Log in

Gelijkekansenbeleid op internationaal niveau

Themanummer: HET GROOT ONDERHOUD

Gelijke kansen

Rode draad

Gelijke kansen op internationaal niveau kunnen alleen door een positieve discriminatie van die landen die de laatste 200 jaar niet dezelfde kansen inzake socio-economische ontwikkeling kregen. Achtergestelde landen moeten een preferentiële behandeling krijgen. Natuurlijk hebben ontwikkelingslanden ook een eigen verantwoordelijkheid en vele lijden onder een incompetent en corrupt bestuur. Maar we moeten durven erkennen dat het Noorden buitenmaats heeft weten te profiteren van de mondiale welvaartsopbouw. Ook moeten we willen inzien dat dit ten koste is gegaan van de socio-economische ontwikkeling van het Zuiden. Het heeft nooit een eerlijke kans gekregen om zijn achterstand in te lopen. Positieve discriminatie is dan ook gewoon noodzakelijk. Ze is te begrijpen als fair play en als een ultieme poging om de uiterst gespannen verhouding tussen Noord en Zuid weer in evenwicht te brengen. Daarom is ze een rode draad doorheen de punten die om een onmiddellijke toepassing van het ideaal van gelijke kansen voor iedere wereldburger schreeuwen.

Gelijke kansen inzake markttoegang

We veroordelen in eerste instantie de afscherming van de uiterst koopkrachtige markten van het Noorden voor producten uit het Zuiden, via allerlei verdoken of zelfs open protectionistische maatregelen. In de plaats van een dergelijke afwijzende en weinig coöperatieve houding moeten we de handelspartners alle hulp bieden bij het marktconform maken van hun producten. Tevens willen we vermijden om de uiterst kwetsbare markten in het Zuiden - waar de industriële productie in vele deelsectoren nog in de kinderschoenen staat - koste wat kost open te breken. Rekent men daar nog eens de productie- en exportsubsidies bij die de EU massaal aan de agrarische sector toekent, dan wordt het verhaal van dumping op de zuidelijke markten absoluut pervers. Juist deze agrarische sector vormt immers de belangrijkste economische niche waarin de ontwikkelingslanden een comparatief voordeel t.o.v. het Noorden hebben.

Eerder zouden we weer moeten denken aan een echt preferentieel handelssysteem waarbij men in een volkomen gelijkwaardige partnersituatie onderhandelt over een gegarandeerde markttoegang, zonder daarbij een absolute vorm van wederkerigheid te eisen. Juist deze clausule over de niet-wederkerige handelsakkoorden uit het vorige Lomé-tijdperk, dreigt door de goedkeuring van de nieuwe Cotonou-akkoorden verloren te gaan. Wat de grondstoffenprijzen betreft, moeten we opnieuw, maar ditmaal effectief, de prijsvorming ondersteunen en het spel van de moordende concurrentie tussen de verschillende leveranciers aan banden leggen. Slechts op die manier krijgen de Minst Ontwikkelde Landen (de zgn. MOL’s), waarvan vele nog steeds rechtstreeks afhankelijk zijn van de uitvoer van bepaalde grondstoffen, een betere kans om hun economie te diversifiëren. Steunend op de gegarandeerde inkomsten uit de export van die grondstoffen, zouden zij zich ook in staat gesteld zien om hun sociaal beleid op langere termijn te plannen. Dit is een absolute must wil men bijvoorbeeld in de onderwijs- of gezondheidssector een grootschalig inhaalproject opstarten.

Afstemmen prijzen van (gepatenteerde) producten op de lokale koopkracht

Voor gelijke kansen inzake toegang tot bepaalde strategische producten, zoals medicijnen of hoogproductief zaaigoed, moeten we bedrijven ertoe brengen om in de ontwikkelingslanden hun producten aan (quasi-)productieprijs te verkopen. Het lijkt beter om aan dergelijke goederen, die voorlopig onmogelijk lokaal te produceren zijn, een exportsubsidie toe te kennen, dan aan agrarische, industriële en dienstenproducten waarvoor de technische knowhow en de menselijke capaciteit in het ontwikkelingsland zelf aanwezig zijn. Ontwikkelingslanden mogen nu gepatenteerde medicijnen in een bepaalde situatie van noodwendigheid lokaal produceren (de zgn. dwanglicentie). Deze bestaande ‘oplossing’ is totaal onvoldoende. Dikwijls is noch de knowhow, noch de technologie, noch het kapitaal aanwezig om over te gaan tot de productie ter plaatse van een of ander hoogtechnologisch, maar onmisbaar goed. Het moet dan ook op zijn minst mogelijk worden om levensreddende medicijnen en andere strategische goederen in het buitenland aan te laten maken, om die dan onder de goedkope formule van de dwanglicentie in het eigen land in te voeren.

