Log in

Interne democratie en open partijwerking

Wat nu met de sp.a?

De verkiezingsnederlaag van de sp.a en de daaropvolgende machtsverschuivingen bij de Vlaamse socialisten hebben de laatste weken veel inkt doen vloeien. Uit de soms interessante analyses in de geschreven media en de debatten naar aanleiding van de voorzittersverkiezingen komen telkens twee thema’s, problemen zo je wil, terug. De sp.a zou ideologisch niet links genoeg zijn (of althans zich niet links genoeg geprofileerd hebben) en haar werking zou een serieus democratisch deficit vertonen.

Wat nu met de sp.a?

Doorbreek de politieke vervreemding
Caroline Gennez
Interne democratie en open partijwerking
Patrick Vander Weyden

De zware selectieprocedure voor de kandidaatstelling van de voorzittersverkiezingen en de daarmee gepaard gaande mobilisatie van leden leek een doos van Pandora bij de Vlaamse socialisten te openen. Nogal wat actieve leden uitten hun ongenoegen over het gebrek aan inspraak en betrokkenheid van de basis in de werking en de standpuntbepaling van de partij. Er werd niet alleen in interne debatten, maar ook openlijk in de media met scherp geschoten.

De nieuwe leiding van de partij zegt het signaal te hebben begrepen en te streven naar een meer democratisch werkende partij. Nu de discussie over de partijwerking op de agenda staat, moet natuurlijk een invulling gegeven worden aan de roep naar meer inspraak. De vraag naar meer inspraak impliceert meteen ook andere meer fundamentele vragen. Het zijn deze andere vragen en de mogelijke antwoorden hierop die het debat waardevol en interessant maken.

Partij als middel

Een eerste, naar mijn mening, belangrijke kernvraag is de vraag hoe een politieke partij eruit moet zien om een linkse, sociale en solidaire samenleving te realiseren en dus een zodanig groot electoraal gewicht te verwerven dat men het beleid kan beïnvloeden en vormgeven.
Zowat alle socialistische en sociaaldemocratische partijen in West-Europa zijn ontstaan als quasi typevoorbeelden van wat politicologen massapartijen hebben genoemd. Zij zijn buiten het parlement ontstaan als een netwerk van verschillende organisaties en probeerden via de macht van het aantal binnen te breken in het politieke systeem. Massapartijen hadden ook hun eigen communicatiekanalen. Deze waren noodzakelijk om met de leden van de verschillende netwerkorganisaties te communiceren, aangezien andere communicatiekanalen zoals de massamedia op het einde van de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw uiteraard afwezig waren of veel minder impact hadden. Anderzijds kon men door de eigen communicatie de achterban mobiliseren. Hiervoor was een sterk geoliede organisatie met veel discipline nodig, met geleidelijk aan ook een zich professionaliserend kader. Door de uitbreiding van het kiezerskorps in verschillende fasen waren massapartijen op het einde van de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw prototype organisaties om de nieuwe ‘massa’ aan kiezers organisatorisch in te bedden. Katholieke en liberale partijen, het succes van de socialistische partijen onder ogen ziende en geconfronteerd met grote groepen nieuwe kiezers, zagen zich genoodzaakt om zich naar het organisatorisch model van een massapartij om te vormen. Zulke massapartij was immers in die tijd de ideale organisatiestructuur om grote groepen kiezers te bereiken.

Ondertussen is de maatschappelijke context heel erg veranderd. Het electoraat is door de democratisering van het onderwijs en een doorgedreven economische functionalisering meer heterogeen samengesteld en quasi (psychologisch) ontzuild. Bovendien zijn (massa)communicatieprocessen meer divers en onafhankelijker van de politiek.
Waarschijnlijk is het nuttig dat sociaaldemocraten zich ook vandaag opnieuw afvragen wat voor soort organisatie ze nodig hebben om een solidaire, duurzame samenleving op te bouwen? Laten we de sp.a even wegdenken, hoe zouden sociaaldemocraten zich dan het best organiseren om electoraal en inhoudelijk succesvol te zijn binnen de huidige samenleving? Met andere woorden, welke soort organisatie zou op dit moment de beste zijn om een links project te realiseren? Een politieke partij of organisatie is immers een middel om politieke macht te verwerven en finaal inhoudelijke doelstellingen te realiseren. Je bij crisismomenten afvragen of de organisatie nog voldoet in een gewijzigde politieke en sociale context om het uiteindelijke doel te realiseren, is fundamenteel. Dit betekent niet alleen dat men zich moet afvragen of sociaaldemocraten performant georganiseerd zijn om verkiezingen te winnen, maar ook of men voldoende georganiseerd is om blijvend inhoudelijk te evolueren zonder dat men al té afhankelijk wordt van enkele individuen.

