Log in

De leegte van links

Wat nu met de sp.a?

Nochtans kunnen deze verkiezingen gezien worden als het sluitstuk van een belangwekkende verschuiving die zich in heel West-Europa heeft voorgedaan. In de jaren 1990 koos de linkerzijde ervoor om te regeren met de liberalen. Meer dan tien jaar geleden maakte paars dan ook het goede weer, met Kok in Nederland, Blair in Engeland, Schröder in Duitsland, en later ook Verhofstadt in België. Paars(groen) stond voor een verbond van links met de liberalen, op zoek naar een zogenaamde Derde Weg.

De grondslagen van de derde weg1

De derde weg was een poging om zowel de oude sociaaldemocratie als het neoliberalisme te overstijgen. De oude sociaaldemocratie ging nog uit van een sterke staat die domineert over economie en civiele maatschappij, met als doel een volledige tewerkstelling en de uitbouw van een welvaartstaat. Deze laatste beoogde twee zaken: de creatie van een meer gelijke samenleving en de bescherming van individuen gedurende hun levensloop. Hierbij hoorde een sterk egalitarisme.
Met de keuze voor de derde weg begin de jaren 1990 bedeelt ook de sociaaldemocratie de markt een grotere rol toe in het kader van een nieuwe gemengde economie. Deze hecht nog steeds veel belang aan het creëren van welvaart, maar er worden meer verantwoordelijkheden bij het individu gelegd. Volgens de socioloog Anthony Giddens hebben sociaaldemocraten de relatie tussen risico en zekerheid verschoven, om zo een samenleving van ‘verantwoorde risiconemers’ te ontwikkelen. Volgens hem moeten sociaaldemocraten ongelijkheid nog steeds niet aanvaarden, maar wel herdenken wat gelijkheid is. Dat hierbij de persoonlijke verantwoordelijkheid, zeg maar plichten, meer centraal komt te staan, is duidelijk.
In eigen land heeft vooral Frank Vandenbroucke het debat over de derde weg opgenomen en hertaald als het streven naar een ’actieve welvaartstaat’.2 Hij was het eind de jaren 1990 eens met Giddens’ stelling dat de sociaaldemocraten toe zijn aan een herdenking van hun basiswaarden. Dit geldt bijvoorbeeld voor de wijze waarop de waarde van fundamentele gelijkheid van de persoon vertaald wordt in rechtvaardigheidsnormen, dus in opvattingen over rechten en plichten en in criteria voor een rechtvaardige verdeling.
Vandenbroucke stelt dat een sociaaldemocratisch gelijkheidsideaal kan steunen op de politieke filosofie van de egalitarian justice, waarvan John Rawls de bekendste vertegenwoordiger is. Het kernidee van deze egalitaristische filosofie luidt als volgt: of we een bepaalde sociale verdeling als ‘gelijk’ of ‘ongelijk’ beschouwen, hangt af van de mate waarin wij die verdeling zien als het resultaat van individuele keuze. Als iemand door toedoen van zijn eigen keuze minder krijgt, dan wordt het verschil niet als een ongelijkheid beschouwt; wel als het verschil er komt buiten de wil van het individu om. Gelijkheid is dan ook geen gelijkvormigheid.
Het is geen toeval dat Rawls populair is bij derdewegdenkers. In zijn Theory of Justice heeft Rawls gepoogd een kader te formuleren voor het functioneren van een democratische rechtstaat volgens liberale principes. Deze populariteit heeft alles te maken met de ambiguïteit van de conclusies die uit de gelijkheidsgedachte achter de theorie voortvloeien. De theorie lijkt verregaande herverdeling te eisen: alle veranderingen moeten tot voordeel strekken voor hen die het slechtst af zijn: een ogenschijnlijk socialistisch principe. Maar evenzeer kan je het principe ook zo lezen, dat ongelijkheid probleemloos mag toenemen, zolang de groepen die het slechtst af zijn, er althans nog iets op vooruit gaan. De eerste interpretatie sluit goed aan bij het sociaaldemocratisch denken, de tweede bij het liberale marktdenken.