Gelijke toegang tot internationale onderhandelingen

Op vele internationale fora voelen de ontwikkelingslanden zich in de kou gezet doordat zij niet over voldoende onderhandelingscapaciteit beschikken. Soms ligt dat aan een gebrek aan hogere opleiding. Soms zijn er onvoldoende financiële middelen om voldoende onderhandelaars vrij te maken, die de verschillende - maar vaak simultane rondes - kunnen bijwonen. Ook de machtsmiddelen die sommige rijke landen gebruiken om de buit kost wat kost binnen te halen, zijn absoluut onaanvaardbaar (o.a. het terugtrekken van ontwikkelingssteun, het niet toekennen van verdere kredieten, discrediteren bij de internationale krediet- en ontwikkelingsinstellingen, enz.). Om deze situatie op te lossen denken we aan logistieke steun, vormingsessies van onderhandelaars en de verzekering van toegang tot de juiste en meest volledige informatie. Op die manier zouden de ontwikkelingslanden meer gebruik kunnen maken van internationaal erkende instellingen zoals de WHO, maar ook de Wereldbank, het IMF en zelfs het nieuwe Internationale Hof van Den Haag om hun eigen, internationale belangen te verdedigen. Zo zouden deze landen, via institutionele weg, een groter aandeel van de globale welvaart op succesvolle wijze naar zich toe kunnen halen.

Gelijkwaardige arbeidsomstandigheden

Iedereen heeft het recht om in humane omstandigheden in zijn levensonderhoud te voorzien. Niemand ‘verdient’ het om, met miskenning van zijn fundamentele arbeidsrechten, economisch geëxploiteerd te worden. Ieder kind heeft recht op een onbezorgde jeugd. Iedere ouderling heeft recht op een rustige oude dag. Van beide categorieën burgers mogen we slechts een absoluut minimum aan economische participatie verlangen. Daartoe moeten deze rechten worden gegarandeerd, weliswaar volgens de draagkracht van de lokale economie en met ondersteuning van internationale solidariteitsfondsen.

Goed bestuur

Lokale regeringen in de ontwikkelingslanden moeten worden geresponsabiliseerd voor de binnenlandse, maar ook buitenlandse politiek die ze hanteren. Zij vormen de eerste instantie die gelijke kansen moet garanderen aan de hele bevolking. Zij moeten een bewuste politiek voeren om de enorme sociale en economische ongelijkheid te reduceren en om hun economisch en sociaal potentieel te realiseren. Om iedereen gelijke kansen te bieden, is het noodzakelijk de corruptie een halt toe te roepen. Terzelfder tijd moeten ontwikkelingslanden er alles aan doen om zowel intern als extern gewapende conflicten te vermijden. De directe en indirecte financiële en menselijke tol die militaire verwikkelingen vergen, zijn enorm en uiterst storend voor mogelijke positieve economische ontwikkelingen.

Het globaliseringsproces humaniseren

Andersglobalisering gaat niet over theoretische verhalen, maar over concrete doelstellingen. sp.a wil zich engageren om deze doelstellingen ook daadwerkelijk te halen en wel tegen een bepaalde deadline. Die deadline werd, volgens de internationale consensus van 2000, op 2015 gelegd. De Verenigde Naties hebben toen plechtig aangekondigd dat tegen die tijd o.a. het aantal mensen dat honger lijdt, geen toegang tot drinkwater heeft of onder de absolute armoedegrens leeft, met de helft moet verminderen. Ook zou tegen 2015 elke inwoner van deze planeet gegarandeerd van basisonderwijs moeten kunnen genieten en zou de kraamsterfte met drie vierde en de kindersterfte met twee derde gereduceerd moeten zijn. Twee jaar later heerst er al volop scepticisme over de vraag of deze doelstellingen, als ze al ooit haalbaar zijn, binnen de vooropgestelde termijn gerealiseerd zullen zijn. sp.a wil deze verbintenissen echter niet zomaar opgeven. Zij vormen immers onze voornaamste stok achter de deur om de internationale gemeenschap tot meer solidaire actie t.o.v. het Zuiden aan te zetten.

