Abonneer Log in

Dromen met Ursula: het Europees minimumloon

Samenleving & Politiek, Jaargang 28, 2021, nr. 1 (januari), pagina 34 tot 39

'Een juridisch monster!'. Business Europe, de lobbygilde van de Europese werkgeversorganisaties, liet eind oktober de diplomatieke taal achterwege in haar reactie op het voorstel van de Europese Commissie over een Europees minimumloon. Zulk venijn in een persbericht, dat kan maar goed nieuws zijn voor sociaal Europa, niet?

Je hebt een set van Europese afspraken nodig die op nationaal niveau moet worden gerespecteerd.

Positief is de aandacht die naar de lage intensiteit van collectief onderhandelen gaat.

HET IDEE VAN URSULA

De eerste honderd dagen van EU Commissievoorzitter Ursula Von der Leyen werden niet zonder ambitie aangevat. De Green Deal, een digitaliseringsgolf, maar ook een sociaal luik met als speerpunt een Europees minimumloon, zouden op tafel komen. Von der Leyen stelde in haar regeerverklaring1 eind 2019: 'The dignity of work is sacred. Within the first 100 days of my mandate, I will propose a legal instrument to ensure that every worker in our Union has a fair minimum wage. Minimum wages should allow for a decent living'. Mooie woorden, maar iedereen weet dat wanneer de vos de passie preekt, je best op je ganzen past.

In het verleden werd een Europees minimumloon meestal een lippendienst bewezen. Nu ligt een concreet voorstel op tafel. Alleen dat al kan als een belangrijke stap vooruit beschouwd worden. In de verantwoording2 van haar voorstel gebruikt de Commissie taal die je zelden uit de mond van een Europese instelling hoort. 'De loonongelijkheid is de afgelopen jaren gestegen en vooral de situatie van de lage lonen is verslechterd', 'minimumlonen beschermen werknemers met lage lonen en lage onderhandelingsmacht' of 'collectief onderhandelen is centraal in de loonvorming en vermindert loonongelijkheid'. Amper tien jaar geleden dwong de Europese Commissie, in samenwerking met het IMF en de ECB, de minimumlonen naar beneden in landen als Griekenland of Portugal. Systemen om collectief het loon te bepalen via cao werden in die landen agressief ontmanteld. Lonen werden louter bekeken in een context van kostencompetitiviteit. Wat is er aan de hand? Een Europese sociale renaissance?

Zover kunnen we (nog) niet gaan. Maar de Europese Commissie slaat in ieder geval een andere toon aan. Dat is ook logisch. Drie jaar geleden kwam de 'Europese Pijler van Sociale rechten' tot stand. Die pijler definieert een set van twintig fundamentele rechten in de Europese Unie. Ondanks het gebrek aan een gecoördineerd actieplan om al die principes in realiteit om te zetten, worden ad-hocinitiatieven gelanceerd, zowel op nationaal als Europees niveau. Het voorstel om te komen tot een Europees minimumloon past in dit kader. Pijler zes bepaalt immers: 'Werknemers hebben recht op een billijk loon waarmee zij een fatsoenlijke levensstandaard kunnen genieten. Er wordt gezorgd voor toereikende minimumlonen, die voorzien in de behoeften van de werknemer en zijn of haar gezin (…) Armoede onder werkenden wordt voorkomen'.

HET BELANG VAN EEN ONDERGRENS

De situatie van laagbetaalde werknemers verslechterde de afgelopen jaren in Europa. De loonongelijkheid is gestegen. Eén op zes werknemers in de EU verdient een laag loon (lager dan twee derde van het mediaanloon) en dat aantal stijgt. Het aantal werkende armen is toegenomen. In 2005 haalde 8,1% van de werknemers onvoldoende inkomen uit een job om rond te komen. In 2018 was dat bijna voor 10% het geval.3 In veel landen is het nationale minimumloon ontoereikend om armoede te vermijden. Of men is als werknemer niet gedekt door een minimumloon, door het ontbreken ervan of het bestaan van een uitzonderingsregime. Betere minimumlonen kunnen de situatie van deze werknemers verbeteren. Maar er zijn ook economische argumenten.

Ondanks de economische groei en de gestegen productiviteit in de EU de laatste jaren, blijft de koopkracht van vele werknemers ter plaatse trappelen. Dat uit zich in een afkalvend loonaandeel. Het loonaandeel geeft weer hoeveel van de geproduceerde welvaart terugvloeit naar wie hier hard voor gewerkt heeft: de werknemers. In 1975 bedroeg het loonaandeel nog 72%, momenteel slechts 63%. Hogere minimumlonen geven een opwaartse druk doorheen heel de loonpiramide, waardoor de inkomenssituatie van heel wat werknemers wordt verbeterd en de balans tussen arbeid en kapitaal gedeeltelijk kan worden hersteld.

In de context van een relancestrategie na corona kunnen hogere minimumlonen een rol spelen in het aanzwengelen van de binnenlandse consumptie. Werknemers aan de onderkant van de loonverdeling hebben de afgelopen maanden minder kunnen consumeren doordat ze het grootste inkomensverlies leden. Zij zullen een extra inkomen – ten gevolge van bijvoorbeeld een stijging van het minimumloon – sneller uitgeven dan de hogere inkomens. Dat geeft een boost aan de consumptie en dus aan het economisch herstel.