De uitkomst van de derde weg

Wat deze derde weg in West-Europa, en paars in ons land, heeft betekend, is ondertussen duidelijk geworden. Paars betekende een afscheid van links van zichzelf. Ze hernoemden zichzelf tot progressieven, zodat ze zichzelf verlosten van de morele plicht tot het opkomen voor de allerzwaksten in de samenleving. Wat paars betekent, werd duidelijk verwoord in De Morgen door Yves Desmet: ‘De oproep om van de sp.a opnieuw de partij van het miserabilisme te maken, van de zieken, de zwakken en de misselijken, is futiel en hopeloos. Dat kiespubliek zit al lang bij het populisme en dat week je zelfs niet in een generatie los (...) Het is maar een ideetje: misschien bestaat er wel zoiets als een echt paars publiek, economisch pragmatisch tot rechts en cultureel links. Iets jonger, stedelijker, hoger opgeleid en tweeverdienender dan het gemiddelde Vlaanderen.’ (De Morgen 16/06/2007)
Wie overstapt van links naar progressief, geeft echter heel wat prijs. Ten eerste een verbondenheid met de allerzwaksten in onze samenleving. Je kan niet economisch rechts en cultureel links zijn. Want voor wie begrippen niet wil verkrachten, betekent links altijd het solidariseren met zij die uit de boot vallen. Niet toevallig noemen velen zich dan ook eerder progressief dan links. Zo word je tenminste niet meer aangesproken op wat je (niet) doet voor de verliezers van onze samenleving. En zo komen we tot de tweede prijs die de progressieven nu betalen. Door eenzijdig te focussen op de uitbreiding van individuele rechten op ethisch vlak, werd een taboe geïnstalleerd op alles wat te maken heeft met een collectief waardenverhaal gestoeld op principes als gemeenschapsvorming, enz.

Terwijl links zich liet misleiden door de paarse zielenvangers, gebruikte rechts de leegte van links om de normatieve ruimte in te nemen. Balkenende gaf hier de trend aan in Nederland met zijn pleidooi voor meer waarden en normen. Maar hij kreeg een ruime voorzet van Pim Fortuyn, die reeds in 1997 schreef: ‘Het is dan ook de hoogste tijd dat we een politiek en maatschappelijk debat aangaan over de waarden en normen waarop de Nederlandse multiculturele samenleving gebaseerd dient te zijn. Tenminste, als we daadwerkelijk sámen willen leven’. Ook Yves Leterme was helder in zijn Rerum Novarum-speech met zijn nadruk op ‘meer menselijke zekerheid in een wereld van voortdurende en versnelde verandering’.
Het is als linkse intellectueel pijnlijk om vast te stellen hoe Leterme hier de nagel op zijn kop sloeg, terwijl de linkse partijen om de hete brij van de nieuwe sociale kwestie heen dansen. Want daar gaat het in essentie over. De laatste decennia is er een nieuwe vorm van kapitalisme ontstaan waar beursgenoteerde mondiale bedrijven enkel nog mikken op return op korte termijn. Zowel arbeid als lokale bedrijfsafdelingen worden dan wegwerpproducten in functie van de belangen van de aandeelhouders. In die zin was het willen wegsteken door paars van de onheilsberichten uit Opel en Volkswagen een serieus teken aan de wand. Het was het ontkennen van een boodschap die iedereen, van arbeider tot kaderlid, aangaat. Namelijk dat hoe goed je ook presteert, je vandaag op morgen meedogenloos kan worden geëlimineerd. Of zoals de socioloog Richard Sennett het verwoordt: ‘Ons huidig systeem creëert zoveel ongelijkheid en zorgt ervoor dat de democratie bedreigd wordt. Heel wat jonge mensen beseffen zeer goed dat ze in onzekerheid leven, er geen provisies voor de toekomst zijn aangelegd. De mensen moeten het gevoel hebben van continuïteit.’ Volgens de socioloog Robert Castel kenmerkt de nieuwe sociale kwestie zich op de arbeidsmarkt door drie elementen: de destabilisering van de stabielen door overmatige flexibilisering, het installeren van permanent precaire jobs en het ontstaan van een categorie van overtolligen in onze samenleving. Met andere woorden: de laaggeschoolden krijgen het gevoel dat ze overbodig worden en de hoger geschoolden zijn terecht gekomen in een situatie van permanente onzekerheid.

