Abonneer Log in

Europa in 2004

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 2 (februari), pagina 30 tot 35

Vier maanden na mijn intrede in het Europees Parlement ga ik graag in op de vraag om even stil te staan bij het Europa van 2004. Wat zijn de moeilijkheden, uitdagingen en kansen? In dit artikel wil ik vooral een aantal thema’s behandelen die volgens mij belangrijk zullen worden in 2004 of belangrijk moeten worden. Daarbij moesten uiteraard keuzes gemaakt worden omdat het onmogelijk is alle interessante thema’s aan bod te laten komen. Achtereenvolgens wordt aandacht besteed aan de uitbreiding, de centen van Europa, de noodzakelijke economische en sociale coördinatie, het gemeenschappelijk buitenlands en defensiebeleid en, tenslotte, het Europa van de Europeanen.

Het jaar 2003 zal niet meteen herinnerd worden als een grand cru voor Europa. De grondige meningsverschillen met betrekking tot de aanpak van Irak, de slabakkende economie, de verdeeldheid over het voorstel van grondwet en het vooruitzicht van een slecht voorbereide uitbreiding hebben ons met de neus op de feiten gedrukt: de creatie van een eendrachtig, welvarend en sociaal Europa is nog niet gerealiseerd. Daarbij komt nog dat talrijke enquêtes en peilingen uitwezen dat het vertrouwen in Europa snel bergaf gaat.
Moeten we nu pessimistisch zijn en Europa afwijzen? Niet noodzakelijk. Het is namelijk niet de eerste keer in de geschiedenis van de Europese éénwording dat de machine pruttelt. Bovendien wordt er in alle huishoudens al eens ruzie gemaakt over de volgende vakantiebestemming of de aankoop van een nieuwe wagen. Zo ook in het Europese huis. Maar, er moet wel iets veranderen. Europa is namelijk nodig, al was het maar om samen sterker te staan in de wereld en om onze sociale verworvenheden veilig te stellen ten aanzien van de geglobaliseerde economie. Maar niet om het even welk Europa kan dit: Europa moet daarvoor van de lidstaten de middelen krijgen en beslissingsprocedures moeten vereenvoudigd worden. Bovendien moeten de sociale prioriteiten in alle beleidsdomeinen centraal staan en daar wringt juist het schoentje. Ook in Europa dringen politieke keuzes zich op.
Wellicht wordt 2004 een scharnierjaar. Zekerheid over de goedkeuring van een grondwet in 2004 is er niet, aangezien verscheidene verkiezingen de gesprekken zullen bemoeilijken. Wel zeker is dat de uitbreiding met 10 nieuwe lidstaten die eraan komt het aanzicht van Europa definitief zal wijzigen. Eigenlijk zouden we ons met zijn allen moeten verheugen op die uitbreiding. De beslissing om tot de uitbreiding over te gaan was in de eerste plaats een politieke keuze. Na de val van de communistische regimes was het absoluut noodzakelijk een sterk signaal te geven naar deze prille democratieën en hun bevolking, om verwarring en instabiliteit tegen te gaan. Het vooruitzicht om te kunnen toetreden tot de EU en de hiermee gepaard gaande grondige interne hervormingen heeft Centraal- en Oost-Europa gestabiliseerd en geeft hen de sleutels voor een duurzame welvaartstijging. De grotere interne markt biedt ook aan onze bedrijven heel wat perspectieven, terwijl de verplichting om alle Europese regelgeving (ook de sociale en milieuregels) te respecteren ook mogelijke dumping op sociale en milieunormen voor een deel zou terugdringen. De vraag is echter of ‘zij’ en ‘wij’ klaar zijn voor deze uitbreiding. Bij de start van de toetredingsonderhandelingen ging men er nog vanuit dat elk land op zijn merites zou worden beoordeeld en dat de toetredingen geleidelijk aan zouden plaatsvinden. Later heeft men, bijna onopgemerkt, geopteerd voor de ‘grote sprong voorwaarts’ door te beslissen dat op 1 mei 2004 in één keer 10 nieuwe lidstaten, met een verschillende achtergrond en economische ontwikkeling, zouden toetreden. Criticasters werden gerustgesteld door het vooruitzicht dat er tegen dan ook wel aan de ‘verdieping’ van Europa zou zijn gewerkt.