Betere minimumlonen kunnen er ook voor zorgen dat de kloof tussen Oost en West op vlak van lonen wordt dichtgereden. De loonkloof tussen Oost en West blijft gigantisch, ondanks een convergentie tot de financiële crisis. Bulgarije, Letland, Roemenië of Hongarije hebben minimumlonen onder 3 euro per uur. In landen als België, Duitsland, Nederland, Ierland of het VK schommelt het minimumloon tussen 9 en 10,5 euro per uur.

Een fatsoenlijk minimumloon in ieder Europees land dat een inkomen garandeert waarmee je kan leven (niet enkel over-leven) is essentieel om sociale vooruitgang te boeken. De vraag blijft: hoe kan een Europees minimumloon daarbij helpen? Als een Europees minimumloon goed ontworpen is, dan kan het dat zeker.

WAT IS ER NODIG?

Tussen het hoogste en het laagste minimumloon in de Europese Unie bedraagt het verschil meer dan 10 euro. Wie in Bulgarije aan het minimumloon werkt, verdient amper 1,9 euro per uur. In Luxemburg, aan het andere einde van het spectrum, krijg je 12,4 euro voor je noeste arbeid. Het opleggen van een uniform, gelijk minimumloon in Europa is dus onmogelijk. De welvaartsverschillen tussen lidstaten zijn te groot. Bovendien zit je met een juridisch probleem. De Europese grondwet verbiedt een directe tussenkomst van de Unie in de loonvorming. Die competentie ligt volledig bij de lidstaten en de betrokken sociale partners.

Je hebt een set van Europese afspraken nodig die op nationaal niveau moet worden gerespecteerd.

Hoe kan Europa dan wel tussen komen? Europa zou een level-playing field kunnen creëren tussen lidstaten. Je hebt een set van afspraken nodig die op nationaal niveau moet worden gerespecteerd. Afspraken rond criteria die een eerlijk minimumloon kunnen bepalen, wie door een minimumloon gedekt moet worden, hoe de monitoring ervan verloopt en hoe het op regelmatige tijdstippen wordt aangepast. Als je op Europees niveau daarover afspraken kan maken, heb je een instrument in handen om de loonverschillen tussen lidstaten te sturen.

Laat ons dit concreet invullen. Wat kan de minimale ondergrens voor een eerlijk minimumloon zijn? De waarde van een minimumloon wordt in belangrijke mate bepaald door haar verhouding tot de rest van de lonen. De toets die daarbij gebruikt kan worden, is het mediaanloon (dat wat in de midden van de loonverdeling ligt) of het gemiddelde loon.4 FIGUUR 1 geeft de verhouding van de minimumlonen weer ten opzichte van het mediaanloon en het gemiddeld loon. In België is het minimumloon gelijk aan 40% van een gemiddeld loon en 47% van het mediaanloon. De relatieve waarde van een minimumloon verandert de discussie volledig.

Op basis van deze data heeft zich niet enkel een academische, maar ook politieke consensus gevormd. Een 'adequaat', eerlijk minimumloon moet rond 60% van het mediaanloon liggen. Het is ook de grens die gehanteerd wordt om het risico op armoede aan te duiden: wie minder dan 60% van het mediaanloon verdient, loopt een erg hoge kans op in armoede te leven. Maar iets wringt bij deze maatstaf. Een land als Bulgarije, Roemenië of Slovenië voldoen (bijna) aan de 60%-grens. Wat in principe betekent dat zij een voldoende hoog minimumloon hebben. De realiteit in die landen kennende, klopt daar iets niet: een hoog aantal mensen leeft en werkt er in armoede en zoekt andere opportuniteiten in Europa. De hoge relatieve waarde van het minimumloon in die landen in vergelijking met het mediaanloon is niet zozeer het resultaat van een hoog minimumloon, maar van een zeer hoge concentratie van erg lage lonen. Er is dus een bijkomende benchmark nodig, bijvoorbeeld een vergelijking met het gemiddeld loon of een vergelijking met een korf van goederen die essentieel zijn voor een waardig bestaan.

NIET BLINDSTAREN OP HET EUROPEES MININMUMLOON

Wat bovenstaande discussie bovendien duidelijk maakt, is dat we ons niet mogen blindstaren op enkel hogere minimumlonen of een Europees minimumloon. Goede minimumlonen vormen een belangrijk onderdeel van een pakket aan arbeidsmarktinstituties die mensen een waardig inkomen garanderen. Maar vergeet het belangrijkste niet: een hogere levensstandaard voor werknemers kan je enkel afdwingen door een sterk systeem van collectieve onderhandelingen op poten te zetten. Wat ben je met een minimumloon wanneer werknemers niet in staat zijn om daarnaast degelijke lonen te onderhandelen of de werkbaarheid van een job te garanderen via een cao? Niets. En dat is het geval in erg veel landen (FIGUUR 2). Neem de landen waar we het eerder over hadden. In Bulgarije en Roemenië is minder dan een kwart van de werknemers gedekt door een cao. Veel landen uit het voormalig Oostblok zijn er nog slechter aan toe. Niet gedekt betekent: de werknemer is volledig afhankelijk van de grillen en goodwill van een werkgever.