Een verhardende samenleving

Onze samenleving is op alle vlakken harder geworden. Dat geldt niet in het minst voor mensen die leven aan de onderkant van de samenleving. Werkzaam in Gent bij een sociaal-artistieke organisatie alsook als lokaal OCMW-Raadslid stel ik vast dat de droom voor een warme samenleving voor iedereen vervangen is door de realiteit van een kille maatschappij. Hierbij is elke vorm van warmhartigheid voor elkaar vervangen door een formeel systeem van rechten, maar vooral van plichten. Zo is de groeiende nadruk op eigen verantwoordelijkheid, bijvoorbeeld op vlak van werkloosheid, pervers als het gaat om structureel uitgesloten groepen.
Hier ligt een gemiste kans jewelste voor links: duidelijk maken dat bestaansonzekerheid niet alleen mensen treft onderaan de ladder. Integendeel, het verbindt nu een meerderheid in onze samenleving. Het is deze bestaansonzekerheid tegengaan in verbondenheid wat een nieuw ideologisch kader kan bieden.

Elk mededogen dat toelaat aan te voelen dat er mensen, van alle rang en stand, zijn die de derde weg niet aankunnen, is blijkbaar niet meer aan de orde. Te weinig is van linkse zijde beseft dat de derde weg al te rationeel, instrumenteel en afstandelijk van opzet is. Je zou dan ook kunnen besluiten dat vooral de ‘marktinterpretatie’ van Rawls het heeft gehaald. Er is vooral aandacht voor groepen onderaan de samenleving (zij moeten kost wat kost geactiveerd worden om ons systeem van sociale zekerheid betaalbaar te houden, luidt het), maar er wordt nauwelijks aandacht besteed aan de verantwoordelijkheid van de winnaars. Van bijvoorbeeld een vermogensbelasting was vanuit sociaaldemocratische hoek weinig te horen. Laat staan van rijkdombestrijding, wat ooit door de ethicus Koen Raes op originele wijze werd verwoord.

De sociaaldemocraten op de snelweg van de derde weg

Wie de verkiezingscampagne voor de verkiezingen van 10 juni 2007 heeft gevolgd, kan niet om de indruk heen dat de sociaaldemocraten vooral hebben ingezet op de ‘marktinterpretatie’ van John Rawls. De vraag kan gesteld worden of zij niet veel te ver zijn meegegaan in het liberale discours dat vooral de nadruk legt op een plichtendiscours. Dit geldt zeker op het vlak van tewerkstelling. Arbeiden wordt vanuit sociaaldemocratisch oogpunt behalve een beleidsoptie ook een moreel voorschrift: werken is eenieders belangrijkste verantwoordelijkheid.

Hierbij kunnen tal van vragen gesteld worden. Ten eerste bevinden verschillende groepen (allochtonen, laaggeschoolden, ouderen) zich in een situatie van structurele werkloosheid. Kunnen we voor al deze mensen zinvol werk creëren en behouden? Kan, ten tweede, iedereen wel mee met de eisen van flexibiliteit en permanente vorming? Kan iedereen, als de wil er zou zijn, een ondernemingsmentaliteit aan? Of wordt iedereen, behalve deze aan de top, vanaf nu verondersteld om risico’s te nemen? Ten derde is er de vraag naar de kwaliteit van de arbeid. Ook heel wat mensen met een ‘mooie’ job hebben het moeilijk in de ratrace, de toenemende prestatiedruk en concurrentie. Derdewegdenkers hebben onvoldoende het verband gelegd tussen een vrijgemaakte wereldmarkt, die er toe leidt dat elke werker op deze aarde een concurrent wordt van elke andere. Het resultaat is een wedloop zonder winnaars. Ten vierde, en zeer actueel tijdens de voorbije verkiezingen, stelt zich ook de vraag hoe men alle werklozen ervan gaat overtuigen om toe te treden tot de arbeidsmarkt. Waar ligt de grens tussen positieve prikkels (het aanbieden van vorming en opleiding) en negatieve prikkels (schorsen van werkloosheidsvergoeding)? Waar ligt de grens tussen een links arbeidsbeleid en een repressief activeringsbeleid? Ten slotte is er de vraag naar normatieve perceptie. Het zal je maar overkomen om werkloos te zijn, in een welvaartstaat waarin je hoort ‘geactiveerd’ te zijn. Bestaat hier niet de kans dat een individueel schuldmodel wordt gepromoot?
Zonder direct een causaal verband te willen leggen, is het duidelijk dat in de recente verkiezingscampagne van de sociaaldemocraten deze laatste vragen veronachtzaamd zijn en integendeel de focus gelegd is op een hard activeringsbeleid. Een boodschap waar mensen die zich in existentiële onzekerheid bevinden (of ze nu onder- of middenklasse zijn) geen houvast aan hebben of vertrouwen in kunnen stellen.

