Log in

'Basic Income. A Radical Proposal for a Free Society and a Sane Economy'

Uitgelezen

Basic Income. A Radical Proposal for a Free Society and a Sane Economy

Philippe Van Parijs & Yannick Vanderborght
Harvard University Press, London, 2017

Jongeren dromen nog van een betere wereld. Althans, toen Groen! eind 2015 een debatavond voor jongeren organiseerde over het basisinkomen, bleek de zaal quasi unaniem voorstander te zijn van dit oud, utopisch idee. De Nederlandse opiniemaker Rutger Bregman had het jonge volkje overtuigd met zijn pleidooi voor 'gratis geld' voor iedereen, waarbij iedereen maandelijks een voldoende hoog bedrag op de rekening krijgt, no questions asked.

Maar is het wel zo'n goed idee? In hun nieuwste boek zetten Philippe Van Parijs en Yannick Vanderborght, beiden wetenschappers met hoog internationaal aanzien en veteranen van het basisinkomen, alle zeilen bij om een breed publiek te overtuigen van wel. Laat het duidelijk wezen: in tegenstelling tot het flinterdunne boekje van Nele Lijnen (zie de bespreking elders in dit nummer) is Basic Income. A Radical Proposal for a Free Society and a Sane Economy een must-read voor al wie op een volwassen manier het debat over het basisinkomen wil voeren. Het boek is geschreven met veel intellectuele bravoure zonder aan leesbaarheid in te boeten, en bestrijkt op indrukwekkende wijze een breed spectrum aan historische, filosofische en politieke discussies die relevant zijn om het basisinkomen ten gronde te begrijpen. Tegelijk is het een erg eerlijk boek: Philippe Van Parijs en Yannick Vanderborght schuwen de kritiek op het basisinkomen niet, ze benadrukken dat het basisinkomen geen magische oplossing is (of zal zijn) om van het leven op aarde een paradijs te maken, en ze hanteren een erg pragmatische aanpak in hun bespreking van de voor- en nadelen van diverse mogelijkheden om een basisinkomen in te voeren.

Leerrijk in het bijzonder is hoofdstuk 2, waarin het basisinkomen wordt vergeleken met verwante systemen en voorstellen. Philippe Van Parijs en Yannick Vanderborght argumenteren bijvoorbeeld overtuigend waarom de zogenaamde 'negatieve inkomstenbelasting' geen basisinkomen is. Voor gezinnen die moeten rondkomen met een laag inkomen maakt het een bijzonder groot verschil of ze een maandelijks, stabiel inkomen ontvangen, of een grote som geld in een keer ontvangen bij de afrekening van de belastingen. Niet alleen komt die afrekening met veel vertraging, het helpt hen ook niet verder in de dagelijkse strijd om de rekening te betalen en brood op de plank te brengen. De systemen waarbij men probeert via de belastingen op maandelijkse basis voorschotten uit te keren draaien in de praktijk vaak uit op een administratieve knoeiboel (wie wat tijd heeft moet er de Britse pers over de 'Universal Credit' eens op naslaan). Daarmee vergeleken is een basisinkomen zonder enige twijfel superieur.

Toch overtuigt het boek niet helemaal, ondanks - of misschien net omwille van - de pragmatische aanpak. Ik licht er twee elementen uit.

Ten eerste is het belangrijkste ethische bezwaar tegen het basisinkomen dat het de band tussen bijdrage (arbeid) en ontvangst (uitkering) doorsnijdt en zo ook de wederkerigheid die ingebakken zit in alle moderne welvaartsstaten. Philippe Van Parijs en Yannick Vanderborght erkennen dit, en gaan er uitgebreid op in. Vertrekkend van verschillende filosofische stromingen argumenteren ze op rationele gronden waarom wederkerigheid veel breder moet worden gezien, over generaties heen, of dat de ongelijke verdeling van de natuurlijke hulpbronnen van de aarde en de technologische vooruitgang ongelijk verdeeld zijn terwijl iedereen daar eigenlijk in gelijke mate recht op heeft.

Ik vrees echter dat een knap staaltje intellectuele waaghalzerij niets vermag tegen een fundamentele ethische positie. Wederkerigheid blijft een moeilijke kwestie waar veel mensen intuïtief afwijzend op reageren, rationele grondslagen ten spijt. In vergelijkend sociologisch onderzoek naar attitudes ten aanzien van herverdeling blijkt wederkerigheid bijvoorbeeld altijd een belangrijke verklarende factor. Wat Philippe Van Parijs en Yannick Vanderborght over het hoofd zien is dat dit verband houdt met legitimiteit. Zonder draagvlak heeft het basisinkomen geen toekomst. In een welvaartsstaat als België is er een groot draagvlak voor herverdeling, maar niet naar eender wie. Sociale uitgaven voor pensioenen en gezondheidszorgen genieten bijvoorbeeld grote legitimiteit, uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen en leeflonen veel minder, tenzij er een inspanning van de ontvanger tegenover staat. Het is mij onduidelijk, en het wordt niet behandeld in het boek, hoe een basisinkomen dat draagvlak zou kunnen vergroten. Integendeel, gezien het belang van wederkerigheid zou het draagvlak voor herverdeling naar kwetsbare groepen wel eens kunnen verkleinen.