Goede beslissingen nemen met 25 wordt namelijk een pak moeilijker dan met 15. En zelfs met 15 beslissen is al moeilijk. De spelregels vereenvoudigen, Europa ‘verdiepen’ had al lang gebeurd moeten zijn. Op drie maanden van de uitbreiding staan we nergens, al werd er interessant en zinvol denkwerk afgeleverd door de Conventie.
Voor de volledigheid moet hier aan worden toegevoegd dat de toetreding van de 10 nieuwe lidstaten geen big bang zal worden. Er werden namelijk heel wat overgangsmaatregelen getroffen zodat bijvoorbeeld de vrees voor een massale toestroom van goedkope arbeidskrachten uit Centraal- en Oost-Europa vanaf 1 mei ongegrond is. Gedurende de eerste vijf jaar beslissen de huidige lidstaten autonoom of ze het vrije verkeer van personen, zoals deze vandaag bestaat tussen de bestaande lidstaten, ook toepassen op werknemers uit de nieuwe lidstaten. Het alternatief is dat de huidige lidstaten de bestaande regeling met betrekking tot werknemers uit de toekomstige lidstaten blijven toepassen. Na twee jaar komt er een evaluatierapport van de Commissie, op basis waarvan de lidstaten hun beslissing kunnen bijsturen. Zelfs na die vijf jaren kunnen lidstaten deze periode nog verlengen met maximaal twee jaren, in geval van ‘(dreigende) ernstige verstoringen van de arbeidsmarkt.’
Op de vraag of ‘zij’ klaar zijn voor de uitbreiding heeft de Commissie enkele maanden geleden alvast een genuanceerd antwoord gegeven. Algemeen gesproken hadden de toekomstige lidstaten in november 2003 ongeveer 70% van alle bestaande Europese regelgeving, het acquis communautaire, omgezet in nationale wetten en reglementen. De Commissie verwachtte toen dat tegen 1 mei nog 27% zou worden omgezet en dat er bijgevolg nog 3% probleemgevallen zouden overblijven. Het is echter goed mogelijk dat er bij die 3% probleemgevallen zeer essentiële afspraken zijn, met betrekking tot milieubescherming, voedselhygiëne of sociale minimumnormen. Het zal dus de taak worden van de Europese Commissie, de lidstaten en het Parlement om hierop streng toe te zien en desnoods gebruik te maken van de vrijwaringclausules die voorzien zijn. Bovendien zal er ook nauw op moeten worden toegezien dat niet enkel de Europese regels worden omgezet, maar dat ze ook worden toegepast! De nieuwe lidstaten zullen goed moeten worden bijgestaan in het opbouwen van allerlei efficiënte inspectiediensten en controlemechanismen en in de strijd tegen de corruptie. Ondertussen is ook al duidelijk dat deze nieuwe lidstaten, relatief gezien, slechts een fractie van het Europese manna zullen krijgen dat bijvoorbeeld Spanje of Ierland na hun toetreding te beurt viel. Dit betekent concreet dat deze landen er veel langer over zullen doen om een welvaartspeil te ontwikkelen dat het onze benadert, met alle gevolgen vandien.
Dit brengt mij op een ander punt dat de discussie in 2004, en misschien ook nadien, zal beheersen: de ‘Financiële Perspectieven’ 2007-2013. De Commissie legt op 10 februari haar voorstellen voor de financiering van de Unie tot 2013 op tafel. Het is belangrijk want het gaat over centen, over prioriteiten, over beleid. Enkele lidstaten, nettobetalers aan de EU, hebben al laten weten dat ze niet veel zin hebben om meer geld in de Unie te stoppen. Voordien hebben ze wel enthousiast de uitbreiding goedgekeurd en willen ze van Europa tegen 2010 de meest dynamische en competitieve kenniseconomie ter wereld maken (Lissabon-doelstellingen). Men maakt dus mooie plannen zonder daar tegenover voldoende middelen te plaatsen.