Tussenstand

De voorbije tien jaar heeft duidelijk gemaakt dat links met haar keuze voor paars(groen) haar belofte niet heeft ingelost. Kiezen voor meer marktwerking heeft geleid tot gemiddeld meer welvaart, maar evenzeer breed verspreid meer onzekerheid en dus minder welzijn. En de kloof tussen arm en rijk is dieper geworden. In die zin is het niet verwonderlijk dat in tijden van onzekerheid door een uitdijende wereld, rechtse voorstellen tot het zich terugplooien tot een kleine gemeenschap, ongeveer zo groot als Vlaanderen, meer dan succesvol blijken.
Het is de hoogste tijd dat links werk maakt van een nieuw verhaal over waarden en normen. Als bijvoorbeeld Nicolas Sarkozy in Frankrijk de verkiezingen kan winnen door openlijk brandhout te maken van de erfenis van mei ’68, dan zullen waarden als emancipatie en zelfontplooiing een nieuwe invulling moeten krijgen. Links moet dringend een aantal taboes doorbreken. Namelijk door toe te geven dat niet elke individualisering het individu te goede komt, dat hyperconsumptie niets te maken heeft met emancipatie, dat nieuwe vormen van gemeenschap en georganiseerde solidariteit nodig zijn.

Ecologie, hyperconsumptie en verbondenheid

Op vlak van hyperconsumptie ligt een uitdaging die vooral de groenen raakt in de kern van hun bestaan. Net zoals de sociaaldemocratie heeft ook het groene denken een hele evolutie doorgemaakt. Het is mijn these dat de groene politiek wat betreft het politiek vertalen van haar grondwaarden, zowel succesvol is geweest als dat het haar doel nog niet bereikt heeft. Het heeft enerzijds veel bereikt door bijvoorbeeld de realisatie van tal van nieuwe rechten (dierenrechten, homohuwelijk, zorgkrediet). Het blijft anderzijds verwijderd van haar doel omdat de neoliberale vermarkting geleid heeft tot de huidige hyperconsumptiemaatschappij, met een nog nooit geziene milieudruk en een eendimensionale identiteitsopbouw via expressief consumentisme.3

Het succes van de politieke ecologie, als haar actuele beperktheid, verklaart zich door de verschuiving die zij samen met de samenleving heeft doorgemaakt vanaf de jaren 1970 tot op heden. Deze verschuiving kan schematisch voorgesteld worden in drie fasen. De eerst fase is de tijd van radicale kritiek en utopische ideeën over een totaal andere samenleving. Zo ontwikkelt men bijvoorbeeld de ideeën van een universeel basisinkomen en een autovrije stad.
Tijdens de tweede fase in de jaren 1980 wordt dit kritisch perspectief omgezet in een volwassen politieke ecologie die op zoek gaat hoe concrete handelingsperspectieven tot verandering kunnen worden ontwikkeld. Het ecologisch denken combineert systeemkritiek met realiteitszin en investeert in het ontwikkelen van haalbare voorstellen ten aanzien van het beleid. Concreet worden voorstellen zoals een ‘autoluwe stad’ ontwikkeld, evenals vormen van financiële ondersteuning van mensen die minder willen werken in ruil voor meer levenskwaliteit.
De jaren 1990 (de derde fase) zijn de jaren van hoogbloei en nakende terugval. Het succes van de conferentie van Rio als het stijgend aantal groene politieke partijen en verkozenen leiden langs de ene kant tot tal van concrete realisaties. Zo vindt bijvoorbeeld het voorstel van ‘zone 30’ in het verkeer volop ingang en wordt het systeem van tijdskrediet voor vele mensen toegankelijk. Langs de andere kant heeft dit niet kunnen beletten dat de neoliberale vermarkting van de samenleving zich heeft verder gezet (privatisering, liberalisering, deregulering van tal van sectoren). En op niveau van het individu is deelname aan de consumptiemaatschappij heden ten dage voor velen de dominante wijze van betekenisgeving in hun leven, van identiteitsopbouw. Net zoals onze samenleving ‘a-utopisch’ is geworden maar gericht op het pragmatische, is de politieke ecologie al te sterk uitgewerkt geworden op niveau van het praktisch haalbare.