Zolang we er in Europa niet in slagen om alle werknemers een plaats aan de onderhandelingstafel te geven, zodat ze rechtvaardige loon- en arbeidsvoorwaarden kunnen afspreken (en afdwingen), zal een sociaal Europa nog lang op zich laten wachten.

WAT LIGT ER OP TAFEL?

En nu ligt er een voorstel van richtlijn op tafel over een Europees minimumloon. Alleen dat doet al verbazen. Het gaat niet om een vrijblijvende aanbeveling, maar om wetgeving die doelstellingen oplegt. De lidstaten moeten nationale wetgeving aannemen om die doelstelling te bereiken.

Zoals eerder aangegeven: de Europese Commissie stelt geen uniform minimumloon voor. Dat mag ze niet en daar is niemand vragende partij voor. Ze legt enkele criteria op tafel waarmee de nationale lidstaten rekening moeten houden om hun minimumloon te bepalen. En die criteria zijn teleurstellend. Op geen enkele manier definieert de Commissie een minimumdrempel waaronder nationale minimumlonen mogen zakken. Geen verwijzing naar het mediaan of gemiddelde loon als benchmark. De Commissie geeft slechts algemene criteria mee die lidstaten kunnen gebruiken, zoals de evolutie van de brutolonen of zelfs de productiviteit. Deze criteria zouden net zo goed gebruikt kunnen worden om de minimumlonen te betonneren, in plaats van ze een inhaalbeweging te laten maken. Veel is in dat opzicht afhankelijk van de goodwill van een nationale regering.

Positief is de aandacht die naar de lage intensiteit van collectief onderhandelen gaat.

Positief is de aandacht die naar de lage intensiteit van collectief onderhandelen (de dekkingsgraad) gaat, dat is een unicum. Het voorstel van richtlijn stelt dat wanneer de dekkingsgraad beneden 70% valt, een nationaal actieplan moet worden ontwikkeld om de dekkingsgraad op te krikken. Dat is een belangrijke stap om de levensstandaard van de laagste verdieners te verbeteren. De richtlijn moet echter verder gaan dan het huidige voorstel en effectief de acties verduidelijken die nodig zijn: extensiemechanismen van cao's veralgemenen, wetgeving die vakbondswerking inperkt afschaffen, het faciliteren en honoreren van sectoraal overleg door de overheid, enzovoort.

De Commissie bewandelt een slappe koord. Het EU-Verdrag geeft haar enige ruimte om wetgeving rond arbeidsomstandigheden aan te nemen. Die moet complementair zijn met wat er in de lidstaten zelf gebeurt. En daar wringt het schoentje. Volgens de werkgevers gaat de Commissie veel te ver. Ze zou de autonomie van de sociale partners bij het bepalen van loon en arbeidsvoorwaarden met de voeten treden. De werkgevers krijgen daarbij onverwachtse steun. De Scandinavische vakbonden zijn rabiaat tegenstander van elke Europese poging om zich te mengen in het debat over minimumlonen. De Scandinavische landen kennen geen wettelijk minimumlonen, enkel sectorale. De sociale partners zijn daarin volledig autonoom, en succesvol. De Scandinaven zijn kampioenen in de kamp tegen inkomensongelijkheid. Maar ze lijken niet te beseffen dat vele landen niet dezelfde historiek van een sterk en gestructureerd collectief overleg kennen. Bovendien wil Europa op geen enkele manier een wettelijk minimumloon opleggen in landen zonder een wettelijk minimumloon.

Daar schuilt de uitdaging voor de Europese Commissie: op welke manier kan je maximaal bescherming en een levenswaardig inkomen verschaffen aan zoveel mogelijk werknemers en daarbij de eigen verdragen respecteren? Laat ons hopen dat dit initiatief geen doodgeboren kind wordt. Een Europees initiatief kan een keerpunt vormen. Waar sinds 2008 de Europese Unie lonen en arbeidsvoorwaarden enkel als snoeimateriaal aanzag in debatten over economisch herstel, is er nu een opportuniteit om waardige lonen centraal te zetten in het herstel na het Covid-drama.

VOETNOTEN

  1. Von der Leyen U. (2019). A Union that strives for more - My agenda for Europe: political guidelines for next European Commission 2019-2024. https://op.europa.eu/en/publication-detail/-/publication/43a17056-ebf1-11e9-9c4e-01aa75ed71a1.
  2. https://ec.europa.eu/social/BlobServlet?docId=22222&langId=en.
  3. Eurostat – EU SILC.
  4. Over het algemeen ligt het gemiddelde loon hoger dan het mediaanloon door de concentratie van enkele absolute topverdieners aan de bovenzijde van de loonverdeling.

Samenleving & Politiek, Jaargang 28, 2021, nr. 1 (januari), pagina 34 tot 39