Log in

Het Duitse model voorbij?

HET VLAANDEREN VAN MORGEN

Er is me gevraagd om met een Nederlandse blik enkele kanttekeningen te plaatsen bij het Vlaamse sp.a manifest. In deze bijdrage zal ik ingaan op de inhoudelijke overeenkomsten en verschillen tussen ‘Het Vlaanderen van Morgen’ van de sp.a en het ‘Van Waarde’-rapport van de PvdA. In mijn beoordeling van de sp.a-beginselverklaring rijst, bij al mijn waardering voor de strekking van de tekst als geheel, een dringende vraag. Kan men, volkomen terecht, het ‘Duitse model’ voor de arbeidsmarkt bekritiseren en tegelijkertijd de bezuinigingspolitiek die de Europese Monetaire Unie op voorspraak van datzelfde Duitsland voert, min of meer accepteren? Bestaat er geen verband tussen die twee? En vormen de huidige bevoegdheden van de Europese Commissie op dat terrein geen bedreiging voor de democratie?

HET VLAANDEREN VAN MORGEN

Het nieuwe diversiteitsmodel van de sp.a
Pieter-Paul Verhaeghe
Het Duitse model voorbij?
Paul Kalma
Het samen offensief
Carl Devos
Solidaire en toegankelijke gezondheidszorg, tegen welke prijs?
Paul Callewaert
Samen het Rijnlandmodel verzekeren
Caroline Copers
Het laatste taboe: de vergroening van de fiscaliteit
Bart Martens

EEN LINKSERE KOERS

Sociaaldemocratische partijen in West-Europa zoeken, na op de Derde Weg te zijn verdwaald en geconfronteerd met een aanhoudende economische crisis, naar een nieuw politiek profiel. Het zijn te veel bestuurs- en bestuurderspartijen geworden; te weinig herkenbaar voor de traditionele achterban van lager betaalden en lager geschoolden, maar ook voor de middenklasse. Een linksere koers varen, zo luidt nu het parool, als regeringspartij (zoals in Frankrijk) of in de oppositie (zoals in Duitsland en Engeland).

Het geldt ook voor de Vlaamse sp.a en voor de Nederlandse PvdA. De sp.a draagt al lange tijd regeringsverantwoordelijkheid, zonder een duidelijke stempel op het beleid te kunnen drukken. Ze zag de vernieuwingen die Steve Stevaert jaren geleden in toon en stijl doorvoerde weer vervluchtigen en dreigt bij komende verkiezingen verder terrein te verliezen. In Nederland is het, alles bijeengenomen, niet heel veel anders. De PvdA boog, al dan niet tegenstribbelend, mee met het neoliberale denken; wisselde verkiezingsoverwinningen en -nederlagen, meeregeren en oppositie voeren af; en koos in 2012 met Diederik Samsom haar vijfde partijleider in tien jaar.

Van het afschudden van de ‘ideologische veren’ dat Wim Kok in de ‘paarse’ jaren 1990 voorschreef, is de partij nog altijd niet hersteld. Een herziening van het beginselprogramma in 2005 werd zonder veel discussie doorgevoerd en leverde een heldere koers noch nieuwe inspiratie op. Vorig jaar leek Samsom daarin eindelijk verandering te gaan brengen. Met een links getoonzet verkiezingsprogramma en felle aanvallen op het bezuinigingsbeleid van het afgetreden kabinet-Rutte (‘het recessie-kabinet’) wist hij voor zijn partij 38 van de 150 Kamerzetels te veroveren - slechts drie minder dan Rutte’s VVD en maar liefst 23 meer dan de in de opiniepeilingen favoriete partij ter linkerzijde, de Socialistische Partij (SP).

Maar bij de kabinetsformatie werd dat winnende programma weer grotendeels ingeslikt. In recordtempo (voor Nederlandse én Belgische begrippen) kwam een nieuwe ‘paarse’ coalitie tot stand. De PvdA tekende voor voortzetting van het bezuinigingsbeleid; inperking van ontslagbescherming en werkloosheidsuitkeringen (inmiddels verzacht onder voorwaarde van nieuwe economische groei); en voortzetting van het harde immigratie- en integratiebeleid.
Waar staat de huidige sociaaldemocratie nu eigenlijk voor, zo klinkt het buiten, maar ook binnen de partij. De gemeenteraadsverkiezingen van maart 2014 worden met grote zorg tegemoet gezien.

