallen ontoereikende competenties de school verlaten. Een degelijke verzorgingsstaat moet de mensen niet alleen zo goed mogelijk toerusten, maar moet ook een goed leven en bestaanszekerheid bieden aan degenen die slecht toegerust zijn of wier gezondheid hun arbeidsmarktparticipatie bemoeilijkt of onmogelijk maakt.

Telkens als de werkloosheid stijgt, duikt de vraag op of werk nog wel een centrale plaats in ons leven moet bekleden, of het beschikbare werk niet moet worden herverdeeld, of de productiviteitswinst niet moet worden omgezet in een drastische arbeidsduurverkorting, of arbeid en inkomen niet van elkaar moeten worden losgekoppeld via een basisinkomen. Nog los van de vraag naar de financiële implicaties van het basisinkomen (betekent het de afbouw van de verzorgingsstaat?) steunt het pleidooi voor die maatregel op een verkeerde inschatting van wat werk voor de meerderheid van de mensen betekent. Arbeid is veel meer dan een manier om geld te verdienen. Het is een morele aangelegenheid, een kwestie van plicht, een middel tot verbondenheid met anderen, een middel tot ontplooiing en ontwikkeling, een belangrijk bestanddeel van de identiteit. De overgrote meerderheid van de mensen heeft geen renteniersmentaliteit, houdt zelfs niet van renteniers noch van mensen die, hoewel ze kunnen werken, toch op de kap van de gemeenschap willen teren.

Arbeid moet veel lonender worden, vermogen moet zwaarder worden belast.

De markt slaagt er duidelijk niet in de behoefte aan werk te koppelen aan de behoefte zich nuttig te maken, zich verbonden en gewaardeerd te voelen, fier te zijn op wat men doet, zich te ontplooien in het werk, via het werk iets voor de anderen te doen. Het is echter absurd dat manifeste marktfalen te willen opvangen met een basisinkomen of het herverdelen van het ‘beschikbare werk’ (die term alleen al!). We moeten naar meer en beter werk.

Nodig is niet een basisinkomen, maar een basisbaan: iedereen die de school verlaat met de nodige basiscompetenties en die wil werken, moet kunnen werken en dat werken moet een weg bieden naar meer kansen op de arbeidsmarkt, naar meer competenties. Dat moet onze utopie zijn. Wij zijn geen partij voor of van renteniers.

We moeten dingen maken die de wereld wil. De economie dient geheroriënteerd van een renteniersmentaliteit naar ondernemerschap en een vierde industriële omwenteling. Daarop moeten de fiscaliteit, het investeringsbeleid en de opleidingen worden afgestemd. In het onderwijs moet een grotere nadruk komen te liggen op ambachtelijkheid, op technologie en op wetenschap. De innovatiekracht van het onderzoek moet worden verstevigd en de koppeling tussen wetenschapsbeleid, R&D en productie moet intenser worden. De sociaaldemocratie moet terug naar haar grote traditie van maatschappelijke hervorming. Niet vervallen in een liberaal verhaal van onmacht en ‘er is geen alternatief’. Ons zeker niet neerleggen bij het geloof dat enkel wat sociaal kan worden gecompenseerd voor de nefaste gevolgen van het mondiaal, financieel kapitalisme. Wel doen wat al altijd werd gedaan. Het kapitalisme beteugelen, ombuigen tot een economische orde die zowel groei als sociale vooruitgang mogelijk maakt.

We moeten weg van de liberale recepten die naar crisis leiden, die het goede werk vernielen, een bijstandsklasse scheppen, een renteniersmentaliteit stimuleren en de meest dringende behoeften onvervuld laten.

De ontwikkeling van de persoonlijke diensteneconomie kan een groots project worden. Velen die diensten en zorg nodig hebben, kunnen die vandaag niet betalen. Een doeltreffend en voldoende dekkend stelsel van zorgverzekering moet verder ontwikkeld worden, dat het mogelijk maakt de persoonlijke diensteneconomie te ontplooien.

De laatste decennia werden, in het kader van een verkeerd begrepen efficiëntiestreven, veel ondersteunende diensten ‘weggerationaliseerd’. De poetsvrouw die fier was op haar gebouw en die je daarop kon aanspreken, werd vervangen door een bedrijf dat ‘doorrationaliseerde’ en mensen uiteindelijk liet werken in minder propere lokalen, met in het beste geval een moeilijke, onpersoonlijke, trage en meestal niet-werkende klachtenprocedure. Het resultaat is een vermindering van de kwaliteit van het leven en het werk.

Een groot deel van de mensen, zeker van de jonge mensen, zoekt vandaag ontplooiing in het werk. Zij willen werk dat boeiend is en dat daarom ook absorberend mag zijn. Misschien is dit wel de belangrijkste grondstof waarover we beschikken in een economie die noodgedwongen vooral moet steunen op betrokkenheid en creativiteit. Maar die jonge mensen willen tegelijkertijd investeren in het gezin, investeren in de opvoeding van hun kinderen. Deze samenleving biedt hen nog steeds geen goed evenwicht tussen gezin en werk, een evenwicht dat niet veronderstelt dat het ene, bijvoorbeeld via een loopbaanonderbreking, wordt opgeofferd aan het andere. De voorzieningen moeten nog bedacht en verwezenlijkt worden die een waarlijk eigentijdse, moderne levensloop mogelijk maken, een inrichting van het leven die is aangepast aan de wensen en ambities van de jonge mensen.

