Log in

'De winnaarseconomie. Uitdagingen en kansen van de digitale revolutie'

Uitgelezen

De auteur is hoofdeconoom van BNP Parisbas Fortis. Hij heeft samen met zijn uitgever een mooi boek afgeleverd. Ik schrijf dat met plezier, want in deze digitale tijden is dat niet meer altijd vanzelfsprekend. Het is door vakmensen gemaakt, maar er ligt ook een goed concept aan de basis. De auteur heeft een hele rist specialisten geraadpleegd, die hij geregeld aan het woord laat. Ieder hoofdstuk wordt afgesloten met een interview. Ook enkele politici komen aan het woord. Er zijn talrijke tabellen en grafieken en in ieder hoofdstuk staat een bondige en heldere samenvatting. Puik resultaat.

De winnaarseconomie. Uitdagingen en kansen van de digitale revolutie

Koen De Leus
Lannoo, Tielt, 2017

En inhoudelijk? Zijn belangrijkste stelling lijkt me: de recente technologische vooruitgang heeft niet geleid tot een productiviteitsstijging die nodig is om de welvaart voor iedereen te laten stijgen en daar moet verandering in komen. De productiviteit moet absoluut aantrekken! Onze economie is een winnaarseconomie, waar de winnaar alles binnenhaalt en de anderen op hun honger blijven zitten. We zullen toch middelen moeten vinden om zoveel mogelijk mensen aan boord te houden.

Gedurende 50.000 jaar was de groei heel beperkt, de economie modderde maar wat aan. Tussen 1300 en 1700 was er een groei van 0,2% per jaar. Sinds 1870 zorgden de vier industriële revoluties voor een groei van 2,2% per jaar. Vanaf de jaren 1970 is het gestopt. We zien een razendsnelle verbetering van de technologie die producten levert aan een steeds lagere prijs, maar de productiviteit volgt niet. De Leus heeft het over een productiviteitsparadox, waar verschillende verklaringen voor zijn.

Voor een stuk is de zichtbaarheid van de productiviteitsstijging bemoeilijkt. Ze was er wel, maar ze ging naar de consument die kon genieten van goedkopere apparaten op het vlak van ontspanning en communicatie. Het inkomen per hoofd is niet veel gestegen, maar met eenzelfde inkomen kan de consument vandaag meer doen. Terwijl die kwaliteitsverbetering voor de consument niet verrekend wordt, werden de productieprocessen niet efficiënter. De Leus moet wel toegeven dat een eventuele verrekening de productiviteit toch niet heel veel zou doen stijgen. Hij heeft ook nog algemenere bemerkingen bij de methode om het bbp te meten, die geen rekening houdt met wat 'gratis' wordt geleverd (Skype, Wikipedia, enzovoort). Daardoor is er gewoon iets mis met de officiële statistieken. Correctere statistieken zouden echter toch niet veel meer productiviteitsgroei tonen, misschien 1,7 à 1,9%. Dat is natuurlijk minder dan tijdens de Industriële Revolutie.

Wordt dat ooit weer anders? Er moet vooral geïnvesteerd worden in Onderzoek en Ontwikkeling. Daarbij is het cruciaal dat de overheid haar deel doet, want voor de privé is de opbrengst veel te onzeker. Het is niet goed dat die overheid op dat vlak juist steeds minder doet. Ook in onderwijs moet meer geïnvesteerd worden. De Leus hoopt dat McKinsey's gelijk heeft en dat er op termijn tot 4% groei komt.

De economie is geëvolueerd van een wereld van beperkingen naar een wereld van overvloed. Vroeger waren niet alle goederen beschikbaar en waren er geografische en tijdgebonden beperkingen. Door drie nieuwe ecosystemen is dat anders geworden: deeleconomie, onlinediensten en internet of things. In de wereld van overvloed speelt de concurrentie wereldwijd, onbeperkt en dag en nacht. Bedrijven worden anders, niet meer horizontaal en onderdeel van netwerken. Deterministische planningscyclussen worden vervangen door flexibele experimenteercyclussen, die ook mislukkingen toestaan. De tijd dat bedrijven alles zelf kunnen, is voorbij. Op dat vlak staat de dienstensector nog maar aan het begin.

