Abonneer Log in

Als de laatste boom geveld is, eten we ons geld wel op

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 1 (januari), pagina 76 tot 79

Als de laatste boom geveld is, eten we ons geld wel op

Ludo De Witte
Epo, Berchem, 2017

Ludo De Witte is vooral bekend als auteur van De moord op Lumumba (1999). In zijn nieuwe boek heeft hij het echter over één van de grootste hedendaagse uitdagingen: de klimaatcrisis. Als de klimaatcrisis een zware maar niet ongeneeslijke ziekte is, wijst geneesheer De Witte het kapitalisme aan als duidelijke oorzaak. Hij verwerpt de placebo's die de sociaaldemocraten en de groenen aanreiken, en kiest voor een radicaler medicijn dat hij 'ecosocialisme' noemt.

In het eerste hoofdstuk schetst de auteur het ecologisch probleem. Niets nieuws voor wie de klimaatproblematiek volgt, wel duidelijk en vlot uiteengezet. Opgelet voor de gevoelige lezer: je maag keert als je de grootte van de uitdagingen leest en in je opneemt.

Het tweede hoofdstuk weerlegt de mythe dat een 'groen kapitalisme', 'groene groei' of technologische innovatie het probleem kunnen oplossen. Wat is dan wel nodig? Zoals De Witte schrijft: 'Er zit dus niets anders op dan een radicale afbouw van de fossiele-energiesector en een gepland moratorium op andere broeikasuitstotende sectoren en bedrijven in te stellen - samen met massale investeringen in koolstofarme infrastructuur, zoals openbaar vervoer.'

Dat kan volgens hem echter niet binnen het kapitalistische economische systeem, zoals de auteur in het derde hoofdstuk uitlegt. Daarin pleit de auteur voor 'system change, not climate change'. Het kapitalisme is met zijn inherente groeilogica, de opgelegde consumptiedrang en de macht van multinationals niet in staat om een antwoord te bieden voor de klimaatcrisis.

Daartoe ook niet in staat volgens Ludo De Witte zijn de sociaaldemocraten, de groenen, en degenen die geloven in 'klein verzet', zoals hij in het vierde hoofdstuk beschrijft. Een hoofdstuk waarmee hij wellicht niet veel vrienden zal maken.

In het laatste hoofdstuk pleit hij daarom voor een (postkapitalistisch) ecosocialisme als oplossing. In zijn eigen woorden: 'De overheid moet greep krijgen op de economie, zodat de productie kan worden georiënteerd naar koolstofarme projecten die respect voor de draagkracht van de aarde opbrengen. Een economie waarin de behoeften van de mensen en niet de winsten van aandeelhouders het richtsnoer zijn. Zo'n omwenteling vereist de naasting van de sleutelsectoren van de economie, zoals de financiële sector, de energiebedrijven en andere nutsbedrijven, en hun aansturing op basis van een democratisch uitgewerkt plan. Het redden van de planeet vereist méér overheid, méér publieke controle en méér democratische planning, en het terugschroeven van een hele reeks privatiseringen.'

De Witte schreef een zeer toegankelijk, vlot leesbaar en (voor zover ik daarover kan oordelen) vrij goed gedocumenteerd boek. Zijn grote verdienste is om duidelijk te maken dat we te maken hebben met een systeemcrisis, en dat het waarschijnlijk onmogelijk is om binnen een kapitalistische economie de klimaatsopwarming binnen aanvaardbare grenzen (zoals 1,5°C of 2°C) te houden. Die redenering is wat mij betreft zeer overtuigend, al zal die ongemakkelijke waarheid wellicht niet de cognitieve dissonantie van minder linkse lezers kunnen overwinnen.

Maar dit boek en de inspanningen van de auteur verdienen het om even kritisch te worden behandeld als de auteur zelf de sociaaldemocratie en groene beweging behandelt in hoofdstuk 4. Ik beperk me tot drie belangrijke bemerkingen.

Ten eerste: er is een onopgeloste spanning in het boek tussen (revolutionair) 'reformisme' en 'revolutie'. Enerzijds stelt de Witte dat 'in een kapitalistische omgeving de democratie onder voogdij van het financieel-economisch complex staat en de overheid de facto als een instrument van de heersende klasse ageert.' Dat lijkt te duiden op een onmacht om iets te veranderen binnen het kapitalisme.

Anderzijds pleit De Witte ook regelmatig voor een sterke overheid, voor het in publieke handen nemen van een reeks sectoren zoals de financiële sector en de energiesector, voor 'stringente wetgeving die uitstootplafonds oplegt', en een reeks andere maatregelen in zijn op Naomi Klein geënte overgangsprogramma. De vraag is natuurlijk: als de overheid dan toch louter een instrument is van de heersende klasse, waarom zou ze dan binnen het kapitalisme progressieve hervormingen doorvoeren in die sectoren?