Een cruciale vraag voor de politieke ecologie is in hoeverre dat de vlucht in de consumptiemaatschappij verbonden is met het feit dat mensen steeds minder zin en betekenis halen uit hun werk. Tegenover de verplichte ratrace op de werkvloer staat de compensatie via expressief consumentisme (je koopt geen product meer maar wel een sfeer en belevenis). We werken ons te pletter om dan ons zuur verdiende centjes te besteden aan bijvoorbeeld een welness weekend om terug op adem te kunnen komen. Het is mijn stelling dat het gevoel van autonomie (= greep op je eigen leven) en zich gedragen voelen in een sociale omgeving rechtstreeks verbonden is met de kracht die men heeft om tegen de maatschappelijke stroom in een duurzame levensstijl te ontwikkelen. Niet toevallig focussen juist bevolkingsgroepen die een tekort aan autonomie ervaren (of zich helemaal in de steek gelaten voelen) het sterkst op de meest symbolische consumptiegoederen.

Terwijl de ecologische beweging werk wilde maken van een persoonlijke ontplooiing in de context van wederzijdse zorg, heeft, in plaats van ‘autonomie in verbondenheid’, de individualisering vorm gekregen onder de vorm van ‘strategische navigatie’ van elk van ons. In een competitieve omgeving (zowel op gebied van onderwijs, relaties, arbeidsmarkt, sport en recreatie) worden we gedwongen om ons niet langer structureel te verbinden met elkaar (laat staan met de zwaksten uit de samenleving), maar steeds meer ‘eieren te kiezen voor ons geld’ in een context van meervoudige onzekerheid. Ook hier lijkt in de praktijk de ‘marktinterpretatie’ van Rawls het pleit te hebben gewonnen. Dit betekent niet dat de politieke ecologie daardoor haar waarde heeft verloren, zolang ze bereid is de strijd hiertegen te blijven voeren.
Een fundamenteel punt dat voor het ecologisch denken cruciaal is om verder te onderzoeken, is de scheiding die zich heeft voorgedaan tussen persoonlijke keuzevrijheid en maatschappelijke verantwoordelijkheid en verbondenheid. Om nog eens te provoceren: de jonge mei ‘68ers hebben ondertussen carrière gemaakt en hun weg gebaand in de consumptiemaatschappij. In plaats van bijvoorbeeld kritische kranten maken ze nu dagbladen vol van verhalen die enkel relevant zijn voor mensen met koopkracht.

Het voorbije jaar heeft duidelijk gemaakt wat de gevolgen zijn van de scheiding van persoonlijke vrijheid en maatschappelijke verantwoordelijkheid en verbondenheid. Of hoe de scheiding tussen bewustwording en concreet handelen totaal is geworden. Langs de ene kant is er het ongekende succes van de documentaire An Inconvenient Truth. Nog nooit gingen zoveel mensen naar de bioscoop om een educatieve film over de opwarming van de aarde te bekijken. Maar tezelfdertijd werd er nog nooit zoveel geld uitgegeven aan eindejaarscadeaus én werd een record aan vliegtuigreizen geboekt.
In die zin was de eenzijdige focus op het klimaatthema van de groenen in de voorbije verkiezingscampagne een smalle gok. Het speelde in op een toenemende bewustwording inzake de klimaatsdreiging, maar ging voorbij op de dagdagelijkse existentiële onzekerheid op vlak van arbeid in een globaliserende wereld. Mensen die op zoek zijn naar zekerheid vinden geen thuis in een verhaal over klimaatsdreiging. En door het veel minder benadrukken van de sterke groene analyses en voorstellen inzake het verhogen van de kwaliteit van het leven in een warme samenleving, werd ook geen antwoord gegeven op de uitdagingen van de nieuwe sociale kwesties die wel ter rechterzijde in de verf werden gezet.