Ten tweede wordt het basisinkomen zelden concreet gemaakt. Voorstanders wuiven dat vaak weg met het argument dat ideeën over een betere wereld zich maar moeilijk laten verzoenen met de mentaliteit van een boekhouder. Had men de kost van de sociale zekerheid eerst uitgerekend alvorens ze in te voeren, ze was er nooit gekomen, toch? Dat argument houdt echter weinig steek. Natuurlijk heeft men berekeningen gemaakt over de verwachte budgettaire impact van de invoering van veralgemeende systemen van sociale zekerheid. Maar dat is eigenlijk naast de kwestie: waar het om gaat is dat men utopieën pas naar waarde kan schatten als ze ook concreet worden gemaakt. 'Meer dan 6 op de 10 Vlamingen voorstander van basisinkomen', kopte De Morgen in januari van dit jaar op basis van een enquête bij 1.000 Vlamingen. Maar wélk basisinkomen? Welk bedrag? Moeten de belastingen verhogen? Komt het bovenop bestaande uitkeringen of net niet? Het percentage landgenoten dat zich voorstander verklaart van een basisinkomen zou wel eens snel kunnen slinken wanneer hen de concrete details wordt voorgeschoteld. Knack illustreerde dat mooi in april van dit jaar, toen het aan 1.000 Belgen vroeg of ze voor of tegen een basisinkomen van 1.000 euro ter vervanging van de bestaande sociale uitkeringen waren. Het resultaat? 6 op de 10 was tegenstander. De legitimiteit van het basisinkomen hangt niet alleen af van de kwestie van de wederkerigheid, maar ook van de concrete uitwerking van het voorstel.

In het boek blazen Philippe Van Parijs en Yannick Vanderborght hieromtrent warm en koud. In het eerste hoofdstuk stellen ze duidelijk dat het basisinkomen een vloer onder en geen vervanging van de welvaartsstaat moet zijn. Dat versterkt de onderhandelingspositie van de meest kwetsbaren op de arbeidsmarkt, zodanig dat zij de vrijheid winnen om, bijvoorbeeld, 'neen' te zeggen tegen rotjobs. Tegelijk schrijven ze dat een specifiek bedrag op het basisinkomen kleven eigenlijk van mineur belang is. Hierin schuilt een spanningsveld, want om iedereen de vrijheid te geven neen te zeggen moet het basisinkomen hoog genoeg zijn. Op dezelfde pagina's doen ze dan toch een pragmatisch voorstel: een basisinkomen dat ongeveer 25% van het bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking bedraagt, wat omgerekend voor België ongeveer 850 euro per maand betekent. Los van de vraag of dit volstaat om de vrijheid om neen te zeggen te verzekeren, impliceert dit ook dat het basisinkomen alleen maar de uitkeringen kan vervangen die lager zijn dan dit bedrag en de hogere uitkeringen tot aan dat bedrag. Aangezien iedereen het krijgt, nemen de kosten (fors) toe. In het boek lijken Philippe Van Parijs en Yannick Vanderborght dat probleem een beetje te minimaliseren, alsof de kostprijs niet echt een issue is. Maar dat is het natuurlijk wel.

Een recente studie van de OESO toont dat een budgetneutraal basisinkomen (ter vervanging van de uitkeringen en belastingvoordelen) in Europese welvaartsstaten een stuk lager dan 850 euro per maand zal uitvallen, en dat een deel van de laagste inkomens nettoverliezers zouden zijn. Om een hoger basisinkomen te financieren zal de belastingdruk onvermijdelijk (en fors) toenemen. Om uit deze catch 22 te geraken, komen Philippe Van Parijs en Yannick Vanderborght uiteindelijk uit op wat ze een 'partieel basisinkomen' noemen; een zeer laag maar haalbaar bedrag als eerste stap in de richting van een basisinkomen. Maar een laag bedrag ondermijnt net waar het basisinkomen in de eerste plaats om draait: het vergroten van de vrijheid van de meest kwetsbaren. Zo dreigt het pragmatisme zichzelf in de staart te bijten, want is dat dan de betere wereld waar jongeren van dromen?

Samenleving & Politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 6 (juni), pagina 86 tot 88