Dat de Vlaamse en de Nederlandse sociaaldemocraten vrijwel gelijktijdig over de ideologische vernieuwing van hun partijen praten, is dus meer dan een toevalligheid. De omstandigheden dwingen hen er toe. Zoals de sp.a deze maanden een nieuwe beginselverklaring ‘Het Vlaanderen van Morgen’ en een beleidsmatig drieluik bespreekt, zo debatteerde de PvdA het afgelopen half jaar over een drietal publicaties van haar wetenschappelijk bureau, de Wiardi Beckman Stichting, uitgebracht onder de titel Van Waarde. Sociaaldemocratie voor de 21e eeuw - en over een gelijknamige, door het PvdA-bestuur opgestelde, resolutie. Die is op 27 april door het congres van de partij met grotere meerderheid aangenomen.

OPVALLENDE OVEREENKOMSTEN

‘Het Vlaanderen van Morgen’ en ‘Van Waarde’ zijn beide bedoeld om de sociaaldemocratie weer van een overtuigend politiek verhaal te voorzien. Maar de opzet van de twee projecten verschilde nogal. De sp.a heeft een nieuw beginselmanifest opgesteld en daaraan op drie terreinen (een eerlijker economie, diversiteit, sociale gelijkheid) een beleidsmatige uitwerking gegeven. Bij de PvdA werden door het wetenschappelijk bureau zo’n zestig interviews gehouden over de ‘dromen’ en ‘verzuchtingen’ van mensen - en hoe die zich verhouden tot traditionele sociaaldemocratische waarden. Debatten daarover in het maandblad Socialisme & Democratie en in partijafdelingen werden samengevat en toegespitst in een essay van WBS-directeur Monika Sie en een ontwerpresolutie van het partijbestuur.

De uitkomsten vertonen, bij alle verschillen in werkwijze, opvallende overeenkomsten. Zowel de sp.a als de PvdA grijpen terug naar het gemeenschapsdenken. ‘Verbondenheid’, schrijven de opstellers van het sp.a-manifest, ‘is voor sociaaldemocraten een cruciale waarde. Alleen door samenwerken en delen kunnen voor iedereen de voorwaarden voor een goed leven worden gecreëerd’. Zo’n samenleving ‘is welvarender, vrediger en warmer dan een samenleving die tegenstellingen beklemtoont en aanwakkert’. Durf, schrijft Monika Sie op haar beurt, waarden als binding en verheffing weer centraal te stellen. ‘Verbondenheid is macht. Daar op een democratische en verstandige manier mee om te gaan is de opdracht van de sociaaldemocratie’.

Die nadruk op binding en samenwerking gaat allerminst ten koste van verscheidenheid en individuele autonomie. Verwijten (in Nederland vanuit de hoek van GroenLinks) dat de sociaaldemocratie, ‘met haar nadruk op bestaanszekerheid en binding’, weer voor een ouderwets, anti-individualistisch gemeenschapsdenken kiest, zijn dan ook ongegrond.1 In de sp.a-publicaties wordt ‘wederzijds respect voor elkaars religieuze, culturele en seksuele geaardheid’ krachtig verdedigd. En het Van Waarde-project benadrukt, bij monde van Vlaams socioloog Elchardus, dat onze zogenaamd individualistische samenleving juist erg weinig echte individualisering kent. Het gaat er om, door gezamenlijk optreden weer greep op het eigen persoonlijke leven te krijgen.

Het is de taak van de politiek, schrijft de WBS-directeur, en van de sociaaldemocratie om daar opnieuw invulling aan te geven. ‘Er is sprake van een nieuwe moderniseringsspurt, en van een nieuwe fase van het kapitalisme, die tezamen welhaast even grote veranderingen teweegbrengen als in de begintijd van het socialisme. () Het is alsof we steeds meer gevangen zitten in een wereld van markten en bureaucratieën () Wie of wat heeft ons het leven uit handen genomen en hoe krijgen we de greep daarop terug?’ En in het deelrapport over economie van de sp.a staat het in vrijwel identieke bewoordingen: ‘Door gemeenschappelijk op te treden, kunnen we terug greep krijgen op de grote veranderingen van onze tijd en kunnen we de regie van ons leven terug in eigen hand nemen.’