Voorlopig besluit

In de inleiding van dit artikel schreef ik dat 10 juni 2007 het einde inluidde van het tijdperk van de derde weg in Europa en paars in ons land. De derde weg is voor links uitgedraaid op een doodlopende straat. Als men bereid is deze harde vaststelling te maken, ontstaat meteen de ruimte en de vrijheid voor linkse partijen om een nieuwe ideologische inhoud en richting te ontwikkelen. Voor sociaaldemocraten ligt nu de opdracht om gelijkheid en rechtvaardigheid in het ‘post-Rawls-tijdperk’ opnieuw in te vullen. Het moet duidelijk zijn dat als de armen er iets op vooruitgaan, terwijl de rijken er veel meer op vooruitgaan, je dit vanuit socialistisch perspectief enkel als onrechtvaardig kan beschouwen. Neem daar nog de toenemende ongelijkheid op mondiaal vlak bij, en je zit voor een uitdaging van jewelste.
Voor de groenen is het de hoogste tijd om terug te keren naar de positie die zij tot voor kort deelden met de christendemocraten, namelijk die van waardenpartij. Zij moet terug haar basiswaarde van ‘autonomie in verbondenheid’ durven uitspelen tegenover het doorgeslagen individualisme in onze samenleving. Evenwaardig aan het klimaatverhaal moet zij terug duidelijk maken dat ze staat voor de levenskwaliteit van iedereen. Van de middenklasse die het goed heeft maar onzeker is (haar kiezerspotentieel) tot de groeiende groep van uitgeslotenen (met wie zij solidair is en wil opnemen in een warme samenleving).

Voor 10 juni 2007 keken veel opinion leaders aan progressieve zijde meewarig naar Leterme met zijn ‘halve pastoorstaal’ over respect en zekerheid. Ze zouden zich veel beter zorgen maken over het gebrek aan inspirerende ‘humanisten’ voor de 21ste eeuw. Dit lijkt me, samenwerkend over partijgrenzen heen, de grote opdracht van links te zijn voor de komende jaren. Als rood en groen elk hun verhaal grondig willen vernieuwen, kunnen ze elkaar versterken door de kiezers electoraal ter linkerzijde een toekomstgerichte diversiteit aan te bieden. Waarbij concurrentie - toch een kenmerk typisch van de markt - kan worden vervangen door wederzijds respect en inspirerende samenwerking.
Maar voor beiden geldt een niet te schatten inhoudelijke opdracht. Links heeft nood aan een herijking van de Verlichting, die eeuwen na Kant nog steeds omschreven kan worden als de overwinning van de mens op zijn onmondigheid waaraan hij zelf schuldig is.

Dirk Holemans
Gewezen Vlaams volksvertegenwoordiger Groen! en publicist

Noten
1/ Voor een grondige analyse van de derde weg, zie mijn artikel: The Third Way: Die Neue Mitte/Mythe? In: Oikos 13, 2000, pp. 11-34.
2/ Zie o.m. Vandenbroucke F., De Europese sociaaldemocratie: convergentie, meningsverschillen en gemeenschappelijke vragen. In: Samenleving en politiek, Jg. 6, nr. 3, 1999, pp. 3-18.
3/ Voor de overgang van de consumptiemaatschappij verbonden met de naoorlogse welvaartstaat naar de hedendaagse hyperconsumptiemaatschappij, zie mijn artikel ‘Vloeibaar engagement, waar grote verhalen en verbeelding vervangen zijn door individuele zoektochten en beeldcultuur’. In: Oikos 39, 4/2006.

sp.a - Derde Weg - links

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 7 (september), pagina 17 tot 23