Log in

'Respect is de nieuwe punk'

Uitgelezen

Respect is de nieuwe punk

Meyrem Almaci
Borgerhoff & Lamberigts, Gent, 2017

Meyrem = Maria, Mieke dus. Almaci = Appelmans. Dus samen: Mieke Appelmans. Na een kort inleidend hoofdstuk over haar afkomst (Turkse migratie, in Sint-Gillis-Waas geboren en opgevoed) en de zwarte sneeuw die het gezin heeft gekend, verklaart Meyrem Almaci zo haar naam. Negen kinderen. Een vader die tegen zijn pensioenleeftijd sterft. Traditioneel katholiek onderwijs waarin de meisjes als vanzelf naar ‘snit en naad’ werden gedraineerd na de lagere school. In een ongelooflijk vlotte stijl vertelt ze hoe ze op haar twaalfde met een twee jaar oudere zus (en dus zonder haar ouders) zich liet inschrijven in het ASO, tegen de traditie en tegen het gezag van de school in. Dat tegendraadse, die wil en die kracht om zelf het eigen lot te bepalen is een karaktertrek die ik altijd in Meyrem Almaci heb geapprecieerd.

Eerlijkheid gebiedt dat ik dit vooraf zeg: zij is studente geweest van mij in de opleiding Vergelijkende Cultuurwetenschap aan de Universiteit van Gent. Die opleiding was zeer zinvol. Het bewijs kan worden afgelezen aan de vele afgestudeerden in de politiek, in het maatschappelijk en cultureel werk en in het onderwijs die Vlaanderen alleszins iets minder xenofoob en kneuterig maken dan het zonder hen zou zijn. Dat is progressief, links, maatschappelijk en intercultureel bewust, zoals men het maar wil noemen. Dat is tegelijk niet met veel toeters en bellen, laat staan met eretekens of -titels, noch met standpunten in partijprogramma’s aan de wereld kond gedaan, maar ik denk dat men mag zeggen dat het reëel is.

Ik schrijf dit allemaal omdat het boek van Meyrem Almaci, de huidige voorzitster van Groen, precies dit soort gevoeligheid wil aanduiden en in feite ondersteunen, evenwel zonder die vroegere opleiding als expliciete referentie te gebruiken. Dit boek bulkt van de persoonlijke en breed maatschappelijke argumenten waarom burgeractie, burgerinitiatieven en hoopvolle inbreng van onderuit zo onvoorstelbaar belangrijk zijn in een wereld die bijna officieel op drift is. Of toch zo wordt verklaard. Populisme, fraude van grootkapitaal, belastingontwijking (helemaal legaal natuurlijk, en dus ook moreel of zelfs maatschappelijk OK?), ‘bullebakkerij’ van bewindslui die niet luisteren maar reeds wegblaffen of zelfs verdacht maken nog voor de gekwetste of kwetsbare in de samenleving heeft mogen spreken: dat lijkt de wereld van de ‘grote politiek’ vandaag als succeshouding te willen benadrukken. Op lokaal en nationaal vlak zie je figuren de media in die zin gebruiken, in een flauwe afspiegeling van de grote roergangers in de wereld die dat dan met echte macht kunnen: de Trumps, de Poetins, de Erdogans, de Dutertes.

Meyrem Almaci maakt die analyse en koppelt dit voortdurend terug naar haar eigen leven en ervaring. Dat doet ze niet om zichzelf zonodig in beeld te dwingen, maar om te tonen hoe onverantwoordelijk en ook vaak laf gebrul en gescheld de mensen, u en ik, geen stap vooruit helpen, zelfs al hebben velen van de ‘gewone mensen’ ondertussen de valse illusie dat ‘zij het toch maar eens gezegd hebben’ of misschien ook ‘dat het toch allemaal om zeep is’. Mijn gevoel is vaak dat de Romeinen met hun brood en spelen, hun gladiatorenspelen en brasfestijnen, prutsers waren. Met de sociale media van vandaag kunnen ze echt niet concurreren in botheid, snelheid, volume van vermaak en ook niet in lafheid: anoniem of onder schuilnamen wie men maar wil afbranden en beschadigen, in de onderbuik gesteund door beleidsmensen die op dezelfde media het voorbeeld geven (met veel meer ‘volgers’ dan).

Nochtans, de communicatie- en interactiemiddelen die we nu hebben laten ook toe dat we de wereld socialer, menselijker, leefbaarder voor iedereen zouden maken: we weten meer van noden en opportuniteiten, we kunnen sneller mensen helpen of waardevolle voorstellen breed bekend maken, en we kunnen zelfs solidariteit ondersteunen met die communicatiemiddelen. Maar de mentaliteit - ik zou zeggen de levenscultuur waarin we al generaties opgetrokken zijn - houdt dat tegen. Ze verdeelt meer, of maakt de tegenstellingen onoverbrugbaar veel groter door gebruik van die nieuwe middelen.
In zo’n context is een boek zoals dat van Meyrem Almaci een zegen: zij probeert in duidelijke en heldere mensentaal uit te leggen hoe wij, waaronder zijzelf, allemaal gelaagde identiteiten hebben: zijzelf is een kind van Turkse migranten, die op een overlevingsniveau haar jeugd doorbracht, en regelmatig werd gediscrimineerd omwille van afkomst en geloof. Ze is moslima, Vlaamse, zeer taalvaardig in het Nederlands, ‘gemengd’ gehuwd met ‘gemengde’ kinderen, nu lid van een welstellende laag van de maatschappij en zelfs een stem waarnaar door velen geluisterd wordt. Haar eerlijke open stijl opent deuren, maar wordt uiteraard ook door de echte belangenbehartiger van de elite geschuwd. Die probeert dan te beschadigen, te vernederen ook, zoals zij bijvoorbeeld mocht ondervinden in de confrontaties met enkele topfiguren uit de bankwereld tijdens de parlementaire commissie waarvan ze een eminent lid was. Dan zijn de mediaspelletjes niet meer actief, maar wordt brutaal het gewicht van de macht gespeeld.
In dit boek tracht Meyrem Almaci verschillende registers van macht en ook van machtsmisbruik te duiden: anti-vrouwhoudingen, anti-islamcampagnes, anti-vluchtelingenophitserij, anti-medemensacties en praat in het algemeen. Alles wat doet begrijpen hoe de zogenaamde verruwing van de maatschappelijke discussie en de verzuring van de bange modale burger vorm kan krijgen. Regelmatig grijpt ze daarbij terug naar eigen ervaringen, naar vragen en ook oplossingen die in haar leven voorkwamen en werkten (of tegenwerkten): niet om zichzelf in de aandacht te brengen, maar om te tonen hoe dit bij mensen van vlees en bloed aankomt. Wat vernedering betekent, hoe onderwijskeuzes fnuikend of juist bevorderlijk zijn voor mensen aan de onderkant, enzovoort.

