Log in

Hoe greep te krijgen op toekomstige migratiestromen

Hoewel door de EU-Turkije deal de Egeïsche route werd gesloten en er deze zomer ook opvallend minder aankomsten waren in Italië, geven trends in de onderliggende oorzaken van migratie aan dat de migratiedruk naar Europa in de komende decennia waarschijnlijk nog zal toenemen. Gecoördineerde EU-acties zijn nodig om het contraproductieve ‘beggar-thy-neighbor’-beleid door individuele regeringen te doorbreken. Het is onaanvaardbaar dat de problematiek naar de buurlanden wordt doorgeschoven. Ook het versterken van de samenwerking met derde landen is essentieel voor het beheer van toekomstige migratiestromen en de reductie van globale ongelijkheid.

EEN RECORDAANTAL ONTHEEMDEN

Het aantal mensen op de vlucht voor conflict, oorlog en vervolging is de afgelopen jaren aanzienlijk toegenomen. Volgens cijfers van UNHCR, de VN-Vluchtelingenorganisatie, waren eind 2016 maar liefst 65,6 miljoen (1 op 113) mensen wereldwijd gedwongen ontheemd. Dit is het hoogste aantal sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog. Een derde van de ontheemden zijn vluchtelingen die naar het buitenland zijn gevlucht en asielzoekers die in het buitenland internationale bescherming zoeken. De rest is op de vlucht binnen de eigen landsgrenzen.

De sterkste stijging werd geregistreerd tussen 2012 en 2015 en was vooral gestuurd door de burgeroorlog in Syrië. Maar de toename was ook te wijten aan andere conflicten in de regio, zoals in Irak en Jemen, evenals in landen in sub-Sahara Afrika waaronder Burundi, de Centraal-Afrikaanse Republiek, de Democratische Republiek Congo, Zuid-Soedan en Soedan. Meer dan de helft van de 17,2 miljoen vluchtelingen die onder de bevoegdheid van de UNHCR vallen (de 5,3 Palestijnse vluchtelingen worden hier buiten beschouwing gelaten) is afkomstig uit drie landen: Syrië, Afghanistan en Zuid-Soedan. Samen met Irak hebben deze landen dan ook het grootste aantal ontheemden. Volgens UNHCR vroegen in 2016 nogmaals 2,8 miljoen mensen wereldwijd asiel aan. De meeste van de nieuwe applicaties (722.400) werden ingediend in Duitsland, gevolgd door de Verenigde Staten (262.000), Italië (123.000) en Turkije (78.600).

De meerderheid van de vluchtelingen is jonger dan 18 jaar. In 2016 werden niet minder dan 75.000 asielverzoeken ingediend door kinderen - vooral uit Afghanistan en Syrië - die alleen reisden of van hun ouders gescheiden zijn. Dit zijn zorgwekkende cijfers gezien minderjarigen in ballingschap extra kwetsbaar zijn voor misbruik, verwaarlozing, geweld, uitbuiting of mensenhandel.

Men kan zich de vraag stellen waarom niet iedereen die leeft in conflictgebied op de vlucht slaat. De voornaamste reden is dat emigratie geld kost en toegang tot informatie vereist waardoor een vorm van zelf-selectie onder mogelijke migranten tot stand komt (Borjas, 1987). Heel wat migratiestudies wijzen hierbij op het belang van scholing en inkomen, maar ook minder tastbare kenmerken zoals ambitie, risicoaversie of bekwaamheid kunnen hierbij een rol spelen (McKenzie en Rapoport, 2010; Bertoli et al., 2013). Of dezelfde karakteristieken ook voor asielzoekers doorslaggevend zijn, is voorlopig nog onduidelijk. Recent onderzoek laat alleszins vermoeden dat dit het geval is. Een studie van UNHCR toonde aan dat 86% van de Syrische asielzoekers die in 2015 in Griekenland aankwamen een diploma secundair of universitair onderwijs hadden. De meesten waren studenten en vakkundigen, waaronder lesgevers, advocaten, artsen en IT-specialisten.

