Abonneer Log in

'Weerbare democratie. De grenzen van democratische tolerantie'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 5 (mei), pagina 82 tot 84

Weerbare democratie. De grenzen van democratische tolerantie

Bastiaan Rijpkema
New-Amsterdam Press, Amsterdam, 2015

Dit boek was na een tweetal maanden al toe aan een tweede druk. Het is nochtans geen gemakkelijk boek, over een belangrijk maar ook relatief ‘moeilijk’ onderwerp: hoe verdedig en versterk je de democratie in het Westen (en in de wereld) zonder dat je haar vernietigt, en dat in een periode van individualisering, verrechtsing, verstedelijking en migratiegolven?

De jonge rechtsfilosoof en publicist Bastiaan Rijkema slaagt erin om dit moeilijke onderwerp op zeer heldere manier uiteen te zetten en een creatieve oplossing aan te bieden (een echt politiek-filosofisch perspectief), die tot nog toe ontbreekt. Zijn analyse is sterk onderbouwd: de 220 pagina’s tekst worden gevolgd door een 100-tal pagina’s voetnoten en referenties. En toch voldoet dit boek niet helemaal.

Rijpkema onderzoekt hoe de Duits-Amerikaanse politicoloog-jurist Karl Loewenstein in de jaren 1930 een eerste aanzet gaf om democratische waarden en structuren te beschermen. De Nederlandse filosoof-politicoloog van sociaaldemocratische signatuur, George van den Bergh, ging nog een stap verder en ontwikkelde in dezelfde tijd een originele theorie over democratie als enige zelfcorrigerende systeem, met recht om zichzelf te verweren tegen vijandige tendenzen. Het hoofdpunt, stelt Rijpkema, is daarbij (en blijft dat volgens hem ook vandaag) de argumentatie en het beslissingsmechanisme om antidemocratische partijen te kunnen verbieden. De noodzaak aan een dergelijk verdedigingsmechanisme werd scherp aangevoeld na de machtsgreep via democratische weg van de duidelijk antidemocratische partij van Hitler in Nazi-Duitsland.

Partijverbod van gewelddadige (eventueel terroristische) antidemocratische groepen en partijen stelt geen probleem, maar de heimelijke of zelfs leugenachtige pogingen van antidemocratische partijen om zich langs de weg van een democratische partij en met de erkende middelen (zoals verkiezingen) naar de macht te werken, om vervolgens de democratie af te schaffen, stelt meer problemen. Om hier in te grijpen stellen zich heel wat problemen: hoe diagnosticeer je zulke partijen, wanneer is verbod toegelaten, wanneer grijp je best echt in, enzovoort? Rijpkema besluit dat een ernstige onderbouwing van argumentatie in dit domein grotendeels ontbreekt en gaat zelf die lacune invullen. Dat levert het origineelste deel van het boek op.

Zijn uitgangsstelling is dat we democratie kunnen begrijpen als het enige maatschappelijke zelfcorrectieve systeem, gekenmerkt door drie basiswaarden:

  • permanente evaluatie door vrije toegang tot verkiezingen en actieve verkiesbaarheid van alle burgers. Daardoor wordt de herroepbaarheid van democratische beslissingen in de praktijk gegarandeerd: wat niet voldoet wordt door de kiezer weggestemd;
  • politieke concurrentie is een wezenlijke waarde: door een passief kiesrecht voor allen, en door het bewaken van de vrijheid van vereniging (wat resulteert in de vrijheid om politieke partijen op te richten);
  • de waarde van de vrije meningsuiting.

Wanneer aan één van de drie bovenstaande rechten geraakt wordt, dan wordt het zelfcorrectieprincipe van democratie, en daardoor de democratie als zodanig aangevallen. De beoordelaars en sanctionerende instanties (in de praktijk rechters en Openbaar ministeries) worden zo een aantal concrete criteria aangeboden om de antidemocratische aard van politieke partijen te kunnen aftoetsen en eventueel te besluiten tot partijverbod.

Om deze redenering rond te maken verwittigt de auteur de lezer regelmatig dat a) veiligheidsbeleid niet volstaat om over een weerbare democratie te kunnen spreken. Immers, ook niet-democratische regimes en landen kunnen gelijkaardige of identieke maatregelen nemen als democratische wanneer het enkel veiligheid betreft.
En b) de argumentatie mag niet enkel juridisch zijn, betoogt de auteur, want dan geldt enkel het aspect ‘rechtsstaat’, en niet de democratie al zodanig. Niettemin dreigt Rijpkema voortdurend in dit (exclusief) juridisch vaarwater te belanden, precies omdat hij rechters wil wapenen met argumenten en daarnaast de rol van de ‘civil society’ opvallend geringschat. Het boek ademt dan ook een klemtoon op wetsdenken, wat een overmatige juridificering meebrengt naar mijn smaak.

