Log in

Europa na de stormen

boekessay

Als in dat psychologie-experiment waarin wie te gefocust is op een basketbal die wordt rondgegooid, mist dat een gorilla door beeld wandelt, hebben weinigen gemerkt dat de Europese Unie door alle crisissen van de voorbije jaren heen fundamenteel is veranderd. Ze is veel politieker geworden, heeft zich daar aan aangepast maar wordt ook meer dan ooit gecontesteerd. Ook op het wereldtoneel is ze zich aan het emanciperen. Drie recente boeken hebben de gorilla wel gezien en analyseren de transformatie van de Europese Unie. Een uitgebreide bespreking.

Na de kater. Hoe we ons geloof in de Europese Unie verliezen

Bart Haeck
Polis, Antwerpen, 2017

De nieuwe politiek van Europa

Luuk van Middelaar
Historische Uitgeverij, Groningen, 2017

Make Europe Great Again

Sven Biscop
Uitgeverij Lannoo, Tielt, 2017

Ik moet voorzichtig zijn, want wanneer ik dit schrijf moet december nog beginnen, maar 2017 lijkt een relatief kalm jaar voor de Europese Unie te zijn geweest. Dat zegt vooral veel over de voorgaande jaren.

Maar toch. Dit jaar was er een zonder dat een lidstaat zich per referendum uit de unie terugtrekt. Of ook zonder dat een lidstaat net niet uit de euro tuimelt. Een jaar zonder lange nachtelijke toppen over reddingpakketten die net op tijd klaar geraken voor op maandagochtend in het verre oosten de beurzen openen. En zonder klinkende ruzie tussen staatshoofden en regeringsleiders over hoe en waar vluchtelingen moeten worden opgevangen.

Dat relatief kalme jaar 2017 bood dan ook wat ruimte voor contemplatie. Binnen officiële Europese kringen werd een reflectie-oefening over 'de toekomst van de EU' opgestart, met een witboek en vijf thematische papers waarin verschillende toekomstscenario's worden voorgelegd. De debatten daarover meanderen momenteel door de instellingen.

Maar ook waarnemers konden eindelijk wat afstand nemen van de crisis van de dag. En zich dus toeleggen op waar ze goed in zijn: orde scheppen in, of beter gezegd na, de chaos. Nu de stormen van eurocrisis, vluchtelingencrisis, Brexit en geopolitieke hoogspanning aan de oost- en zuidgrens wat gaan liggen zijn, overschouwen ze het terrein. Wat staat er nog recht in de Europese Unie? Of opnieuw beter: na alle oplapwerk en renovaties die gebeurd zijn terwijl de stormen woedden, hoe ziet het Europese bouwwerk er nu uit?

Over die vraag verschenen recent drie boeken in het Nederlands: Na de kater: hoe we ons geloof in de Europese Unie verliezen van Bart Haeck, De nieuwe politiek van Europa van Luuk van Middelaar en Make Europe Great Again van Sven Biscop.

Niet enkel delen de drie boeken een gelijkaardige aanleiding, ook de schrijvers hebben wel wat gemeen. Ze combineren een grote analytische gave met een scherpe pen en het inzicht in het politiek bedrijf van bevoorrechte observatoren. Luuk van Middelaar is dan ook een politiek theoreticus, nu verbonden aan de universiteiten van Leiden en Louvain-la-Neuve, die van 2009 tot 2014 speechschrijver en politiek adviseur was van Herman Van Rompuy toen die de Europese Raad leidde. Bart Haeck is een journalist bij De Tijd die al jaren de Belgische en Europese politiek van dichtbij volgt, en onder andere elk jaar het World Economic Forum in Davos verslaat. Sven Biscop is docent aan de Universiteit Gent maar leidt ook het Egmont Instituut, een Brusselse denktank met sterke voelsprieten bij de Belgische en Europese instellingen in Brussel.