Deze zelf-selectie heeft belangrijke implicaties voor zowel het herkomst- als het bestemmingsland. Indien vooral hoogopgeleiden het land verlaten (brain drain) kan dit de samenstelling en meteen ook het toekomstperspectief van de achtergebleven bevolking negatief beïnvloeden (Docquier et al., 2014). Aangezien hoogopgeleiden en de hogere middenklasse over het algemeen meer politiek actief zijn, kan hun emigratie de kwaliteit van de instellingen in hun land verzwakken. In het geval van vluchtelingen kan dit daarenboven toekomstige vreedzame oplossingen bemoeilijken. Anderzijds kunnen vluchtelingen via politiek activisme (bijvoorbeeld door de regering van het gastland te overtuigen om financiële steun te bieden of net te blokkeren, of om economische sancties op te leggen) de opbouw van democratische instellingen in hun herkomstland stimuleren (Docquier et al., 2014). In bestemmingslanden verhogen hogeropgeleide vluchtelingen het scholingsniveau van de bevolking terwijl het stimuleren van hun integratie relatief minder middelen vergt.

WAT DRIJFT DE MIGRATIESTROMEN?

De empirische literatuur over de drijfveren van asielstromen is gering (vooral omwille van databeperkingen), maar geeft eenduidig aan dat de belangrijkste drijfveren bestaan uit gewapende conflicten, burgeroorlogen, geweld vanwege de overheid of rebellengroepen, volkerenmoord en terreur. De toenemende mensenstromen kunnen dus bovenal verklaard worden door de verslechterende politieke situatie in de belangrijkste herkomstlanden. Het valt echter niet uit te sluiten dat er zich onder de mensenstroom ook migranten bevinden die uit eigen beweging hun land verlaten, bijvoorbeeld om economische of familiale redenen. Maar alleen wie kan aantonen dat hij of zij vervolgd of door oorlog bedreigd wordt, of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer loopt, heeft recht op internationale bescherming en kan respectievelijk de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus bekomen. Landen hebben geen internationale verplichtingen tegenover vrijwillige migranten en kunnen hen dus de toegang tot het land ontzeggen of terugsturen. Recente cijfers tonen echter aan dat de overgrote meerderheid vluchtelingen, en geen vrijwillige migranten, zijn. Zo verleende de EU in 2016 volgens Eurostat ondanks een relatief streng asielbeleid bij de eerste aanvraag internationale bescherming aan 98% van de asielzoekers uit Syrië, 93% uit Eritrea en 66% uit Somalië, de drie belangrijkste herkomstlanden.

Een verbetering in deze drijfveren lijkt niet onmiddellijk in zicht. Bestaande conflicten zoals in Somalië houden aan en nieuwe conflicten op plaatsen als Zuid-Soedan creëren nieuwe vluchtelingenproblemen. Bovendien geven UNHCR-data aan dat door de voortdurende conflicten ook het aantal vluchtelingen dat naar huis terugkeert (een half miljoen in 2016) historisch laag is. De omstandigheden waarin deze repatrianten terechtkomen, zijn niet altijd optimaal en voor velen blijven de vooruitzichten onzeker. Men hoort wel eens dat het terugkeerbeleid faalt, maar het is maar de vraag of een vlotte terugkeer verwacht kan worden naar landen waar de situatie nauwelijks lijkt te veranderen.

Eén van de meest controversiële argumenten in het migratiedebat heeft betrekking op het mogelijke aanzuigeffect van zoek- en reddingsacties op de Middellandse Zee. Er is weliswaar geen enkel bewijs dat deze meer migranten zouden aantrekken of dat het stopzetten ervan iets zou veranderen, behalve het dodentol opdrijven. Dat laatste werd pijnlijk duidelijk toen de Italiaanse overheid in 2014, omwille van de te hoge kosten, de Mare Nostrum reddingsacties stopzette en deze werden overgenomen door de operatie-Triton die onder beheer van het Europese Frontex met een veel kleiner budget en dichter bij de Italiaanse kust opereerde. Volgens de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) bleven de migratiestromen sindsdien onverminderd, maar nam het aantal verdrinkingen dramatisch toe. Het is een illusie te denken dat het stopzetten van reddingsacties mensen zou afschrikken om de overtocht te maken. Vaak hebben ze als ze de kust bereiken al een lange uitputtende en gevaarlijke reis overleefd, soms nadat ze zelfs weken en maanden hebben doorgebracht in onmenselijke omstandigheden in Libische detentiekampen. De reden dat ze ondanks de gevaren voor deze route kiezen, is omdat andere - legale - routes over land of per vliegtuig zijn afgesloten.

WAAR KOMEN VLUCHTELINGEN TERECHT?