Enkele uitgangspunten moeten, volgens mij, de discussie sturen. Het gros van de cohesiemiddelen moet geconcentreerd worden op die gebieden die ook echt het meest achtergesteld zijn. Dit is noodzakelijk om de nieuwe lidstaten de mogelijkheid te geven hun achterstand zo snel als mogelijk bij te benen. Het gevolg is dat de meeste gebieden in bijvoorbeeld Ierland, Spanje en in Wallonië het met veel minder zullen moeten stellen. Prioriteit moet bovendien gegeven worden aan projecten die een duurzaam karakter hebben, die de groei ondersteunen. Een voorbeeld: zo zou Europa met de structuurfondsen niet de restauratie van een ringmuur mogen financieren, maar wel de ontwikkeling van een industriezone of kenniscentrum. Om deze werkwijze te stimuleren zouden regio’s die creatieve en zinvolle projecten voorstellen, die voldoen aan de Lissabon-doelstellingen, een extraatje moeten kunnen krijgen.
Anderzijds is het nodig om ook elders in Europa een draagvlak te behouden en projecten te ondersteunen. Prioriteit hierbij moet gaan naar het vereenvoudigen van de procedures. Vele mooie projecten zien nooit het daglicht omdat het gigantische voorbereidingswerk, de ingewikkelde coördinatie tussen verschillende partners en de lange tijd vooraleer een beslissing wordt genomen zeer grote hindernissen blijken te zijn.

Tenslotte moet de EU meer middelen voorzien voor onderwijs en voor onderzoek. Een kort bezoek aan China eind oktober vorig jaar heeft duidelijk gemaakt dat er ginds, en elders in die regio, een enorme ontwikkeling gaande is. Het land kende in 2003 een economische groei van maar liefst 9,2%. Het antwoord van Europa hierop kan niet beperkt worden tot een vermindering van de arbeidskosten, zeker niet wanneer men weet dat een Chinese ingenieur 5 keer minder kost dan een Belgische. En hoewel het duidelijk is dat landen als China en India zelf ook zeer snel kennis aan het opbouwen zijn om ter plekke onderzoek en ontwikkeling te genereren, kan investeren in onderwijs en onderzoek een duurzame groei in de toekomst tot stand brengen.
Inzake onderwijs moeten we in de Europese Unie vooral investeren in studentenmobiliteit, de Socratesprogramma’s voor het hoger onderwijs (o.a. Erasmus) en Leonardoprogramma’s voor het beroepsonderwijs en het levenslangleren, en in de wederzijdse erkenning van diploma’s. Europa mag mijns inziens op dit vlak zeer ambitieus zijn. De doelstelling moet zijn dat werkelijk elke student van een universiteit of hogeschool de mogelijkheid krijgt om minstens een half academiejaar aan een buitenlandse onderwijsinstelling te studeren. Momenteel is dit niet mogelijk omdat er te weinig middelen worden vrijgemaakt zodat vandaag jaarlijks slechts 5% van de Vlaamse universiteitsstudenten op Erasmus gaat. Ervaring opdoen in het buitenland betekent extra levenservaring, maar ook extra talenkennis en een grotere zelfredzaamheid. Deze kwaliteiten hebben zonder twijfel positieve gevolgen voor de latere arbeidsloopbaan. Bovendien draagt het bij tot een betere kennis van Europa. De financiering hiervan kan gebeuren door een stijging van de reguliere middelen voor onderwijs, maar ook door de oprichting van een Europees Studentenfonds. Dit Fonds kan gespijsd worden met de winsten van de Europese Investeringsbank en, waarom niet, van een Europese loterij. Studenten zouden dan, al naargelang de persoonlijke situatie, kunnen beroep doen op het Fonds voor een beurs of een renteloze studielening.
Ook onderzoek verdient veel meer aandacht. Studies van de OESO hebben uitgewezen dat 50% van de groei vandaag gemaakt wordt door investeringen in onderzoek en ontwikkeling in het verleden. Uit een studie van de Commissie van april 2003 blijkt dat, wanneer de middelen voor onderzoek en ontwikkeling jaarlijks zouden stijgen met 2,1%, maar liefst 9 miljoen banen zouden kunnen gecreëerd worden tussen 2000 en 2020. De Europese Unie moet niet zomaar geld investeren in R&D-projecten, maar een coherent beleid ontwikkelen en keuzes maken, in overleg met alle betrokkenen. Zo is het bijvoorbeeld niet nodig om in elke lidstaat een peperdure ‘cleanroom’ te bouwen voor de ontwikkeling van nieuwe computerchips. Het idee van Commissaris Busquin om per sector op Europees niveau technologieplatforms op te richten, waarbij private en publieke partners rond de tafel zitten om zware investeringen en inspanningen te coördineren en akkoord te gaan over een langetermijnplanning, moet daarom snel concreet gestalte krijgen.
Bovenstaand voorbeeld kan de start zijn van een Europees gecoördineerd industrieel en economisch beleid, wat vandaag ontbreekt. Jacques Delors, onlangs in Brussel om er zijn mémoires voor te stellen, waarschuwde reeds van bij de start van de Europese muntunie voor de gevaren van een gemeenschappelijk monetair beleid zonder economische coördinatie. Hij schat het verlies aan groei binnen de EU door het gebrek aan economische coördinatie in op 1% van het bbp. Heel veel, dus.