De drie boeken delen hetzelfde uitgangspunt maar ze vullen elkaar ook mooi aan. Alle drie vertrekken ze vanuit het idee dat de Europese Unie de voorbije jaren, over de verschillende crisissen heen, wezenlijk van aard is veranderd. Haeck beschrijft hoe de EU plots fel gecontesteerd wordt, van Middelaar analyseert nauwgezet hoe de Unie een gedaantewisseling heeft ondergaan en Biscop beveelt de Unie aan zich in deze nieuwe context nog assertiever en strategischer te gedragen buiten de eigen grenzen.

Bart Haeck brengt in kaart hoe in België de pro-Europese consensus de voorbije jaren is verdwenen. Voorheen was er sprake van een zeer breed gedragen geloof in de Europese Unie. Niet een geloof dat met veel passie werd beleden, eerder een passieve aanvaarding dat Europa ons vrede en welvaart heeft gebracht door de slagbomen aan de binnengrenzen af te schaffen, en het zich verder niet met zaken bezighield waar we van wakker moesten liggen.

Sinds een paar jaar komt er echter kritiek op de EU uit alle hoeken. Waar niet zo lang geleden zelfs extreemrechts voorzichtig was in haar Europa-standpunten, komen er nu scherpe commentaren zowel van links, rechts, als uit het centrum. Haeck toont hoe ten aanzien van detachering en het vrijhandelsakkoord met Canada het geklaag vooral vanuit linkse hoek komt, maar hoe in de migratiecrisis ook rechts met de vinger naar Europa wijst. Recenter is Europa vooral bij Vlaams-nationalisten ook kop van jut door haar aarzelend optreden in het Spaans-Catalaanse conflict. Onder maatschappelijke groepen zijn zowel vakbonden ontevreden over sociale dumping, landbouwers over de lage prijzen en strenge regels, als zelfs ondernemers over de stokken die Europa in de wielen van Oosterweel steekt.

Haeck lijkt de toegenomen contestatie van Europa wel te begrijpen, maar heeft er duidelijk ook een ongemakkelijk gevoel bij. Hij ziet dit grotendeels als het gevolg van een democratisch probleem, waarbij nationale politici gemakkelijk de schuld op de EU steken voor onpopulaire maatregelen, maar vergeten te verdedigen wat ze mee in Brussel hebben beslist en de Unie lof toe te werpen wanneer het haar toekomt. In vijf oplossingen voor dit democratisch probleem, pleit Haeck dan ook vooral voor een hygiënischer debat.

Voor van Middelaar is het toegenomen conflict deel van de nieuwe politiek van Europa. In vier delen brengt hij in zijn boek zeer nauwkeurig in kaart hoe de Unie onder druk van de recente crisissen is getransformeerd van een marktmeester die zich vooral bezighield met 'regelen' naar een actor die ook moet 'handelen'. Het eerste is een taak waar technocratische instellingen geschikt voor zijn, het tweede is voer voor echte politieke organen.

Van Middelaars nieuwe boek komt bijna een decennium na zijn alom geprezen De passage naar Europa (2009). In de recente evolutie van de EU, die hij van binnenuit heeft meegemaakt, ziet hij zijn voornaamste argument uit dat boek bevestigd. De voorbije jaren is de Europese Raad, de verzameling van Staats- en Regeringsleiders, nog meer de belangrijkste instelling geworden in Brussel. In deze 'tussensfeer', die zich bevindt tussen de 'echte' supranationale instellingen Europese Commissie en Parlement, maar boven de individuele landen, kunnen de lidstaten gezamenlijk handelen. Enkel hier, zo betoogt van Middelaar, is er voldoende autonomie en legitimiteit aanwezig om ook echt te kunnen regeren op Europees niveau, in plaats van louter te reguleren.