Ikzelf bepleit vaak dat de aspiratiedrempel van ‘gewone mensen’ (zoals mijn ouders net na de Tweede Wereldoorlog) laag is en hoe dit gelijkaardig is bij vele migrantengezinnen. Door vernedering (dé boventoon van vele sociale media) of andere sociale uitsluiting kan een elite effectief een tijdlang ‘de anderen’ (‘onze’ armen, de vluchtelingen of migranten van de zoveelste generatie) aan de onderkant van de maatschappij houden, en zo de eigen privilegies beschermen. De lage aspiratiedrempel helpt daarbij zeker. Of, in een oprechte en ook verstandig duurzame democratie, kan men aandacht hebben voor die drempel en een tandje bijsteken om de kansarme over die drempel te tillen. Dat gebeurde even na die wereldbrand (de jaren 1950 tot 1974, de eerste oliecrisis) omdat men meer geschoolde mensen nodig had (schreef de eminente socioloog Pierre Bourdieu, zelf een product van die bijsturing) voor de heropbouw en een opverende economie die moest schitteren tegen het dreigende communistische Oostblok. Maar dat bracht natuurlijk mee dat die aangesproken groep ook een stem kreeg (de studentenrevoltes, het appél van het marxisme en andere progressieve strekkingen, de anti-oorlogskritiek in die jaren). Dat is nagenoeg niet gebeurd voor de groep van kinderen van migranten, die hier in de jaren 1960 binnengehaald werden, en al helemaal niet voor de vluchtelingen en hun kinderen. Dan worden populisme, vernedering en het discours van ‘iedereen moet zijn plaats kennen’ terug van stal gehaald en beleven we de hardheid van vandaag: het welstellende Europa, dat in belangrijke mate verantwoordelijk is voor de klimaatverandering, houdt de vluchtelingen voor oorlog en voor uitdroging van hun leefgebied tegen door een dictatoriaal regime in Turkije af te kopen, en zelfs regelrechte bendeleiders in Libië geld toe te stoppen om op welke manier dan ook vluchtelingen te verhinderen de Middellandse Zee op te gaan. De context waarin we leven bestaat onder andere uit deze gegevens, en dat is anders dan de tuin van lusten van de consumptiemaatschappij die lokale arbeiders- en middenklasse groepen na de wereldbrand kon worden beloofd in ruil voor hard werk en gehoorzaamheid. Die droom wordt zeer onzeker, en daarom wordt de oude methode bovengehaald om de zaak te blijven ‘beheersen’: verdeel en heers. Zet groepen tegen elkaar op.
Zoals ik het hier stel is de analyse onaantrekkelijk, te abstract. Meyrem Almaci daarentegen lukt erin om dit bericht heel laagdrempelig en begrijpelijk te brengen, door haar eigen ervaringen en die van de medemensen te vertellen, soms gekruid met een geleerde analyse van economen en sociale wetenschappers die we kennen. Dat is een kracht van dit boek.
Er is echter meer, en dat is bijzonder belangrijk: zij geeft ook opnieuw plaats aan hoop. Dat woord wordt enkele keren gebruikt in het boek, en het wordt steeds gekoppeld aan concrete voorbeelden van actie, van weerbaarheid, van menselijk waardig opstaan (‘opstaan’ is niet voor niets een deel van de ondertitel van het boek). Het boek is zo ook een uitnodiging om verder te denken, maar ook om verder samen met medemensen en in vertrouwen met die mensen te ageren. Meyrem Almaci toont hoe dit niet enkel via grote nationale of internationale politieke platforms zal gaan, maar door in het dagelijkse leven op te staan: tegen de dwang van de commercie voor slecht voedsel, tegen de dwang om ‘maat 36’ te moeten dragen of anders een ‘make over’ te ondergaan, enzovoort. Respect dus, want zo ben je mens en kun je ook medemens worden.

Dit is een zeer leesbaar en verstandig boek. Voor de liefhebbers is er ook een lijst van liedjes toegevoegd om te beluisteren die de auteur voor zichzelf belangrijk vindt: alle genres. Het is ook een heel ethisch bericht dat tot ons wordt gericht. Men kan enkel hopen dat het veel gelezen wordt, ook buiten de kring van leden van de ene partij waarvan Meyrem Almaci nu het voorzitterschap heeft. Ik hoop oprecht dat vele socialisten en sociaaldemocraten het boek lezen om dwarsverbindingen te vinden met eigen politieke inzichten en strijdpunten. Dit is een hoopvol en warm boek, en die kwaliteiten zijn zeldzaam geworden.

Samenleving & Politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 10 (december), pagina 78 tot 81