Gemeenschapsafbakening

Het internationalisme is een wezenlijk bestanddeel van de sociaaldemocratie. Het veronderstelt de natie; het veronderstelt een gemeenschap van lotsverbondenheid, van mensen die rechten en plichten delen en een demos vormen. Binnen de grenzen van de natie, en dankzij die grenzen, kunnen de rechten van de burgers, ook van de zwakste burgers worden verdedigd. ‘La nation est le seul bien des pauvres’ - de natie is het enige bezit van de armen - zei de Franse socialistische voorman Jean Jaurès.

De sociaaldemocratische utopie is een wereld van naties waarin de waarden van vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid de grondslag vormen van de rechten en de plichten die de mensen binden. Die droom kan niet worden verwezenlijkt door naties en grenzen te vernielen, maar door binnen die grenzen via sociale strijd te streven naar vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid en op die manier samenlevingen te bouwen waarin de levensomstandigheden voldoende gelijk zijn opdat zij naar elkaar toe zouden kunnen groeien. Ook de Europese Unie moet op die manier worden benaderd, als een vergaande vorm van samenwerking van naties die langzaam, en niet altijd even rechtlijnig en niet allemaal op hetzelfde ritme, naar elkaar toegroeien.

Globalisering heeft het belang van grenzen weer verduidelijkt. De invloed van het liberalisme en de verwoede pogingen een wereld te scheppen waarin de vermogensongelijkheid steeds groter kan worden, hebben ertoe geleid dat die grenzen onvoldoende werden bewaakt, waardoor de capaciteit van de natie om rechten te garanderen en binding te verwezenlijken, sterk is afgezwakt. Daarom is gemeenschapsafbakening een nieuwe, belangrijke opdracht voor de sociaaldemocratie. Gemeenschapsafbakening streeft naar het herstel van de grenzen die het mogelijk maken een gemeenschap te zijn die haar leden beschermt en een actor te zijn op het internationale niveau.

De deregulering van de financiële markten heeft de nationale economieën tot een speelbal van speculanten gemaakt. De internationale actie van sociaaldemocratische partijen moet in de eerste plaats gericht zijn op een her-regulering van de financiële markten, op het scheppen van een wereldorde waarin economische en sociale vooruitgang voor alle naties mogelijk is, waarin economische groei gepaard gaat met sociale opbouw, niet afhankelijk wordt gemaakt van sociale afbraak.

De wijze waarop de globalisering zich nu voltrekt, vervalst de concurrentie. Het is op zich goed dat economische productie de toets van de concurrentie moet doorstaan, maar dan van een eerlijke concurrentie, een concurrentie in termen van creativiteit, innovatiekracht, doeltreffendheid en efficiëntie, niet een concurrentie zoals die vandaag onder invloed van de globalisering tot stand komt: een race naar zo goedkoop mogelijk werk, zo slecht mogelijke arbeidsomstandigheden, zo weinig mogelijk werkzekerheid en zo veel mogelijk ongelijkheid. We moeten door invoerbeperkingen en heffingen landen stimuleren om hun arbeidsvoorwaarden te verbeteren. Ondernemers dienen ondersteund en geholpen om via creativiteit en innovatie, niet via sociale afbraak, concurrentiëler te worden.

Mensen willen werkzekerheid. Dat is een belangrijk fundament van bestaanszekerheid, een grondslag waarop een bevredigend leven kan worden gebouwd. Werkzekerheid kan echter niet meer worden geboden als de globalisering niet via gemeenschapsafbakening onder democratische controle wordt gebracht. De huidige tendens in Europa lijkt de andere kant op te gaan. Vooral de laaggeschoolden en zelfs de middenklasse worden daar het slachtoffer van. Goede jobs worden vervangen door wegwerpjobs, door precaire statuten, door schijnzelfstandigen. De spelregels die er zijn om mensen goed werk te geven, worden meer en meer omzeild. Dat dient dringend onmogelijk te worden gemaakt.

Het afbouwen van de moeizaam opgebouwde arbeidswetgeving, het omzeilen van die wetgeving, het laten groeien van een leger uitgebuite illegalen, het laten groeien van een onderklasse, het cultiveren van een bijstandscultuur… het zijn allemaal manieren waarop het neoliberale beleid van de laatste decennia de kansen op een goed leven in een rechtvaardige samenleving heeft ondergraven. De sociaaldemocratie moet zich daar radicaal tegen verzetten, door iedereen en vooral de meest kansarmen betere kansen te bieden, door mensen uit de illegaliteit te halen, door de strijd tegen discriminatie hard te voeren, door te activeren, iedereen de competenties en attitudes en goesting te laten verwerven die een bevredigende en productieve participatie aan de samenleving mogelijk maken.