Essentieel voor beide partijen is in dat verband de herovering van politieke en maatschappelijke invloed op een op hol geslagen financieel kapitalisme. ‘Wij zijn’, stelt het sp.a-manifest, ‘voorstanders van het Noord-Europese Rijnlandmodel, waarin het democratisch middenveld een belangrijke rol speelt in de economie en de gemeenschap. Dat model biedt () werkende mensen een veel grotere democratische inspraak (), maar is ook beter in staat om relatief ongehavend economische crisissen te doorstaan. Daarom zullen wij dit model ook op het niveau van de Europese Unie promoten en verspreiden.’ En de WBS schrijft: we zullen over de grenzen heen toe moeten werken naar ‘een modern Rijnlands model, met een stabiele, duurzame economie’.

Kenmerk daarvan is ook ‘een sterke verzorgingsstaat, die mensen toerust voor het omgaan met oude en nieuwe risico’s, en waar nodig bescherming biedt. Zo’n sociale investeringsstaat heeft alleen kans van slagen in een ander Europa, waarin sociale rechten niet langer ondergeschikt zijn aan de economische vrijheden, en sociale standaarden net zo belangrijk zijn als begrotingsnormen’.

DE KRACHT VAN DE PROGRAMMA’S

De hoofdlijnen van de manifesten van sp.a en PvdA vertonen dus veel overeenkomsten. Maar overtuigen zij ook? Wat mij betreft is dat in veel opzichten het geval. Ze maken de beginselen van de sociaaldemocratie eindelijk weer eens goed zichtbaar en schetsen de belangrijkste uitdagingen waarvoor we ons gesteld zien. Beide teksten bieden ook uitzicht op een consistent programma van maatschappelijke hervormingen waaraan het zo lang heeft ontbroken. Maar daarmee dringt zich meteen een vraag op: wat gaat er van dat alles doorklinken in het dagelijkse beleid? Niet erg geruststellend aan Nederlandse kant was dat de PvdA-leiding daaraan op het congres geen woord wijdde.

Het laat de kracht van de geformuleerde programma’s zelf onverlet. Die zit hem - wat meer specifiek geformuleerd - aan Vlaamse kant onder meer in de heldere visie op samenleving en diversiteit. De idealen van ‘actief pluralisme’ en ‘respect voor elkaars eigenheid’ worden overtuigend verdedigd, zonder dat de problemen van immigratie en integratie onbenoemd blijven. Een ander sterk punt van het sp.a-manifest is de aandacht voor de toegenomen sociale ongelijkheid (op de arbeidsmarkt; in de inkomensverdeling) en wat daarmee maatschappelijk kapot wordt gemaakt. ‘Bovenal’, aldus het sp.a-manifest, ‘is de overheid de hoeder van het sociaal contract’. In dat kader is, naast een inclusief functionerende arbeidsmarkt, een rechtvaardige fiscaliteit ‘onontbeerlijk’.

De voorstellen die daarop volgen (van beperking van de fiscale arbeidskosten tot een belasting-minimum voor grote ondernemingen; van een sterk vereenvoudigde aangifte tot een offensief tegen internationale belastingontwijking) doen aan dat uitgangspunt recht. Verrassend is wel het pleidooi voor invoering van een vermogenswinstbelasting ‘naar Nederlands model’. Zo’n belasting kent Nederland namelijk niet. Het tweede ‘paarse’ kabinet-Kok (1998-2002) koos bij zijn fiscale hervormingen juist voor een vaste, lage rendementsheffing. Van een vermogenswinstbelasting werd, onder verwijzing naar ‘uitvoeringsproblemen’, afgezien - tot verdriet van menig PvdA-er.2

Nogal ambivalent is mijn oordeel over de sterke nadruk die in het sp.a-project op het belang van coöperaties wordt gelegd. Dat er meer en betere ondernemingsvormen zijn dan die van het beursgenoteerde bedrijf, is juist. Het coöperatieve ideaal verdient inderdaad de ondersteuning van sociaaldemocratische partijen. Maar wat in ‘Het Vlaanderen van Morgen’ te veel op de achtergrond blijft, is dat ook de bestaande ondernemingsvorm en de machtverhoudingen hervormd moeten worden. Geen opmars van een alternatief ondernemingsmodel zonder inperking van de aandeelhoudersmacht, bijvoorbeeld via een vetorecht van werknemers bij fusies en overnames. Net zoals de lokale energiecoöperaties de strijd voor schone energie alleen zullen winnen als de verregaande fiscale bevoordeling van fossiele energie ongedaan wordt gemaakt.