In tegenstelling tot de huidige perceptie verblijven de meeste vluchtelingen (84%) in ontwikkelingslanden, waarbij steeds meer mensen worden opgevangen in de minst ontwikkelde landen van de wereld. Deze landen hebben vaak niet de middelen en voorzieningen om vluchtelingen en andere ontheemden te ondersteunen, waardoor instabiliteit geëxporteerd kan worden en nieuwe conflicten kunnen ontstaan. De meeste vluchtelingen maken het slechts tot de buurlanden. Nauwelijks 12% van de Syrische vluchtelingen en 7% van de Afghanen, bijvoorbeeld, woont in het Westen. Geen van de vluchtelingen in Zuid-Soedan heeft in het Westen asiel aangevraagd. Tal van studies tonen aan dat de meeste vluchtelingen zich eerst tijdelijk in een andere regio binnen hun land of net voorbij de grens met buurlanden vestigen in de hoop snel naar huis te kunnen terugkeren. Pas als het conflict escaleert en zich over het hele land verspreidt, zien mensen zich gedwongen naar verder afgelegen landen te trekken op zoek naar permanente bescherming (Melander and Öberg, 2007).

Dat verklaart waarom steeds meer mensen hun toevlucht zoeken in Europa. Op een paar uitzonderingen na (zoals de mogelijke terugkeer van bijna 6 miljoen intern ontheemde Colombianen na een vredesakkoord tussen de regering en de guerrilla's) wordt het probleem alleen maar erger. Bijgevolg wordt de vluchtelingencrisis ook in Europa steeds meer voelbaar. Tot en met 2012 rapporteerde Eurostat een geleidelijke toename van het aantal eerste asielaanvragen van niet-EU-onderdanen binnen de EU, waarna het aantal asielzoekers sneller begon te stijgen met 431.000 applicaties in 2013, 627.000 in 2014 en ongeveer 1,3 miljoen in zowel 2015 en 2016. Volgens Frontex zijn dit jaar alweer meer dan 100.000 mensen per boot in Europa aangekomen en stierven ongeveer 2.300 mensen in de poging.

Wat bepaalt nu de keuze van het bestemmingsland van vluchtelingen en asielzoekers? Uit onderzoek blijkt dat de meesten niet worden aangetrokken door zogenaamde pull factoren in bestemmingslanden maar hun land voornamelijk verlaten omwille van push factoren. Een recente studie van Hatton (2015), bijvoorbeeld, toont aan dat hoewel een streng asielbeleid een potentieel gastland effectief onaantrekkelijker maakt, de bestemmingskeuze weinig wordt beïnvloed door economische omstandigheden in dat land. Deze bevindingen ontkrachten nogmaals de misvatting dat asielzoekers niet meer dan verdoken economische migranten zouden zijn (Chin en Cortes, 2014).

HOE DE MIGRATIESTROMEN BEHEREN?

Hoewel de vluchtelingen en asielzoekers in het Westen dus slechts een fractie van het totaal aantal ontheemden in de wereld uitmaken, krijgen zij vaak de meeste aandacht omdat westerse overheden moeite ervaren om een gepaste beleidsrespons te ontwikkelen. Dat uit zich onder meer in duizelingwekkende cijfers over migranten die sterven op de Middellandse Zee, evenals in de criminalisering van ngo's die reddingsoperaties uitvoeren, de heropleving van xenofobie en de versterking van nationalisme binnen Europa. De term 'vluchtelingencrisis' verwijst dan ook meestal naar het aantal aankomsten en het (on)vermogen van de EU om hen op te vangen, eerder dan naar de risico's en het lijden waarmee mensen die vluchten voor oorlog en ontbering worden geconfronteerd.

Maar zoals de secretaris-generaal van de VN, António Guterres, aangeeft is het onrechtvaardig dat de nabijheid tot een oorlogszone de verantwoordelijkheid van een land tegenover vluchtelingen zou bepalen. Om dit te voorkomen roept het vluchtelingenverdrag van 1951 de deelnemende landen op om te handelen 'in de geest van internationale samenwerking', weliswaar zonder specifieke verplichtingen op te leggen. In 2015 onthulde de vluchtelingencrisis echter de zwakke punten in het globale vluchtelingenbeleid. Europa leerde toen dat de zorgvuldig geconstrueerde asiel- en grensregels niet waren opgewassen tegen de massale migratiestromen naar het continent. Sinds de ratificatie van het Verdrag van Lissabon valt het asielbeleid onder de bevoegdheid van de EU. Het niveau van harmonisatie blijft echter zwak en lidstaten behouden te veel speelruimte, voornamelijk wegens gebrek aan wederzijds vertrouwen en omdat de lidstaten niet bereid zijn een deel van hun soevereiniteit naar de EU over te dragen.