Hoe kunnen we deze doelstellingen bereiken? Door sociale solidariteit, die we in eigen land met succes georganiseerd hebben, ook op het internationale vlak te organiseren. Maar ook dat blijkt weer moeilijker dan gedacht. Een belangrijke voorwaarde om de ontwikkelingskansen van de Derde Wereld te verhogen, is dat de rijke westerse landen de bescherming van hun eigen markten opgeven. De belemmering van vrije markttoegang voor de producten van het Zuiden verklaart wel degelijk een belangrijk deel van de race to the bottom van vele van de armere landen. Maar zelfs als de rijke landen ruim baan geven aan exportproducten van de ontwikkelingslanden, en als enkel dat deel van het globaliseringsproces rechtvaardiger wordt, dan nog zal het tempo waarin we de armoede terugbrengen, niet voldoende zijn om de VN-doelstellingen te bereiken. Daarnaast is een consequente politiek van internationale solidariteit absoluut noodzakelijk.Op globaal niveau moeten we durven te komen tot meer herverdeling van financiële en economische macht, tot meer en een doorzichtiger regelgeving op politiek, sociaal en financieel vlak en tot meer solidariteit met de allerzwaksten. Alleen op die manier - door internationaal erkende instellingen als scheidsrechters te doen optreden tegen de ongeremde financiële en economische globalisering - zullen er ook in het Zuiden meer winnaars van de globalisering opstaan. Stellen dat het Noorden daardoor fataal tot het verliezende kamp van de globalisering zal behoren en zijn hoge levensstandaard grotendeels zal moeten prijsgeven, is demagogie. Niettemin zullen er inspanningen van de rijke landen worden gevraagd. Dat is een zaak van elementaire rechtvaardigheid, die niet alleen moreel correct is, maar die we ook redelijk kunnen argumenteren. Door het hanteren van intelligente sociale, financiële en politieke regulering kunnen we de groep van winnaars van het globaliseringsproces maximaal uitbreiden en kunnen we spreken van een proces van evenwichtige mondialisering.

Ideeën voor een globaal beheer

Mondiale sociale rechten

In West-Europa kennen we al meer dan vijftig jaar een sterke economie en een aantrekkelijk sociaal model. Waarom doen we niet meer inspanningen om dat model een wereldwijd karakter te geven? De basis is de universele erkenning van de vijf sociale conventies van de Internationale Arbeidsorganisatie (geen dwangarbeid, vakbondsvrijheid, geen kinderarbeid, sociaal overleg en geen discriminatie). Laten we aan die conventies een meer dwingend karakter toekennen. Zo is sp.a de auteur van de wet op het sociaal label, die per 1 oktober van kracht wordt. Een dergelijk label verlenen we aan producten die met respect voor de sociale basisrechten worden gemaakt, waar ook ter wereld. Kwestie dat u en ik bewust consumeren en kunnen kiezen voor producten die op een sociaal verantwoorde wijze zijn gemaakt. De volgende stap is een Europees sociaal label.

Publieke verantwoording van bedrijven

Een nog belangrijkere stap is de toepassing van het principe van de extraterritorialiteit op deze basisconventies. Waarom zou een Belgisch bedrijf (of een in België gevestigd bedrijf) dat zich in de Derde Wereld aan kinderarbeid of vakbondsonderdrukking bezondigt, niet strafbaar kunnen zijn bij ons? Bedrijven hebben wel degelijk een maatschappelijke verantwoordelijkheid, ook en zeker als ze in de Derde Wereld opereren. Daarom moet voor Belgische bedrijven met vestigingen in het buitenland, de sociale balans toelaten een transparant en betrouwbaar overzicht te geven van de manier waarop zij sociale wetten en normen respecteren. sp.a zal in die zin een wetsvoorstel indienen.