Die doelstellingen zijn onhaalbaar als de immigratie niet onder controle wordt gebracht en de sociaaleconomische en culturele integratie niet wordt bevorderd. Men kan het leven van de inwoners van dit land, vooral van de meest kwetsbaren, niet langer hypothekeren door ongecontroleerde immigratie van mensen die niet voldoen aan de voorwaarden om snel economisch, sociaal en cultureel in deze samenleving te worden opgenomen.

Binnen de sociaaldemocratie zijn er mensen die het internationalisme voor kosmopolitisme hebben geruild. Een aantal deden dat omdat ze kozen voor een liberaal mens- en maatschappijbeeld waarin vlot grenzen worden overschreden; waarin mensen volatiel zijn, gaan naar waar ze hun talenten best kunnen valoriseren. In de echte wereld emigreren echter weinig mensen om hun talenten te valoriseren. Er zijn nu eenmaal bitter weinig mensen die vertrekken uit rijke landen naar andere rijke landen. Een kleine fractie van de bevolking doet dat en slechts een kleine fractie van die kleine fractie doet dat omdat de aantrekkingskracht van het andere land groot is. De meesten gaan tegen hun goesting, bitter zelfs omdat ze door een gebrek aan kansen worden weggeduwd uit het land waar hun roots liggen, hun familie woont en waar ze liefst willen leven. En uit de arme landen vluchten de mensen om, als ze onderweg niet stikken in een container, vermoord worden of verdrinken, in de rijke landen een onderklasse te vormen. De wereld is nu eenmaal heel anders dan de liberale theorietjes hem voorstellen.

Een andere, waarschijnlijk belangrijker drijfveer van het kosmopolitisme is medemenselijkheid, medelijden met de mensen die zo wanhopig zijn dat ze hun leven riskeren om hier in een vochtige kelderkamer te komen wonen en te worden uitgebuit. Dat is het nobele motief van het kosmopolitisme. En die motivatie, die medemenselijkheid moeten we koesteren. Maar we moeten er tevens over waken dat dit niet leidt tot objectieve medeplichtigheid met mensenhandelaars en uitbuiters van illegalen, met de pogingen om de verzorgingsstaten te ondergraven, met regimes die in naam van een religie of door corruptie gedreven de ontwikkeling van hun land fnuiken, systematisch armoede, verdrukking, frustratie en geweld kweken en daarom hun burgers op de vlucht jagen. Dat probleem kan niet worden aangepakt door de grenzen te openen. Het vergt een aangepaste vorm van ontwikkelingshulp, het vergt plaatselijke vluchtelingenhulp en onder bepaalde omstandigheden vergt het ook militaire interventie. En voor de mogelijkheid dat doeltreffend te doen, moeten sociaaldemocraten ook durven ijveren.

Gemeenschapsafbakening is geen gemeenschapssluiting. Of het nu gaat om wetenschap, bedrijf, overheidsadministratie, politie, leger, onderwijs,… we moeten innoverende mensen van waar ook ter wereld hier kansen geven. We moeten kansen geven aan alle mensen die kunnen aantonen dat zij tot deze samenleving willen en kunnen bijdragen. Dat veronderstelt niet het onmogelijk maken van immigratie, maar het controleren van immigratie. Het veronderstelt ook dat immigratie wordt gekoppeld aan minimale eisen tot integratie: de kennis van de taal, de bekwaamheid in het eigen levensonderhoud te voorzien.

De immigratie uit het verleden heeft geleid tot een belangrijke nieuwe bevolkingsgroep, de moslims en tot verschillende minderheden. Het behoort tot de sociaaldemocratische traditie open te staan voor nieuwe groepen, de godsdienstvrijheid van die groepen te garanderen, hen het recht te geven de symbolen van hun belijdenis te dragen en te helpen zoeken naar een harmonieus evenwicht tussen het bewaren van eigenheid en de aanpassing aan de basiswaarden van de samenleving. De grote groep moslims in dit land is sociaaleconomisch achtergesteld. Sociaaldemocraten kiezen de kant van achtergestelde groepen, strijden samen met hen voor vooruitgang en emancipatie, tegen discriminatie en achterstelling. Daarom heeft, in het licht van haar traditie en haar waarden, de sociaaldemocratie een bijzondere band met de moslims en met andere minderheidsgroepen. En die bijzondere band geeft sociaaldemocraten ook de plicht samen met die mensen te streven naar een volwaardige en hechte opname in deze samenleving. Dat moet inderdaad samen met die groepen gebeuren, luisterend naar hen, lerend van hun ervaringen, maar het moet in alle openheid en eerlijkheid gebeuren. Het gaat om het samen bouwen aan een waarlijk democratische, seculiere welvaartsstaat. Daarin passen geen haat, onderdrukking, vervolging van ‘afvalligen’, homofobie, racisme, antisemitisme, fundamentalisme of onzinnige complottheorieën. Wie dat wil bestrijden, is welkom. Wie dat wil bevorderen of oogluikend tolereren, is dat niet.

Mark Elchardus
Socioloog en redactielid Samenleving en politiek

sp.a - ideologie - links

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 5 (mei), pagina 4 tot 14