Toen de burgeroorlog in Syrië in 2015 haar hoogtepunt bereikte, ondernam de EU in allerijl concrete stappen om de internationale samenwerking te verhogen en greep te krijgen op de snel groeiende migratiestroom. Er werd toen onder meer door alle 28 EU-lidstaten overeengekomen om 160.000 migranten (merendeels asielzoekers uit Syrië) die in Griekenland en Italië waren aangekomen te verdelen over de andere lidstaten. Maar van het spreidingsplan is nog niet veel terechtgekomen. De Europese Commissie opende intussen inbreukprocedures tegen Hongarije, Polen en Tsjechië die principieel weigeren vluchtelingen op te vangen. Andere landen waaronder Frankrijk en Oostenrijk dralen met de uitvoering, terwijl ook in ons land intussen nog maar 623 van de vooropgestelde 3.812 personen werden overgenomen. Twee jaar na de overeenkomst zitten in Italië en Griekenland nog steeds duizenden mensen vast in soms gevaarlijke en schrijnende omstandigheden, wachtend op relocatie. Dat dit een zware tol eist blijkt onder meer uit het toenemend aantal depressies, psychoses en zelfmoorden, zoals gerapporteerd door Artsen Zonder Grenzen.

Ook de overeenkomst die de EU vorig jaar sloot met Turkije bereikte slechts gedeeltelijk haar doel. De deal hield in dat Turkije zou toelaten dat alle migranten die via de Egeïsche route Griekenland bereikten terug naar Turkije gestuurd zouden worden in ruil voor financiële steun, de belofte dat de EU versneld werk zou maken van de repatriëring van Syrische vluchtelingen in Turkije én een visumliberalisering voor Turkse onderdanen. De overeenkomst leidde effectief tot een dramatische daling van het aantal migranten dat in Griekenland aankomt. Amnesty International stelt echter dat Turkije niet als veilig derde land kan worden beschouwd en dat het terugsturen van mensen naar Turkije bijgevolg in strijd is met het internationaal asielrecht.

Bovendien is door het sluiten van de relatief kortere en veiligere Egeïsche route de oversteek tussen Libië en Italië - de dodelijkste ter wereld - de belangrijkste poort naar Europa geworden. Deze route wordt echter geleid door mensensmokkelaars die in Libië straffeloos opereren nadat het land in 2011 na de omverwerping van het regime van Muammar Gaddafi in chaos verviel. De VN riep de situatie van migranten en vluchtelingen in Libië eind vorig jaar uit tot 'mensenrechtencrisis'. Sindsdien wordt het land niet langer beschouwd als een veilig derde land en mogen schepen die varen onder de vlag van een EU-lidstaat niet langer mensen naar Libië terugsturen, ongeacht waar hun redding plaatsvindt. Europa verleent desondanks wel steun aan de Libische autoriteiten om mensen die de Middellandse zee proberen over te steken te onderscheppen en terug te brengen naar Libië. Maar door ervoor te zorgen dat de schending van de mensenrechten onder jurisdictie van Libië valt kan de EU aansprakelijkheid vermijden en schuift het gewoon de verantwoordelijkheid door.

VEILIGE LEGALE ROUTES ALS ALTERNATIEF VOOR MENSENSMOKKEL

Europese leiders zetten sterk in op het stoppen van mensensmokkel als de magische oplossing voor de vluchtelingencrisis. Het idee dat mensensmokkel volledig kan worden uitgeroeid, is niettemin wellicht een utopie. De ervaring van OESO-landen leert dat hoewel de ontmanteling van smokkelnetwerken op korte termijn effectief kan zijn, zich snel nieuwe criminele organisaties ontwikkelen die de voorgaande vervangen. Mensenhandel neemt veel verschillende vormen aan en er is vaak een groot aantal tussenpersonen bij betrokken. Ook corruptie in de meeste herkomstlanden vormt een belangrijke belemmering voor preventie, detectie en controle. Daarnaast wordt mensensmokkel in veel regio's niet altijd als crimineel beschouwd of gestigmatiseerd. Veel vluchtelingen en migranten zien zichzelf dan ook niet als slachtoffers van een criminele daad en smokkelaars hebben ook niet het gevoel dat ze iets illegaals doen maar beschouwen zichzelf als dienstverleners. Informatiecampagnes bij potentiële migranten over de risico's van de reis, het leven in Europa en veilige, legale migratiekanalen spelen dan ook een cruciale rol in het tegengaan van irreguliere migratie.