Denktanken

Een linkse sociaaldemocratie heeft behoefte aan denktanken die ideeën en pistes ontwikkelen over belangrijke maatschappelijke thema’s zoals armoede en uitsluiting, onderwijs, arbeid, sociale zekerheid, mobiliteit, migratie, Europa en globaliseringsprocessen, internationale solidariteit, enzovoort. Pleiten voor de ontwikkeling en ondersteuning van denktanken wil niet zeggen dat alle inhoudelijke keuzes die door de partij de laatste jaren zijn genomen de foute waren. Maar het draagvlak van die keuzes was wel bijzonder klein geworden. De oorzaak van dit inkrimpende draagvlak heeft onder andere te maken met de snelle opvolging van de verkiezingen en het dragen van uitvoerende verantwoordelijkheid. Het moest allemaal snel gaan en onder de tijdsdruk werden steeds minder mensen betrokken bij de gemaakte keuzes. Een van de weinige functionerende sociaaldemocratische denktanken op dit moment in Vlaanderen is de Stichting Gerrit Kreveld (met Samenleving en politiek als uithangbord). Denktanken zouden als voordeel kunnen hebben dat ze niet meteen gebonden zijn aan de verkiezingslogica. Ze kunnen bovendien in de schaduw werken, los van de spotlights van de media. Denktanken kunnen ook een mobiliserend karakter hebben. Zowel politici als niet-politici, binnen en buiten de partij, zouden erin actief kunnen zijn. Binnen zo’n denktanken kunnen concepten ontstaan en rijpen. Politieke verantwoordelijken zouden hieruit ideeën kunnen putten. Denktanken moeten zich ook niet in de plaats willen stellen van politici. Het zijn de politici (of beter: de kandidaten van de partij op lijsten) die uiteindelijk de strategische keuzes bepalen. Zij moeten verantwoording aan de kiezer afleggen, zij worden in eerste instantie electoraal afgerekend op juiste of foute keuzes. Denktanken kunnen onmiskenbaar de partij en het politiek personeel ondersteunen en een groter draagvlak creëren voor de uiteindelijke keuzes die zij maken.

Een open versus gesloten partij

Daarnaast kan de sp.a een fundamentele discussie over de verhouding tussen leden en niet-leden niet uit de weg gaan. Het betrekken van niet-leden in de partijwerking en het plaatsen van niet-leden op lijsten mag dan wel door sommige leden als ondemocratisch worden beschouwd, het valt echter te bekijken of dit ook werkelijk zo is. De nieuwe Italiaanse Partito Democratico (PD), die oud-communisten en oud-christendemocraten verenigt, verkoos zijn voorzitter via zogenaamde primaries. Alle Italianen boven de 16 jaar konden, mits betaling van één euro, deelnemen aan de voorzittersverkiezingen van de PD. Uiteindelijk haalde Walter Veltroni meer dan 75 procent van de stemmen bij meer dan drie miljoen Italianen. Veltroni heeft met deze verkiezing vooral een mandaat gekregen van de Italianen en niet zozeer (of althans niet uitsluitend) van de leden van zijn partij. U hoort mij niet vertellen dat dit de weg is die de Vlaamse socialisten moeten bewandelen. Het is echter een illustratie dat verschillende modellen van inspraak en partijdemocratie mogelijk zijn.

De laatste maanden werd duidelijk dat er binnen de sp.a geen consensus aanwezig is over de rol van niet-leden in de partij en over de verhouding tussen niet-leden en leden. Aan de ene kant is er de strekking dat alleen leden mogen worden betrokken bij de werking van de partij, dat alleen leden de inhoud van het programma kunnen bepalen en dat alleen leden op lijsten mogen staan. Aan de andere kant van het continuüm zou men kunnen stellen dat het lidmaatschap van de partij totaal onbelangrijk is en dat het verschil tussen lid en sympathisant kan worden opgeheven. Het hoeft geen betoog dat een meer open partijwerking meer aansluit bij het laatste model.
De sp.a is de laatste jaren geëvolueerd van een zeer gesloten partij, waar je als nieuw lid amper toegang had tot partijactiviteiten, naar een partij die meer aansluit bij het open type. Zo hoeven kandidaten op lijsten niet altijd lid van de partij te zijn en kunnen belangengroepen op het ideologische congres inhoudelijk voorstellen formuleren. Het traditionele lid zag dit met lede ogen aan. De overgang van een gesloten partij naar een open partij gebeurde té snel en té impliciet, zonder draagvlak bij de leden. Leden werden verondersteld een blindelings vertrouwen te hebben in de strategie van de partijleiding. Er was te weinig overleg en verantwoording over bepaalde beslissingen. Bovendien werd te weinig beroep gedaan op de expertise die bij partijleden op alle mogelijke niveaus aanwezig is. Het gevoel ontstond dat je beter geen lid kan zijn, om dan met grote poeha te worden binnengehaald, om ‘iets’ in de partij te betekenen. Dit moest wel leiden tot frustratie bij een groot deel van de (actieve) leden.

