Log in

Het einde van het fiscaal 'ancien régime'?

redactioneel

'I cant' believe the news today'. Die regel uit één van de grootste hits van U2 was de laconieke reactie van tal van twitteraars nadat bleek dat ook frontman Bono betrokken was bij de Paradise Papers. Persoonlijk moest ik onwillekeurig denken aan regel uit een andere megahit van de Ierse popgroep: 'Is it getting better or do you feel the same?'. De Paradise Papers zijn immers het tigste schandaal in een lange reeks. Samen hebben ze één verdienste: ze houden de druk op de politieke ketel. Maar voorlopig blijft die ketel het houden en roeren beleidsmakers in hetzelfde potje roeren. In z'n bijdrage vergelijkt de Gentse onderzoeker Wouter Lips die aanpak met het dichten van een lekkend schip met oude wijnkurken. Nochtans zijn er goede redenen om het over een andere boeg te gooien, want het probleem beperkt zich niet tot een paar rotte appels - zoals een Ierse popzanger of een paar individuele bedrijven - in de mand. Neen, de mand zelf is tot op de draad versleten.

GLOBALE ECONOMIE, NATIONALISTISCHE FISCUS

Belastingontduiking of fraude bestaat waarschijnlijk al zo lang als belastingen bestaan. Voordat staten na de Eerste Wereldoorlog begonnen met de uitbouw van een sociaal beleid en dus een stabiele inkomstenstroom via directe belastingen nodig hadden, financierde die staat zich vooral via indirecte belastingen zoals douanerechten, allerlei accijnzen of belastingen op zaken als 'meubilair', 'deuren' of 'vensters'. Op zich was dat zelfs vrij progressief: want hoe rijker, hoe meer deuren en vensters. Maar het was meteen ook de reden waarom mijn grootvader de drastische beslissing nam de ramen van de bovenste verdieping dicht te metsen. Van alle tijden dus, maar je moet het ten strengste bestrijden. Met bazooka's en andere grote kanonnen, zoals Karel Anthonissen schrijft verderop in dit nummer.

Een veel fundamenteler punt waarop ook het recentste fiscale datalek wijst, is de fundamentele onaangepastheid van het internationaal fiscaal regime aan de realiteit van een geglobaliseerde economie. Multinationale ondernemingen weten grenzen en fiscale potentiaalverschillen meesterlijk naar hun hand te zetten terwijl de fiscus in wezen een nationalist blijft die niet veel verder kijkt dan z'n nationale neus lang is. Die globalisering terugdraaien is niet mogelijk en zelfs niet wenselijk, dus rest er enkel de oplossing om ook de fiscale spelregels te globaliseren. Dat betekent dat er een bodem in het systeem moet worden gelegd, een minimale bescherming voor de belastbare basis. Het staat landen dan nog altijd vrij te kiezen voor een nog betere bescherming, maar ze mogen niet onder de lat gaan. Klinkt utopisch? Voor intellectuele eigendomsrechten is zo'n bodem wel vastgelegd in een verdrag van de Wereldhandelsorganisatie. Wat kan voor intellectueel eigendom, moet toch ook kunnen voor het beschermen van de fiscale basis? Een mondiale fiscale autoriteit, bijvoorbeeld in de schoot van de VN, zou al een eerste goede stap zijn.

MOTOR VAN ONGELIJKHEID

Nog een reden om werk te maken van die fiscale globalisering, is de vaststelling dat belastingontwijking een motor is van ongelijkheid. Enerzijds blijft belastingontwijking sterk beperkt tot de absolute toplaag van de samenleving. Ongeveer de helft van het vermogen in belastingparadijzen is afkomstig van gezinnen die meer dan 50 miljoen dollar bezitten. Die gezinnen vertegenwoordigen niet meer dan één tienduizendste (0,01%) van de bevolking in ontwikkelde economieën. Dat blijkt uit recente cijfers van de Franse econoom Gabriel Zucman, die z'n onderzoek trouwens baseerde op de miljoenen gelekte documenten. Rijke mensen ontwijken verhoudingsgewijs veel meer belastingen dan arme mensen.