Ten tweede: er zit ook een spanning in de manier waarop De Witte met consumptie omgaat. Enerzijds is er het besef dat de huidige productie én consumptie onhoudbaar zijn, en dat er een krimp, of ten hoogste nulgroei moet plaatsvinden.

Anderzijds blijft hij op de vlakte over wat dat betekent voor de materiële consumptie van de middenklasse in de ontwikkelde landen. Hij gaat zelfs verder en stelt: 'Morele oproepen om milieubewust te consumeren spelen in de kaart van het soberheidsbeleid van opeenvolgende regeringen, die werknemers en sociaal zwakkeren laten opdraaien voor de verbetering van 'onze' concurrentiepositie en de afbouw van de verzorgingsstaat.'

Dat is intellectueel oneerlijk, aangezien quasi niemand die ijvert voor milieubewuste en minder consumptie het besparingsbeleid en de ontmanteling van de sociale zekerheid en openbare diensten zal steunen. Bovendien minimaliseert het de uitdaging: links moet niet alleen een postkapitalistisch verhaal uitdragen, maar ook een verhaal waarbij de materiële consumptie van grote delen van de bevolking in ontwikkelde landen zal moeten dalen.

Ten derde: de visie van De Witte op het falen van links is nogal selectief. Zijn fundamentele kritiek op de sociaaldemocratie lijkt me terecht (p. 134): 'Sociaaldemocratie stellen de groeimotor van de economie niet in vraag. Integendeel: ze ijveren voor de transfer van een deel van de opbrengsten van de groei naar de werkende klassen. Op die manier kunnen ze de lagere klassen bedienen zonder de hogere klassen voor het hoofd te stoten, zo hopen ze.'

Ook zijn kritiek op de liberale zijde binnen de groene beweging vind ik terecht: de gedachte dat groenen met de strijd tegen de klimaatverandering de links-rechts tegenstelling overstijgen, dat er samen met de grote (vervuilende) bedrijven moet worden gezocht naar oplossingen, … Ik deel ook de mening van De Witte dat 'klein verzet' en lokale initiatieven zonder bredere, politiserende visie geen oplossing kunnen bieden voor de klimaatproblematiek.

Maar de kritiek op sommige individuen is volgens mij ook niet altijd even terecht. Bovendien, als De Witte het dan toch niet erg vindt om vijanden te maken, dan vergeet hij andere bewegingen. Ten eerste zijn er de vakbonden. Als overtuigd vakbondslid vind ik dat vakbonden een cruciale rol te spelen hebben in zowel de strijd tegen de klimaatopwarming als de strijd voor een postkapitalistische samenleving. Maar bij beide gevechten kan je gerust stellen dat de Belgische vakbonden die rol tot op vandaag onvoldoende vervuld hebben. Wellicht ook omdat ze binnen bepaalde condities opereren, maar dat kan je even zeggen over sociaaldemocratische en groene partijen.

Ten tweede is er de meer radicale linkerzijde en de ecosocialistische beweging. Bij de meer radicale linkerzijde kan je wellicht ook wijzen op een zekere productivistische logica (net als bij sociaaldemocraten).

En bij zowel radicaal-links als de ecosocialistische beweging is het feit dat ze (ook na de zwaarste crisis sinds de Grote Depressie) tot nu toe onvoldoende mensen hebben kunnen overtuigen. Bovendien blijken partijen als Syriza en Podemos die door De Witte worden aangehaald niet immuun te zijn voor dezelfde (en snellere) deradicalisering en inkapseling in het systeem die de sociaaldemocratische en groene partijen eerder ondergingen.

Op strategisch vlak blijf ik dus op m'n honger zitten. Hoe kan je voldoende mensen overtuigen van je alternatief? Hoe bouw je een tegenmacht op die dat alternatief kan doordrukken? Hoe zorg je dat sociaaldemocratische, groene én radicaal-linkse partijen bij de les blijven?

Daarbij vervalt De Witte zelfs in een soort deterministisch pessimistisch optimisme: 'We moeten uitgaan van een langgerekte opeenvolging van crisissen en catastrofe. (…) Ecosocialisten, die vandaag in de marge ageren, zullen politieke ruimte krijgen om een uitweg uit deze beschavingscrisis bij brede bevolkingslagen te propageren. Over landsgrenzen heen zullen ecologische eisen die in een transitie naar een postkapitalistische samenleving passen bij de brede massa wortel schieten.'

De sterke analyse van De Witte contrasteert helaas met zo'n teleurstellend strategisch non-antwoord.

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 1 (januari), pagina 76 tot 79