Daarmee is niet gezegd dat het streven naar een open partijwerking een verkeerde strategische beslissing is. Deze evolutie is geen toeval. Ze vindt plaats binnen een veranderende maatschappelijke context en een veranderd profiel van partijleden. Het aantal leden in de partij daalt de laatste decennia continu. Dit is niet alleen het geval voor de sp.a, dit is een verschijnsel van alle partijen in zowat heel Europa. Bovendien kan slechts een zeer klein deel van de leden als actief lid worden beschouwd. In een vrij gepolariseerde voorzittersverkiezing kunnen we vaststellen dat slechts één op twee leden een stem uitbrengt. Maar ook als we naar de partijwerking kijken, kan worden vastgesteld dat het aantal actieve leden eerder aan de lage kant is. Zelfs in afdelingen waar partijleden massaal worden aangemoedigd om deel te nemen aan de partijwerking, ziet men dat minder dan 15% van de leden aan één of meerdere activiteiten van de partij participeert. Ik durf te betwijfelen of dit enkel te maken heeft met de programmering van de activiteiten. Het gevolg is dat de actieve leden en de werking van veel lokale afdelingen geen afspiegeling meer vormen van de doorsnee samenleving. En dat ze ook niet meer over de juiste voelsprieten beschikken om signalen uit die samenleving op te vangen, laat staan om oplossingen te formuleren voor zich aandienende problemen. Daarnaast worden mensen minder gemakkelijk lid van verenigingen in het algemeen, en politieke partijen in het bijzonder. Dit betekent niet dat mensen politiek minder geïnteresseerd zijn, verre van. Alleen wenst men zich niet meer onvoorwaardelijk te binden aan één politieke partij. Geïnteresseerde burgers hoeven zich ook niet meer aan te sluiten bij politieke partijen of zuilorganisaties om zich te informeren, laat staan zich te engageren. Talrijke nieuwe verenigingen en bewegingen zijn de afgelopen decennia ontstaan, onafhankelijk van de traditionele zuilen. Deze nieuwe verenigingen en bewegingen wensen maar al te graag hun doelstellingen te realiseren door in dialoog te gaan met de politieke partijen, zonder zich evenwel exclusief te binden aan één partij. Partijen op hun beurt willen maar al te graag deze bewegingen overtuigen, in de hoop een deel van het versnipperde electoraat achter de partij te scharen. Tegelijkertijd verbrokkelden de zuilen en de eigen achterban van de traditionele partijen. We zouden het ook anders kunnen stellen: de evolutie naar een meer open werking is een bittere noodzaak om electoraal en inhoudelijk te overleven.

Discussie over posities en verwachtingen

Het kernprobleem is, zoals reeds eerder vermeld, dat de discussie met de leden over een open werking van de partij niet is aangegaan. Dat is ook geen gemakkelijke discussie, want het betekent eigenlijk dat men leden ervan moet overtuigen hun eigen invloed en kansen binnen de partij aan banden te leggen ten voordele van de zogenaamde, al dan niet georganiseerde, sympathisanten. Dat brengt uiteraard ook andere discussies op gang en maakt eigenlijk dat heel de partijorganisatie en de invulling van verschillende posities in vraag kan worden gesteld en eventueel hervormd moet worden.
Zo’n discussie moet finaal uitmonden in betere rolomschrijvingen van alle posities binnen de partij: deze van het professioneel kader (zowel professionele politici als professionals tewerkgesteld door de partij), de lokale en regionale politici, de leden en de sympathisanten. Een duidelijke rolomschrijving van mensen die binnen de partij of binnen een breder sociaaldemocratisch project in verschillende posities actief zijn, betekent expliciet dat geen valse verwachtingen worden gecreëerd en dat de organisatie op een professionele, motiverende manier betrokkenen bij het partijgebeuren kan engageren. Het geeft ook een zekere richting en doelgerichtheid aan de werking van zo’n partij. Aspecten van vorming, ondersteuning, inspraak, informatieverstrekking, inhoudelijke coherentie tussen verschillende beleidsniveaus, overleg en campagne kunnen hierdoor een betere sturing én invulling krijgen.
In een fundamentele discussie over de verhoudingen van verschillende posities binnen de partij moet, volgens mij, ook de openheid aan de dag worden gelegd om andere linkse politieke partijen (zoals bijvoorbeeld Groen!) en niet traditioneel socialistische bewegingen (zoals onder meer het ACW en derdewereldbewegingen) in de discussie te betrekken. Misschien maakt zo’n fundamentele,in se organisatorische discussie een linkse, progressieve frontvorming in Vlaanderen wel mogelijk.

Patrick Vander Weyden
Doctor-Assistent vakgroep Politicologie, Katholieke Universiteit Brussel

sp.a - democratie - partijwerking

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 9 (november), pagina 16 tot 19