Slechts helemaal op het einde van het boek, als een soort toemaatje (van slechts enkele bladzijden) wordt een plaats ingeruild voor de ‘civil society’, waarbij wordt opgemerkt dat die een rol heeft, maar tevens gesteld wordt dat die rol niet te groot kan zijn. Dit kadert in de vrees voor ‘emotionalisme’, zoals die door de auteur vermeld wordt. Het zijn dergelijke argumentaties die voor mij een tekort zijn in het boek, wanneer we ernstig willen nadenken over en actiemiddelen willen aanbieden voor de democratie. Door die klemtonen moet Rijpkema wel de nagenoeg exclusieve nadruk leggen op de mogelijkheid in een democratie om ‘partijverbod’ toe te laten. Dat is merkwaardig weinig. En eigenlijk is dat ook heel (impliciet-) christelijk, denk ik: op grond van een verbod kan je bijsturen, maar nooit een maatschappelijk project funderen, laat staan als positief project gaande houden. Sanctioneren komt na de zonde, om het zo te zeggen, maar is geen positief waardenproject. Het is nodig, maar te weinig. Ik verklaar me nader.

Het enige alternatief dat ik zie is inderdaad een betrekken van de ‘civil society’. Om te beginnen worden wetten steeds voorgedragen en ingesteld na de feiten (gemiddeld 15 à 30 jaar na de feiten), en stroomlijnen ze een maatschappelijke realiteit. Ze creëren of leiden de realiteit niet, en moeten trouwens - ook vanuit democratisch oogpunt - regelmatig kunnen worden herzien om een democratische maatschappij duurzaam mogelijk te houden: niet alleen verkiezingen, maar ook wetsherzieningen zijn onderdeel van de zelfcorrectie van democratieën, beweer ik. De aanzet voor herroepbaarheid hier ligt bij de realiteit, en daarin speelt de ‘civil society’ een cruciale rol. Wie anders? Toch niet de rechters? En evenmin enkele technokraten?

Ik meen dus dat een meer sociologisch-antropologisch denken als aanvulling moet worden erkend om dit liberaal-juridisch denken rond democratie weg te houden van een exclusief ‘rechtsstatelijk’ denken en doen, dat nagenoeg zeker de burger vervreemdt van de zogenaamd democratische praktijk. Anders gezegd, zonder een sterke, bewuste en dus politiek opgevoede actieve ‘civil society’ houden we enkel de juridische redenering over, met een merkwaardig christelijke impliciete overtuiging dat mensen ‘democratisch’ zullen leven ‘vanuit de wet’, waardoor de wet in grote mate (zoals de Tien Geboden of andere woorden van een buitenmenselijke instantie) aan de kritiek van en ‘herroepbaarheid’ door de maatschappij dreigt te ontsnappen. Nog in andere woorden, dan belanden we in een ‘wettische’ democratie en niet in een van onderuit gedragen democratie.

Dat laatste is nu precies voor mij een wezenlijk kenmerk van democratie. De vermelde aspecten van Rijpkema liggen meer op het vlak van procedures en organisatie.
Beide niveaus zijn nodig, en niet enkel het organisatorische niveau. Het veronachtzamen van de rol van de ‘civil society’ kan veroorzaken dat juridisch bijzonder goed ingelichte en ondersteunde sterke groepen (bijvoorbeeld internationale corporaties) tegen de burger het pleit winnen, wanneer ze binnen de lijntjes van de wet (of net in de lacunes tussen de lijntjes) ageren, terwijl de burger niet over de middelen beschikt om zich adekwaat tegen dergelijke praktijken te verzetten. Het lijkt me niet overdreven om te stellen dat die scheeftrekking vandaag echt aan de orde is. Ik kan daarbij verwijzen naar acties van consumentenorganisaties, maar ook van Derde Wereldgroepen die dit soort ‘ongelijkheid’ in rechtsvermogen met de regelmaat van de klok aankaarten.

Ten slotte wil ik wijzen op een ontwakende hoger opgeleide ‘civil society’, die zich in de vorm van ‘New Commons’ en dergelijke duidelijk begint te manifesteren. Deze hele beweging ‘van onderuit’ valt volledig buiten het gezichtsveld van Rijpkema, aangezien het geen politieke partijen zijn. Ik duid dit aan als een tendens naar ‘horizontale democratie’, terwijl het hele staats- en partijgebeuren enkel kadert in het meer traditionele denken over staat en ‘verticale democratie’. De verhouding tussen beide lijkt me echter toe aan herziening in een hertekening van het veld van progressief/conservatief/reactionair maatschappelijk denken.

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 5 (mei), pagina 82 tot 84