Met veel oog voor detail beschrijft van Middelaar hoe de eurocrisis de Unie dwong om te improviseren buiten de Verdragen om, hoe in de Oekraïne-crisis Europa moest onderhandelen over de hard politics van oorlog, vrede en grenzen, en in de vluchtelingencrisis ze zelf haar buitengrens moest beschermen. Na de verkiezing van Donald Trump, ten slotte, is het besef ook helemaal neergedaald dat Europa haar lot ook geopolitiek in eigen handen moet nemen.

In deze afzonderlijke gebeurtenissen die Europa tot handelen dwong op een 'politieke' manier die het niet gewend is, ziet van Middelaar een patroon. De politiek filosoof herkent in veel ogenschijnlijk onbelangrijke details betekenis, zonder dat het gaat storen. Hij ziet bijvoorbeeld belang in het feit dat het uiteindelijk in Franse en Nederlandse referenda gesneuvelde 'Grondwettelijk Verdrag' luisterrijk in het Capitool in Rome werd ondertekend, maar de opvolger 'Verdrag van Lissabon' buiten het zicht in een klooster aan de rand van de Portugese hoofdstad. De dubbele nee tegen de Grondwet had de Europese leiders opnieuw bang gemaakt van het publiek.

Zo legt hij ook uit hoe de manier waarop er omgegaan is met de crisissen overeenkomt met een historisch 'bouwplan' van Europa dat wellicht het minst gekend, en zeker in Brussel het minst geliefd, zelfs taboe, is. Terwijl sommigen Europa zien als een 'depolitiseringsmachine' die louter een markt moet regelen, dromen anderen van een echte Europese federatie met een sterk Europees Parlement en de Commissie als echte regering. Wat we in de plaats zien gebeuren, aldus van Middelaar, is de uitvoering van een derde ontwerp, dat in het verleden vaak door Fransen is voorgesteld. Een waar de leiders van de (grote) lidstaten samenkomen om Europa te regeren. De emancipatie van de échte uitvoerende macht in Europa.

In het laatste hoofdstuk legt van Middelaar uit hoe deze verpopping van de Unie tot een handelende actor ook oppositie met zich meebrengt, en ook nodig heeft. Het publiek heeft pas via de crisissen ontdekt dat er belangwekkende zaken gebeuren op het Europese toneel. Daarbij zijn de echte acteurs waarvoor het komt kijken geen Commissarissen of Europese Parlementsleden, maar de Staats- en Regeringsleiders in de Europese Raad. Tsipras in de eurocrisis, Sarkozy in de oorlog tussen Rusland en Georgië, Orban in de vluchtelingencrisis. En Merkel, natuurlijk, altijd Merkel, voor wie van Middelaar zijn bewondering niet kan wegsteken.

Het probleem is dat dit politiekere Europa nog geen plaats voor wenselijke oppositie heeft gevonden. Daardoor is de enige oppositie die echt speeltijd krijgt ronduit Euro-sceptische tegenstand. In een Unie geleid door de tussensfeer van verzamelde regeringsleiders is nochtans veel oppositie mogelijk die vandaag onbenut wordt, aldus van Middelaar. Tussen lidstaten onderling, tussen Europese Raad en Europees Parlement, tussen nationale oppositie en nationale regeringen waarbij dat individueel en in transnationaal verband kan gebeuren, en tussen verschillende discours.

De politisering van de EU (Haeck) dwingt de Unie dus tot handelen (van Middelaar), iets wat nog onwennig aanvoelt. Sven Biscop neemt hier de draad op en richt zich op de internationale rol van Europa. Zaken die ook in de andere boeken aan bod komen zoals Brexit, de Krim-oorlog, de vluchtelingencrisis en het trans-Atlantisch partnerschap na Trump, dwingen de Europese Unie om zich ook internationaal duidelijker te profileren. Een citaat van Merkel dat ook bij van Middelaar belangrijk is, is het uitgangspunt van Biscop: 'Europa moet zijn lot echt in eigen handen nemen. De tijden dat we volledig konden vertrouwen op anderen zijn voor een stuk voorbij'.