Vergeten we ook niet dat een dergelijke economische coördinatie de basis kan zijn voor een Europees beleid in sociale materies, wat ons na aan het hart ligt. Een aantal minimale sociale normen afspreken, en het sociale beleid van de lidstaten min of meer op elkaar afstemmen is daarbij onvoldoende. Een belangrijke stap vooruit zou alvast de invoering zijn van een horizontale sociale clausule om het sociale beleid van de lidstaten te vrijwaren van de negatieve gevolgen van bijvoorbeeld maatregelen in het kader van de invoering van de ééngemaakte markt. Concreet betekent dit dat bij elk voorstel van beslissing ook eens wordt nagegaan wat de sociale gevolgen zijn van de maatregel en zodoende mogelijke problemen aan de bron kunnen worden aangepakt. Voorstellen om te liberaliseren om te liberaliseren zullen hierdoor met des te meer argumenten kunnen worden bestreden. Het idee werd opgenomen in de ontwerpgrondwet van de Conventie, maar is nog niet verworven. Inzake coördinatie van het fiscale beleid staan we helemaal nergens, nochtans is dit van wezenlijk belang als we spreken over economische en sociale coördinatie.
Kortom, op economisch en sociaal vlak is er nog heel veel werk aan de winkel. Helaas is niets minder waar voor het gemeenschappelijke buitenlands- en veiligheidsbeleid. Inzake defensie werden onlangs enkele stappen vooruit gezet, maar het is nog niet helemaal duidelijk wat dit concreet zal betekenen. We moeten absoluut vermijden dat de Europese defensie beperkt blijft tot een ‘gezamenlijke aankoopdienst van militair materieel’, of het afwerken van klussen die de Verenigde Staten niet willen doen. Voor sociaaldemocraten is de Europese defensie de stok achter de deur van de preventieve en diplomatieke actie. De gemeenschappelijke Europese defensie zou zich mijns inziens moeten concentreren op conflictmanagement, het voorkomen van conflicten en het stabiliseren van gebieden die net een conflict achter de rug hebben. Het is dwaas om daarbij nu al te spreken van een stijging van de Europese defensie-uitgaven om daarmee te proberen de gigantische kloof met de Verenigde Staten te overbruggen. Dit heeft geen zin, dit lukt toch niet. Door beter samen te werken zullen automatisch schaalvoordelen ontstaan waardoor budgettaire ruimte vrijkomt voor de nieuwe prioriteiten.