Mondiale publieke goederen en gemeenschapsvoorzieningen

In West-Europa vormen efficiënte gemeenschapsvoorzieningen de kurk waarop de economie drijft. Waarom zorgen we er niet voor dat deze voorzieningen, via hulpverlening, ook in de Derde Wereld worden gegarandeerd? Arme landen moeten beter dan voorheen wezenlijke keuzen kunnen maken voor de collectiviteit. Zij moeten hun publieke sector versterken door de verbetering van hun infrastructuur (scholen, ziekenhuizen, enz.) en de invoering van systemen van collectieve bescherming. Dat kan door sociale hulpfondsen te scheppen. Daarin kunnen de rijke landen jaarlijks een bedrag storten. We denken ook aan een combinatie van belastinggeld, ontwikkelingshulp en schuldreductie. Publieke goederen kunnen eveneens worden gefinancierd via het uitgeven van speciale trekkingsrechten door het IMF (of een ander nieuw fonds dat het resultaat kan zijn van het samengaan van het IMF en de Wereldbank). Wellicht verbinden we best een aantal voorwaarden aan het gebruik van sociale hulpfondsen, om misbruik door corrupte lokale elites te voorkomen. Daarenboven moeten we tot elke prijs voorkomen dat de onderhandelingen binnen de Wereldhandelsorganisatie over de handel in diensten (de zgn. GATS-onderhandelingen), de sociaal strategische delen van de dienstensector van de economisch minder ontwikkelde landen openbreken voor speculatief buitenlands kapitaal. Het internationaal vermarkten van de diensten die ontwikkelingslanden aan hun burgers aanbieden, houdt als geen ander liberaal project het gevaar in van een verdere polarisering tussen Noord en Zuid.

Mondiale belastingen

Om mondiale sociale rechten en gemeenschapsvoorzieningen te verzekeren, heeft men een solide financiële basis nodig. Er wordt globaal nog te weinig aan ontwikkelingshulp uitgegeven. Daarom zijn er alternatieve financieringsbronnen nodig. De voorkeur gaat naar (een combinatie van) verschillende fiscale instrumenten: een variant van de Tobin-taks, een CO2-taks of een taks op brandstof voor vliegtuigen of op wapentransacties. Ook voor een fonds gespijsd met een deel van de rechten geheven op de exploitatie van de grondstoffen op de oceaanbodem of van visquota in internationale wateren gaan er stemmen op. Wij kiezen voor een heffing op internationale speculatie, de Tobin-taks, maar dan in haar zogenaamde Spahn-variant. Tot dusver hebben we te weinig creatief nagedacht over hoe we dergelijke internationale fiscale instrumenten administratief kunnen beheren of op welke manier we het beleid van afzonderlijke landen - bijvoorbeeld binnen de EU - kunnen coördineren. Op dat terrein moeten we meer voluntarisme en minder ideologisch conformisme aan de dag leggen. Ook de oprichting van een mondiaal fiscaal instituut is te overwegen.

Mondiale strijd tegen crimineel geld

Terroristen profiteren van de ondoorzichtigheid van het financiële systeem. Zij verschuilen zich achter offshore-banken en omzeilen op die manier elke anti-witwaswetgeving. Daar moet een einde aan komen. Wij willen dat geldstromen beter worden gecontroleerd en dat bepaalde financiële transacties onmogelijk worden. Volgens een recent VN -rapport is er op dat vlak sinds 11 september 2001 heel weinig succes geboekt. Ook in de EU komt regelgeving terzake slechts mondjesmaat tot stand. Onterecht, want het heeft geen zin om in EU-lidstaten dure structuren van witwasmelding op te zetten als gesofistikeerde witwassers zich gedekt weten door anonieme postbusvennootschappen die worden gefinancierd via offshore-banken. Daarom eisen wij concrete maatregelen om belastingsparadijzen aan te pakken. Wij willen dat personen - bankiers, zakenadvocaten, boekhouders, enz. - bij witwaspraktijken hoofdelijk verantwoordelijk worden gesteld voor hun omgang met geldtransacties. We moeten onderzoeken hoe een internationaal handelsregister tot meer transparantie van de financiële verrichtingen kan bijdragen. Aan een dergelijke instantie kunnen landen bepaalde informatie overmaken over hun ondernemingen (identiteit bestuurders, statutair doel, jaarrekeningen, enz.).

