Log in

Doorbreek de politieke vervreemding

Wat nu met de sp.a?

Een politieke partij ontstaat vanuit een vertegenwoordigingsgedachte. Ze streeft ernaar overtuigingen of minstens belangen van groepen uit de samenleving te vertegenwoordigen. Als ze daarin succesvol is, is een politieke partij (zoals de Fransen dat mooi uitdrukken) ‘en phase avec son électorat’. Als ze niet succesvol is, is ze ‘en déphase’.

Wat nu met de sp.a?

Doorbreek de politieke vervreemding
Caroline Gennez
Interne democratie en open partijwerking
Patrick Vander Weyden

Die vertegenwoordigingsgedachte is doorslaggevend op twee terreinen. Het eerste terrein is het sociaaleconomische. Het tweede het sociaal-maatschappelijke. Wanneer een partij, zowel op sociaaleconomische thema’s als op sociaal-maatschappelijke thema’s met haar kiezers ‘en phase’ is, betekent dat er homogeniteit is tussen een partij en haar kiezers. Wanneer een partij op één van die twee terreinen niet langer ‘en phase’ is, maar standpunten inneemt waarmee een deel van haar kiezers zich niet kan identificeren, is er heterogeniteit.
Indien een partij zowel op sociaaleconomische als op sociaal-maatschappelijke thema’s van de opvattingen van haar kiezers afwijkt, is er zelfs dubbele heterogeniteit. Alleen grote partijtrouw of charismatisch leiderschap kan die partij dan tegen politieke vervreemding beschermen.

Een korte geschiedenis van mijn partij, sp.a, vanaf de jaren 1980 illustreert deze stelling. Bijna alle socialistische of sociaaldemocratische partijen in Europa hebben overigens eenzelfde evolutie ondergaan. Zowel Gordon Brown, José Luis Rodríguez Zapatero, José Socrates als Romano Prodi schuifelen als regeringsleiders eerder ongemakkelijk over hun stoel. Een duidelijke visie op het Europese project lijkt te ontbreken, of is op zijn minst niet zichtbaar. In Duitsland maken de voorzitter van de partij, Kurt Beck, en de vice-kanselier, Franz Müntefering, ruzie. Onze Nederlandse vrienden van de PvdA maken ook al een periode van introspectie door. En de situatie bij de Franse PS is ronduit rampzalig.

Van Operatie Doorbraak tot sp.a

In de jaren 1980 is de situatie van de toenmalige SP een situatie van homogeniteit. De SP is een oppositiepartij die op de meeste thema’s flink in tegenstroom was met de (oranje-blauwe) regering Martens-Gol. Ze is sterk vertegenwoordigd bij de arbeiders of het overheidspersoneel, maar matig bij de hogere middenklasse. Sociaal-maatschappelijk is de SP een aanvaller. Het rakettenstandpunt zorgt bijvoorbeeld voor de mobilisatie van een generatie. De Operatie Doorbraak van Karel Van Miert speelt goed in op de vaststelling dat de tegenstelling tussen klerikaal en antiklerikaal, die lang van groot belang is, veel van haar scherpte verloren is. De partij maakt ook gebruik van de toenemende kloof die ontstond tussen de beperkende, ethische opvattingen van de christendemocratie en de rest van Vlaanderen. Thema’s zoals abortus en euthanasie spelen een belangrijke rol.
In de jaren 1990, vanaf die beruchte zwarte zondag in 1991, wordt de relatief homogene SP met een ruwe smak wakker. De partij heeft de migratieproblematiek, die vanaf het einde van de jaren 1980 met de zogenaamde tweede generatie razendsnel was opgedoken, helemaal niet zien komen. Ook de volgende jaren zal de partij nog met het thema worstelen. Louis Tobback probeert in de eerste helft van de jaren 1990 van veiligheid nog een nieuw ‘flinks’ thema te maken, maar hij botst op een partij die daar niet klaar voor is. Het gevolg is dat de partij zich eenzijdig richt op sociaaleconomische thema’s, zoals de sociale zekerheid. Zelfs in die mate dat de toenmalige SP een one-issuepartij wordt genoemd.

Na de zware verkiezingsnederlaag van juni 1999 gooit de partij radicaal het roer om. De partij kiest voor een open model. De nieuwe voorzitter Patrick Janssens maakt korte metten met de restanten van het stamboomsocialisme, of mag ik het clanesk socialisme noemen. Patrick Janssens en later ook Steve Stevaert breken met een aantal klassieke denkpatronen. Nieuwe thema’s, zoals mobiliteit en verkeersveiligheid, worden aangeboord. Politici als Johan Vande Lanotte en Frank Vandenbroucke zorgen er ondertussen voor, met voorstellen zoals het Zilverfonds of de maximumfactuur, dat de partij zijn sociaal profiel behoudt. Het model slaat aan: in 2003 winnen we de verkiezingen. Maar de partij is vermoeid geraakt en begint aan een latente vertegenwoordigingscrisis. Ze vindt geen antwoord op het thema veiligheid en migratie, en verkiest daarom te zwijgen. Bovendien heeft 18 jaar regeringsdeelname haar laatste reserves op sociaaleconomisch vlak aangetast. Een aantal moeilijke beslissingen, zoals het Generatiepact, vervreemden haar van een deel van haar kiezers. Ze is niet langer de partij van de spoormannen, maar van de spoorbazen. We kennen allemaal het resultaat van 10 juni 2007. Homogeniteit is dubbele heterogeniteit geworden.