Om dat te kunnen doen, heeft Europa vooral nood aan een duidelijke strategie. Volgens Biscop verloopt de bepaling daarvan in drie stappen. Ten eerste moet het antwoord op de vraag 'wie zijn we?' ons in staat stellen onze vitale belangen te definiëren. Vervolgens moet de analyse van de geopolitieke situatie in onze omgeving ons toelaten prioriteiten te stellen. Op basis van die prioriteiten, ten slotte, kunnen we instrumenten en middelen toewijzen.

Volgens Biscop is wat Europa uniek maakt de welvaartsstaat. De voornaamste waarde die deze welvaartsstaat schraagt is dan ook 'gelijkheid'. Hij stelt dat gelijkheid dan ook de leidraad moet zijn in ons buitenlands beleid. Deze waarde deelt hij verder op in politieke gelijkheid, economische gelijkheid en gelijke veiligheid. Op die manier overstijgt Biscop de inderdaad zinloze opdeling tussen 'waarden' en 'belangen'.

Europa moet dan ook optreden daar waar ons samenlevingsmodel wordt bedreigd en kan samenwerken met derde landen telkens er zich een win-win opportuniteit voordoet om gelijkheid op politiek, economisch of veiligheidsvlak te bevorderen. Dat noemt Sven Biscop 'principieel pragmatisme', een concept dat ook centraal staat in de recente Global Strategy van de EU. Dat leidt onder meer tot de controversiële stelling dat de EU de relaties met Rusland beter kan compartmentaliseren in een politiek, economisch en veiligheidsluik. Zelfs al is het momenteel onmogelijk om samen te werken op politiek en veiligheidsvlak, dan mag dit geen economische samenwerking in de weg staan die tot economische ontwikkeling en gelijkheid zou leiden.

Lezers van dit blad zullen geen probleem hebben met het uitgangspunt van het boek, dat de welvaartsstaat de hoeksteen van Europa is, maar misschien meer uitgedaagd worden door de gevolgtrekking van Biscop, dat we die welvaartsstaat dan ook op een pragmatische manier en met de inzet van alle mogelijke middelen moeten verdedigen en uitdragen, indien nodig zelfs militair.

Alle drie de boeken kunnen optimistisch genoemd worden. Ze zien de meervoudige crisis die de Unie heeft doorgemaakt ook als een kans. Om de verliezers van Europese integratie een stem te geven zonder het grotere plaatje uit het oog te verliezen, om voorbij de dichotomie technocratie-federale democratie een efficiënte en democratische Unie vorm te geven, en om de Unie met meer assertiviteit extern te laten optreden om die andere naoorlogse verwezenlijking, de welvaartsstaat, te beschermen.

De drie boeken brengen elk afzonderlijk, en zeker samen, helderheid in de toestand van Europa. Maar ze laten ook ruimte voor vragen en debat; de auteurs zouden het ook niet anders gewild hebben. Is een eerlijker debat voldoende om de Europese Unie te democratiseren, of hebben de verliezers meer nodig dan een stem? Dreigt een Unie bestuurd door de Europese Raad niet de facto tot dominantie van de grote landen te leiden, en dus een potentieel verscheurende opstand van de kleine lidstaten? Kan Europa de welvaartsstaat beschermen door vooral op een coöperatieve manier aan buitenlands beleid te doen, op zoek naar wederzijdse voordelen daar waar er kansen toe zijn?

De argumenten van de drie boeken hebben alleszins een lange houdbaarheidsdatum: de politisering van de Unie gaat niet meer weg, de Europese Raad heeft zich tot machtigste instelling gemanifesteerd en moet op zoek naar een juiste verhouding tot de andere instellingen en het publiek, en de EU zal zelf meer haar belangen moeten verdedigen in de wereld. Wie mee wil kunnen discussiëren over de toekomst van de EU, weet welke eindejaarsgeschenken te vragen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 10 (december), pagina 70 tot 74