We zien een verschuiving naar minder betaalde jobs en veel bediendenjobs verdwijnen. We hoeven dat niet te overdrijven en we zien zeker op mondiaal vlak een vermindering van de ongelijkheid. Maar toch zijn we misschien wel op weg naar de limieten aan de ongelijkheid: 'Het stemt minstens tot nadenken dat we vandaag op een vergelijkbaar niveau van ongelijkheid zitten als net na de Eerste Wereldoorlog, of net voor de Grote Depressie van de jaren 1930' (160). De eerste slachtoffers zijn de lagere inkomens uit de rijkere landen. Die ongelijkheid kan echter niet verder oplopen, zonder de digitale revolutie en de productiviteitsgroei in gevaar te brengen. Voorlopig is een basisinkomen onbetaalbaar, laat ons daarom maar beginnen om iedereen maximaal in te zetten. We mogen lager geschoolden niet in de vergeetput laten zitten.

De laatste twee hoofdstukken van het boek gaan over respectievelijk gezondheid en beleggen. De auteur gaat de discussie aan over de kost van de gezondheidszorgen. Belangrijk is dat de verwachte stijging van die kost maar voor een beperkt deel aan de vergrijzing te wijten is. Het gaat veel meer over nieuwe ziektepatronen, nieuwe technologieën en … een gebrek aan productiviteitsstijging. De oplossing ziet de auteur in een alternatief voor de huidige financiering (een enveloppe- of forfaitair systeem) en een inperken van de overconsumptie. In het hoofdstuk over beleggen stelt De Leus de vraag welke strategie iemand die veel geld te beleggen heeft best volgt. Hij moet proberen te investeren in toekomstige marktleiders, maar omdat dit moeilijk te voorspellen valt belegt hij toch best als een schildpad, die zijn eieren op verschillende plaatsen achterlaat. In dat hoofdstuk kun je de antwoorden lezen van een enquête die bij 31 beursgenoteerde bedrijven uitgevoerd werd over hoe ze zich voorbereiden op de digitale revolutie.

Ik besef dat dit een zeer ruwe samenvatting is, maar ik verwijs de lezer graag naar de resumés in het boek zelf. Ik heb geprobeerd een algemene lijn vast te pakken. Dat doet ongetwijfeld een bepaalde rijkdom van het boek te kort, maar het laat me toe de zwakte van het paradigma dat er aan ten grondslag ligt te tonen. Want het gaat toch echt wel om een paradigma: we moeten groeien, steeds meer. Het is bijna ontroerend om te merken dat de auteur eerst nog zijn best doet om aan te tonen dat we toch wel meer groeien dan we op het eerste zicht zouden denken. Maar het is voor hem niet voldoende, het moet gewoon meer zijn dan wat het ooit was en liefst een verdubbeling. Hij begint dan maar over innovatie en onderwijs. Interessant is dat hij toegeeft dat de overheid daar een cruciale rol in moet spelen, omdat de privé de onzekerheid niet aankan.

Wordt het echter geen tijd om anders over economie te denken? Wie groei als een fetisj aanbidt is misschien verblind. De productiviteit is inderdaad duizenden jaren min of meer stabiel gebleven. En het zou dwaas zijn om te doen alsof dat de gouden tijd was. Maar is met de Industriële Revolutie toch niet iets fundamenteel fout gelopen? Plots ging het niet meer over wat mensen nodig hadden, maar over groei. En we doen dan graag alsof die nieuwe wereld een wereld van overvloed is. Het is integendeel een wereld van georganiseerde tekorten en schaarste. Van uitbuiting ook. De Leus heeft in verschillende opzichten een mooi boek geschreven, maar misschien moet hij toch eens zijn paradigma in vraag stellen. Revolutie wilde in het verleden inderdaad ook zeggen: oude paradigma's achter zich laten. De bedrijven werken vandaag anders, minder hiërarchisch en statisch. Misschien is dat het echte vertrekpunt. Misschien is het geen noodzakelijkheid dat de winnaar alles meepikt. En o ja, ik vind het tegelijk symptomatisch en ergerlijk dat er in het boek geen hoofdstuk over klimaat en milieu in het algemeen staat. Zal die problematiek niet de toekomst van de economie bepalen?

Samenleving & Politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 7 (september), pagina 93 tot 95