Die ongelijkheid zien we ook geografisch. Omdat de belastbare basis in ontwikkelingslanden meer dan elders bepaald wordt door multinationals, treft het gebrek aan fiscale globalisering ontwikkelingslanden dus veel harder. Voorzichtige schattingen van het IMF tonen dat het verlies van belastinginkomsten voor ontwikkelingslanden tot 1,75% van het bnp bedraagt. Dat is - relatief gesproken - drie maal meer dan in ontwikkelde economieën.

DE VENNOOTSCHAPSBELASTING AFSCHAFFEN

En als die fiscale globalisering niet van de grond wil komen, waarom schaffen we de vennootschapsbelasting dan niet gewoon af. Geen vennootschapsbelasting betekent ook geen rulings, geen talloze aftrekken en gunstregimes en veel minder druk van allerlei lobby's die altijd wel een goede reden hebben waarom zij precies de fiscale dans moeten ontspringen. De economie zou bovendien aan efficiëntie winnen want investeringsbeslissingen zouden niet meer afhangen van de meest succesvolle fiscale strategie dan wel de economische strategie. Maar misschien wel de beste reden voor het afschaffen van de winstbelasting is dat daarmee meteen ook de bestaansreden van belastingparadijzen zou verdwijnen.

Toch is dat een zogenaamd 'fausse bonne idée'. Nog los van de impact op ongelijkheid (winstbelasting maakt dat een deel van de winst via de overheid naar de werknemers terugvloeit), zou het verdwijnen van de vennootschapsbelasting de bodem uit de personenbelasting kunnen slaan. Gefortuneerden zouden hun inkomsten in een vennootschap parkeren en claimen dat hun inkomsten eigenlijk vennootschapswinsten zijn. Dat zou je kunnen opvangen met een stevige belasting op het uitkeren van de winst - op dividenden en meerwaarden dus - maar ook daarvoor heb je die fiscale globalisering nodig, in de vorm van een wereldwijd vermogenskadaster en waterdichte transparantie.

PARADIGMASHIFT

De wijnkurken die vandaag moeten dienen om het lekkende schip te dichten komen uit Parijs. Daar werkt de OESO - de club van rijkste landen - aan een uitgebreid programma om 'winstverschuiving en basiserosie' aan te pakken (het zogenaamde BEP-plan). Zelf spreekt de OESO in dat verband graag van een 'paradigmaverschuiving die fiscale planning naar de marge zal terugdringen'. Een paradigmaverschuiving is het niet geworden. Daarvoor is het plan niet alleen te vrijblijvend, maar laat het ook na de bakens te verzetten naar meer fiscale globalisering. De OESO beperkt zich (noodgedwongen) tot het formuleren van 'best practices', algemene richtlijnen die individuele landen nog heel wat speelruimte geven om ze zelf in te vullen. Ook binnen Europa lukt die coördinatie zeer moeilijk. Daar zit je met de noodzaak dat voor fiscale maatregelen volledige unanimiteit nodig is onder de lidstaten. Beide fora hebben onvoldoende sleutels in handen om free rider-problemen en een race to the bottom te stoppen.

Gebrek aan internationale coördinatie en fiscale concurrentie als fundament van een fiscaal 'ancien régime' blijven dus - ook in Europa - overeind. Als we die internationale fiscaliteit echt in een andere baan willen duwen, de motor van ongelijkheid willen doen sputteren, dringt een echte paradigmaverandering zich op en moet het systeem gebaseerd op fiscale competitie herdacht worden ten voordele van fiscale samenwerking. Net zoals de wereldgemeenschap in Parijs in 2015 overeen kwam dat de aarde niet meer dan 1,5 graden mag opwarmen, moeten verantwoordelijke leiders streven naar een wereldwijd akkoord om een einde te maken aan financiële geheimhouding en belastingmisbruik. Zo niet valt er morgen of overmorgen alweer een rotte appel door de mand.

Samenleving & Politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 10 (december), pagina 1 tot 3