Het criminaliseren van mensensmokkel is weliswaar noodzakelijk, maar er zou meer moeten worden ingezet op strategieën om mensensmokkel minder lucratief te maken. Dat kan enerzijds via het verhogen van de kosten door sancties voor transporteurs op te trekken, het screenen van valse documenten op te voeren, of corruptie aan te pakken. Anderzijds zou de beschikbaarheid van meer legale, veilige en goedkope routes (bijvoorbeeld via familiehereniging, humanitaire visa, arbeidsmigratie of onderwijsprogramma's) automatisch de vraag ernaar reduceren. Door een uitbreiding van de UNHCR-screeningsprogramma's zouden de meest kwetsbare personen reeds ter plaatse kunnen worden geïdentificeerd en geselecteerd, wat het ganse proces transparanter en efficiënter zou maken. De middelen die lidstaten hiermee uitsparen, zouden kunnen worden ingezet voor het bevorderen van integratie. Terwijl migranten het geld dat ze niet aan mensensmokkelaars overdragen, zouden kunnen aanwenden om te voorzien in hun onderhoud.

De inspanningen om de mensensmokkel in te dijken dienen in elk geval vergezeld te worden van strategieën die de onderliggende oorzaken ervan, en dus ook de drijfveren voor migratie, aanpakken. De EU zette daartoe onder meer enkele Migration Compacts op met Ethiopië, Libanon, Jordanië, Mali, Niger, Nigeria en Senegal, met de bedoeling om meer publieke en private investeringen in Afrika te stimuleren om zo armoede en de gevolgen van klimaatverandering te bestrijden en emigratie af te remmen. Deze samenwerking heeft inmiddels ontegensprekelijk haar vruchten afgeworpen in de strijd tegen mensensmokkel evenals in het verhogen van grenscontroles en terugkeer. Het is echter onduidelijk of de koppeling tussen ontwikkelingshulp en migratiebeleid ook op de lange termijn het verhoopte effect zal hebben. Een verbetering van de economische situatie in het thuisland neemt dan misschien wel een belangrijke beweegreden voor emigratie weg, maar vergroot tegelijk het financiële vermogen waardoor uiteindelijk meer mensen de stap zouden kunnen zetten (Clemens, 2014; de Haas, 2010).

Hoe dan ook wordt het tijd dat de omvang van het probleem onder ogen gezien wordt. Migratie is een fenomeen van alle tijden, maar de huidige migratiestromen komen onverwacht en verlopen chaotisch. Dit stelt de wereld voor uitdagingen. Migratie biedt echter ook opportuniteiten en vormt een cruciale bron voor economische ontwikkeling. Om greep te krijgen op de toekomstige migratiestromen en mensen in nood effectieve toegang tot internationale bescherming te bieden, zal in elk geval meer daadkrachtig leiderschap en internationale samenwerking nodig zijn.

Referenties

Bertoli, S., Fernández-Huertas Moraga, J. en F. Ortega, 2013. Crossing the border: Self selection, earnings and individual migration decisions. Journal of Development Economics, 101(1), pp. 75-91.

Borjas, G.J. (1987). Self-selection and the earnings of immigrants. American Economic Review, 77(4): pp. 531-553.

Chin en Cortes K., 2014. The Refugee/Asylum Seeker. In: Chiswick, B.R. and Miller, P.W. (eds.) Handbook of the Economics of International Migration, Elsevier.

Clemens, M. (2014). Does Development Reduce Migration? In: Lucas (ed.) International Handbook on Migration and Economic Development, Edward Elgar.


de Haas, H. (2010). Migration and development: A theoretical perspective. International Migration Review, 44 (1): pp. 227-264.

McKenzie, D. en H. Rapoport, 2010. Self-selection patterns in Mexico-US migration: The role of migration networks. The Review of Economics and Statistics, 92(4), pp. 811-821.

Melander, E. en M. Öberg, 2007. The threat of violence and forced migration: Geographical scope trumps intensity of fighting. Civil Wars, 9(2), pp. 156-173.

Özden, Ç. en Peri, G., 2014. The labour market effects of immigration and emigration in OECD countries. The Economic Journal, 124(579), pp. 1106-1145.

Samenleving & Politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 7 (september), pagina 48 tot 54