Eerlijke handel

Arme landen moeten rechtvaardige prijzen krijgen voor hun producten én een evenwichtige sociaaleconomische ontwikkeling kunnen plannen en uitvoeren. De vraag is of de Wereldhandelsorganisatie (WHO) daarbij behulpzaam is of zelfs kan zijn. Zij moet, eventueel na een hervorming, een einde maken aan de hypocrisie en de dubbele maatstaven die het gedrag van rijke landen tegenover arme landen typeren. Zij moet investeringsregels en afspraken over intellectuele eigendom zo moduleren, dat die niet langer een bedreiging vormen voor een evenwichtige sociaaleconomische ontwikkeling of voor de lokale biodiversiteit van de landen tegen wie ze optreedt. Tevens mogen niet alleen economische overwegingen de onderhandelingen bepalen. Ook redenen van ecologische, culturele of sociale aard dienen perfect aanvaardbaar te zijn als criterium bij uitspraken over handelsgeschillen. Ook moeten we het voorzorgsprincipe consequent toepassen. Als men wetenschappelijk niet kan garanderen dat een bepaald product of praktijk onder geen enkel beding een publiek of ecologisch gevaar inhoudt, moet een verbod op dat product of die praktijk mogelijk zijn. Daarvoor is een hervorming en een democratisering van (de werking van) de WHO absoluut noodzakelijk. Dat veronderstelt een gevoelige toename van de invloed van het Zuiden. Aan de orde zijn daarbij onder meer de inschrijving van sociale basisrechten in de statuten van de WHO, nieuwe samenwerkingsvormen tussen de WHO en de Internationale Arbeidsorganisatie en een parlementair gelegitimeerde toewijzing van haar mandaat.

Mondiale kerntaken

Sociale en financiële regulering zijn onlosmakelijk verbonden met mondiale politieke regulering. We pleiten voor de oprichting van een Sociaaleconomische Veiligheidsraad (naast de politiek-militaire VN-Veiligheidsraad). Die moet verantwoordelijk zijn voor de coördinatie van het gezamenlijk sociaaleconomisch beleid van de lidstaten, de uitbouw van een langetermijnstrategie voor duurzame ontwikkeling en de verdeling van de inkomsten van de Tobin-taks en/of andere internationale financieringsbronnen. Ook kunnen we bestaande internationale instellingen als instrumenten voor een politieke en economische mondialisering gebruiken. In sommige gevallen zullen we deze verregaand moeten hervormen of zelfs herdenken - zoals het IMF en de Wereldbank. In andere gevallen moeten we niet aarzelen om nieuwe agentschappen op te richten. Met name in het geval van het IMF zijn zowel de kerntaken, het besluitvormingsproces, de mandaatverwerving en de leidende organen aan verregaande herdenking toe. Evenredige participatie van alle lidstaten aan de besluitvorming (deelname aan het besluitvormingsproces die niet enkel gebaseerd is op de omvang van de bijdrage die iedereen levert) is een absolute must. Ook het feitelijke veto van de VS binnen deze Bretton-Woods-instelling moet afgeschaft worden. Internationale monetaire stabiliteit moet weer de kerntaak worden. De programma’s voor een totale liberalisering van de markten in de landen die door een economische crisis getroffen worden, willen we niet alleen meer in woord, maar ook in daad vervangen door een meer globale strategie, waarbij we ook sociale rust, werkzekerheid en ecologische duurzaamheid in rekening brengen. We kunnen ons afvragen of we het financiële beheer van de wereld niet aan een nieuw fonds moeten toevertrouwen, dat dan de resultante van het samengaan van het IMF en de Wereldbank zou kunnen zijn. De taak van een dergelijk nieuw fonds kan onder meer bestaan uit een toezicht op het internationale bankwezen en uit monetaire ingrepen tegen speculatie. Tenslotte, als tussenstap naar een Sociaaleconomische Veiligheidsraad verdient de idee van een ‘G-8 van de regio’s’ krediet.

werkgroep globalisering
voorzitters: Dirk Vandermaelen (parlementslid) en Stefaan Thijs (Internationaal secretaris)
secretarissen: Sander Spanooghe en Jan Vermeersch (stafmedewerkers studiedienst sp.a)

sp.a - ideologie - ideologisch congres sp.a - sociaaldemocratie - gelijke kansen - globalisering

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 8 (oktober), pagina 30 tot 35