Het probleem is echter dat Europa er vooralsnog niet in slaagt om over belangrijke internationale kwesties met één stem te spreken. De grote meningsverschillen met betrekking tot de aanpak van Irak hebben dat op pijnlijke wijze aangetoond. De uitbreiding van de EU zal dit zeker niet vergemakkelijken. De sleutel om het probleem op te lossen is misschien wel de discussie over de hervorming van de VN-Veiligheidsraad. Er bestaat een zekere consensus over het feit dat de samenstelling ervan geen weerspiegeling meer is van de wereld vandaag en sinds enkele jaren wordt dan ook duchtig nagedacht over een grondige hervorming. Zolang Frankrijk en Groot-Brittannië beschikken over een permanent zitje in de Veiligheidsraad zullen ze geneigd blijven hun eigen weg te volgen en zich te profileren als een onafhankelijke ‘grootmacht’. Geef de EU een permanente zetel in de Veiligheidsraad en de Europese landen zullen wel verplicht worden voorafgaandelijk overleg te plegen en tot een gemeenschappelijk standpunt te komen. Ik ben ervan overtuigd dat we hiermee toekomstige oorlogen kunnen vermijden. Maar dit vraagt natuurlijk wel wat opoffering van Frankrijk en Groot-Brittannië…
De hamvraag wanneer we over Europa spreken is natuurlijk hoe je van Europa opnieuw een ‘hip’ en wervend project kan maken. Hierop is geen eenvoudig antwoord te verzinnen. Om te beginnen is er duidelijk een probleem van communicatie. Er worden namelijk, en gelukkig maar, heel veel goede zaken beslist in het belang van de Europese burger. Hierover wordt nauwelijks melding gemaakt in de media. Zelfs in een politiek programma van de openbare omroep zoals Villa Politica wordt met geen woord gerept over de belangrijke beslissingen die wekelijks door de Commissie of het Europees Parlement worden genomen. Het wordt tijd dat er eens wordt nagedacht hoe dit probleem van doorstroming van informatie kan worden opgelost.
Nog minder gemakkelijk dan de mensen te informeren over het beleid is hen er meer bij te betrekken. Tijdens de Conventie zijn verdienstelijke pogingen ondernomen om de kloof wat te dichten zoals de erkenning van de ‘participatieve democratie’, waarbij de instellingen van de Europese Unie verplicht worden het maatschappelijk middenveld te raadplegen vooraleer belangrijke beslissingen genomen worden en, vooral, de mogelijkheid om een initiatief te eisen van Europa wanneer één miljoen mensen hierom vragen. Aangezien we binnenkort met 425 miljoen inwoners zullen zijn, is de drempel vrij laag. Grote sociale bewegingen zoals vakbonden en milieuorganisaties kunnen gemakkelijk een dergelijke massa mobiliseren. Bovendien geeft dit zeker ook een stimulans aan de vorming van maatschappelijke organisaties op de schaal van de Unie.

Maar, het allerbelangrijkste blijft natuurlijk het beleid dat gevoerd wordt. De laatste jaren is in grote en kleine dossiers verschillende keren bewezen dat vele voorstellen van de Commissie getuigen van een vervreemding tegenover de Europese bevolking. Er lijkt maar één ding centraal te staan: zoveel mogelijk hindernissen wegnemen voor de interne markt. Concreet pleit men voor een maximale of zelfs totale harmonisatie op alle domeinen die daar van ver of van dichtbij mee te maken hebben. De Commissie vergeet daarbij dat, bijvoorbeeld op vlak van milieu- en consumentenbescherming, een aantal lidstaten in het verleden verder zijn gegaan dan de voorgestelde regelgeving. In de praktijk betekent dit dan een achteruitgang. Men zou beter strenge minimumregels voorstellen, waarbij de lidstaten nog strenger kunnen zijn indien ze dit wensen. Europa is voor ons namelijk méér dan een markt. Een ander paradepaardje is het liberaliseren van alles wat maar geliberaliseerd kan worden, ook de zaken waar niemand om gevraagd heeft. Denken we maar aan de havenrichtlijn. Een mooi voorbeeld van vervreemding heb ik twee weken geleden nog meegemaakt in de milieucommissie wanneer we het hadden over de verderzetting van LIFE, een subsidiepot voor milieuprojecten. Hoewel men niet in staat was voorbeelden van misbruik te geven, stelde men toch voor dat in de toekomst enkel projecten van staten, regionale of lokale overheden in aanmerking zouden komen voor subsidiëring van de aankoop van natuurgebieden. Het gevolg van deze ogenschijnlijk onbelangrijke bepaling zal zijn dat goed werkende organisaties met een massa enthousiaste leden, zoals Natuurpunt Vlaanderen, in de toekomst geen Europese subsidies meer zouden krijgen voor een belangrijk deel van hun werking. Gelukkig bestaat er nog een mogelijkheid om dit met het Parlement tegen te houden. Daarmee is onmiddellijk ook gezegd dat Europa ‘maakbaar’ is, gemaakt door mensen van vlees en bloed, met een bepaalde politieke overtuiging, met een visie over de toekomst. Het maakt wel degelijk een verschil of socialisten of liberalen en conservatieven in de meerderheid zijn in het Europees Parlement of in de Commissie. Er bestaat geen ijzeren wet dat Europa uitsluitend een liberale markt moet zijn. Het kan anders, maar daar beslist de kiezer over.

Saïd El Khadraoui
Europees Parlementslid (sp.a)

Europa - verkiezingen

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 2 (februari), pagina 30 tot 35