Bij de reorganisatie van de verzorgingsstaat kan van nieuwe vormen van coöperatie zelfs ronduit misbruik worden gemaakt. ‘Van Waarde’ legt daar terecht nadruk op. Op zichzelf, zo wordt in het samenvattend essay opgemerkt, is het een goed idee om te investeren in de vermogens en veerkracht van mensen; om de autonomie van burgers en gemeenschappen te bevorderen. Leve de ‘burgerkracht’ dus. Maar, zo gaat de tekst verder, ‘dit motief wordt in de praktijk op een griezelige manier vermengd met een harde bestuurlijke bezuinigingsagenda en een neoliberale ideologie van versobering van voorzieningen, selectieve toegang tot voorzieningen, en een verkleining van de verzorgingsstaat.’

Deze cocktail van activerende, bestuurlijke en neoliberale motieven, zo waarschuwt de WBS, ‘bedreigt al snel de bestaanszekerheid van mensen die kwetsbaar zijn, geen sterke sociale netwerken hebben, en die zich moeilijk laten activeren’. Geen onbelangrijke waarschuwing voor wie zich op goede gronden - in sp.a en PvdA - voor ‘samen sterker’ en ‘samenredzaamheid’ wil inzetten.

HET DUITSE MODEL

In het laatste deel van deze bijdrage wil ik graag nader ingaan op een opvallende tegenstrijdigheid in het sp.a-manifest. Ze betreft de Europese Unie en de vraag hoe een sociaaldemocratische sociale politiek zich verhoudt tot de verregaande bezuinigingen en andere ‘hervormingen’ die we onszelf in het kader van de monetaire unie voorschrijven.

Het economische deelluik doet wat dat betreft zeer behartigenswaardige uitspraken en aanbevelingen op het gebied van de arbeidsmarkt. De schrijvers nemen krachtig afstand van het ‘Duitse model’. Duitsland is erin geslaagd meer mensen aan het werk te zetten, ‘maar deed dit door de bodem onder de lonen weg te slaan en mensen met een uitkering op droog zaad te zetten. Dit ging gepaard met toenemende armoede onder de werkenden en niet met een drastische afname van het aantal langdurig werklozen’. Onze oosterburen hebben een conservatief werkgelegenheidsbeleid ‘van laagbetaalde jobs zonder uitzicht’ gevoerd en het stimuleren van de economie aan andere landen overgelaten.

We willen, zo luidt de conclusie, het Duitse voorbeeld niet volgen ‘door in kosten te gaan concurreren’, maar juist inzetten op ‘inclusieve groei’, op basis van innovatie en van investeringen in mensen ‘om ze weerbaar te maken in een veranderende economie’. Dat is een zeer verdedigbare stellingname. Moedig ook, in een tijd waarin lagere uitkeringen en slechtere arbeidsvoorwaarden al gauw als onvermijdelijk worden beschouwd. Maar verderop in de tekst klinkt, als het om de bezuinigingspolitiek gaat, een heel ander geluid. ‘Europa waakt streng over de begrotingen van de verschillende lidstaten.’ ‘We hebben daar geen enkele moeite mee’, zo staat er letterlijk.

Geen enkele moeite mee? Wel bezwaar aantekenen tegen lagere lonen en ingrepen in de sociale zekerheid, maar geen woord van kritiek op een beleid dat, gefixeerd op begrotingstekorten, elk economische herstel in de kiem smoort en aan liberalen de argumenten levert om de verzorgingsstaat nog verder uit te kleden? Op de steun aan de bezuinigingspolitiek volgt overigens een pleidooi om de Europese Commissie in de toekomst even streng te laten waken over nationale inspanningen ‘om de armoede, de werkloosheid en de ongelijkheid tegen te gaan’ en lidstaten de plicht tot investeren in onderwijs en innovatie op te leggen. Alsof er op de monetaire unie zoals die nu functioneert, een sociaal Europa te plakken zou zijn.

Waar het sp.a-manifest (net als ‘Van Waarde’ overigens) aan voorbij gaat is dat het Duitse model, dat van vóór de crisis dateert, inmiddels niet meer als een politieke vergissing kan worden afgedaan. De huidige monetaire unie dwingt lidstaten om vooral op lagere inkomens en minder sociale bescherming te concurreren. Waar vroeger op nationaal niveau monetair kon worden bijgestuurd (via devaluatie en/of renteverlaging) geldt nu een door de ECB gedicteerd beleid. En sinds enkele jaren is, vanwege het veronderstelde verband tussen staatsschulden en het ontstaan van de financiële crisis, ook de ruimte voor een expansief nationaal fiscaal beleid verdwenen. Dan rest weinig anders dan de economie te versterken op kosten van de eigen werkende bevolking (en van buurlanden, omdat zo ook de import wordt beperkt).