De impact 9/11 en de Europese referenda onderschat

Twee belangrijke data zijn voor mij doorslaggevend om de weg die we nu moeten volgen te bepalen. De eerste datum is 9/11. Welke lectuur je ook aan 9/11 geeft, de tijd om over thema’s als veiligheid en migratie gegeneerd opzij te kijken, is voorbij. Het is dé uitdaging voor elke socialistische partij om een duidelijk antwoord te geven dat zowel het haatdiscours van extreemrechts als het ‘sorry don’t worry-verhaal’ van sommigen te boven gaat. Zo ben ik er bijvoorbeeld van overtuigd dat een Belgische of Vlaamse islam geen beperkend maar een emancipatorisch verhaal kan worden. De grote voorwaarde is dat die islam zich niet als een meerderheidsreligie gedraagt. Dit wil zeggen als een religie die geen individuele overtuigingen duldt of de eigen overtuiging boven elke andere overweging plaatst. Een voorbeeld van dat laatste is de Jordaanse man die onlangs in Limburg weigerde dat zijn hoogzwangere vrouw door een mannelijke anesthesist werd behandeld. Een dergelijke houding kan in onze samenleving niet worden aanvaard.

Het andere scharnierpunt zijn de referenda over de Europese Grondwet die in 2005 in Nederland en Frankrijk hebben plaatsgevonden. Die referenda tonen immers dat socialezekerheidssystemen niet alleen in ons land maar overal in Europa kreunen. Van de Fransen wisten we sinds het Verdrag van Maastricht dat een deel van hun opinie vatbaar is voor een exotische cocktail van zowel rechtse als linkse soevereinen. Maar Nederland, dat is toch wel even de verrassing. Het zijn de socialistische kiezers die in die referenda het verschil tussen ja en neen hebben gemaakt. Het zijn onze kiezers die neen hebben gezegd tegen het Europa van liberalisering en een interne markt zonder geloofwaardig sociaal tegengewicht.
Het is al té gemakkelijk om die houding met Euro-scepticisme gelijk te stellen. Het Europese project blijft, integendeel, voor ons van doorslaggevend belang. We moeten de globalisering van de economische en maatschappelijke ruimte beantwoorden met de globalisering van de politieke ruimte. We kunnen als Europese socialisten onze houding van ‘benign neglect’ tegenover Europa niet langer veroorloven.

Duidelijke verwachtingen van de kiezer

Maar zoals ook voorheen het geval was, is de voornaamste kracht die we hebben om op het Europese niveau te wegen de kracht van de democratie. Want dat is de kracht van gewone mensen die instellingen kunnen dwingen om bij te sturen. Als we er niet in lukken de Europese instellingen, die zich als een soort ‘machine célibataire’ gedragen, een democratiseringsshock toe te brengen, kunnen we niet slagen.

We moeten duidelijk zijn over de doelstellingen die we daarmee nastreven. De socialistische en sociaaldemocratische partijen waren in de jaren 1990 succesvol door hun centrumkoers, maar wisten geen antwoord te geven op de groeiende onzekerheid door de globalisering. Daar ging de centrumkoers de mist in. Zo ontstond de ‘en déphase’ met de eigen achterban. Ondertussen bleek de ‘en phase’ met de centrumkiezer heel volatiel. Zo verloren de socialisten op twee fronten. Dat moeten we nu omkeren door op het Europees niveau, zowel op sociaaleconomische als op sociaal-maatschappelijke thema’s, een sterk en begeesterend programma op te bouwen. Dat programma kan niet vrijblijvend zijn. De referenda in Frankrijk en nog het meest in Nederland tonen aan dat onze kiezers van ons verwachten dat we een stap verder gaan en dat we verdere steun aan het Europees project van de realisatie van dat programma afhankelijk maken. Enkel indien we die moeilijke weg volgen, kan de dubbele heterogeniteit opnieuw homogeniteit worden. Dit betekent ook dat we als sp.a niet de fout mogen maken om ons enkel op onze klassieke agenda terug te plooien. Dan eindigen we net als in 1999 als een one-issuepartij.
Met ideologie en ideeën is het zoals met wegenkaarten. Als je altijd op je wegenkaart kijkt, rijd je zeker ergens tegenaan. Als je nooit meer naar de kaart kijkt, rijd je nergens naartoe. Ik denk dat het tijd is om de kaart te nemen en een nieuwe route uit te stippelen.

Caroline Gennez
sp.a voorzitter

Deze tekst is een geactualiseerde versie van de inleiding die Caroline Gennez gaf op de debatavond ‘Links in Europa: stap- en struikelstenen’ (24 oktober) van de Stichting Gerrit Kreveld, Bezinnings- en Initiatiefcentrum voor een sociale democratie.

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 9 (november), pagina 13 tot 15