De Duitse politicoloog Fritz Scharpf heeft dit soort mechanismen in en rond de muntunie scherp geanalyseerd. Ze ondermijnen, zo concludeert hij, op den duur ook de democratie. Devaluatie was zeker geen pijnloze operatie. Maar ze trof iedereen en had snel en zichtbaar resultaat. Vergelijk dat met het beleid dat nu in Griekenland en andere schuldenlanden wordt gevoerd. Het lokt woede, vervreemding en cynisme uit. Margaret Thatcher, schrijft Scharpf, voerde indertijd een keihard hervormingsprogramma door. Maar de Engelsen beslisten zelf en er gingen jaren van politieke strijd aan vooraf. Het huidige eurobeleid daarentegen ‘may not only undermine democracy in EU member states but endanger European integration itself’.3

NEK VER UITGESTOKEN

Daarmee is niet gezegd dat overheidsschulden geen probleem vormen - en al helemaal niet dat de Europese muntunie het beste kan worden opgeheven. Maar de onherstelbare constructiefout die de EMU aankleeft (invoering zonder de fiscale dekking van een Europese federale staat die er nooit zal komen) dwingt op zijn minst tot het inbouwen van flexibiliteit en het aanbrengen van vluchtgangen - inclusief de optie van een euro van meerdere snelheden respectievelijk van het uittreden van eurolanden. Het gangbare standpunt dat het eurolidmaatschap ‘voor eeuwig’ is aangegaan, getuigt precies van de technocratische blindheid die Europa de afgelopen decennia is gaan opbreken. Zoals het ook volledig voorbijgaat aan al die EU-lidstaten die de euro niet hebben ingevoerd.

Een politiek debat daarover zal vergezeld moeten gaan van veel meer aandacht voor de bedreiging van de democratie als gevolg van verdere versterking van de Europese Unie. De bevoegdheden die aan ‘Brussel’ zijn toegekend om eurolanden in het gareel te krijgen, leiden tot ongecontroleerde machtsuitoefening en ondergraven de nationale democratie. Aanwijzingen voor de maximale omvang van overheidstekorten zijn te billijken; gedetailleerde beleidsopdrachten zijn dat niet. Dat geldt net zo goed voor de ‘sanctieprocedures’ die het sp.a-manifest aan de Europese Commissie wil toekennen op het gebied van armoedebestrijding, onderwijs en innovatie. Een sociaal Europa vraagt niet alleen om een ander type muntunie, maar mag zich naar haar vorm ook niet aan het huidige technocratenbewind spiegelen.

De sp.a heeft met haar pleidooi voor een sociaal Europa, de nek ver uitgestoken. Laat het debat daarover binnen en tussen de sociaaldemocratische partijen met kracht gevoerd worden. De inrichting van de Europese Unie en hoe die Unie het financiële kapitalisme, dat ze zelf de vrije loop liet, weer verregaand kan beteugelen: het zijn voor die sociaaldemocratie vragen van, letterlijk, levensbelang.

Noten

  1. Zie: D. Pels, ‘Patatburgers en volksvleiers opgelet: Aristoteles is terug’, in : De Gids, jaargang 176 (2013) nr. 3, pp. 31-33. De kritiek dat de PvdA individu en gemeenschap tegenover elkaar plaatst, wordt overigens wel gevoed door de leuze die in de resolutie van het PvdA-bestuur enkele malen opklinkt: ‘van ik naar wij’.
  2. F. de Kam, F. Becker en P. Kalma, Draagkracht onder druk. Kanttekeningen bij ‘Belastingen in de 21e eeuw’, Amsterdam, Wiardi Beckman Stichting, 1998.
  3. Zie bijvoorbeeld F. Scharpf, Monetary Union, Fiscal Crisis and the Preemption of Democracy. LEQS Annual Lecture Paper nr. 36, London, London School of Economics, 2011. Geciteerd in: P. Kalma, ‘De markt contra Europa’, in: Socialisme & Democratie, jaargang 69 nr. 7+8, 2012, pp. 95-105.

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 6 (juni), pagina 49 tot 55