Abonneer Log in

'Vanzelf. Tegen het efficiëntiedenken en de doelmatigheidscultuur'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 5 (mei), pagina 79 tot 81

Vanzelf. Tegen het efficiëntiedenken en de doelmatigheidscultuur

Yoni Van Den Eede
Acco, Leuven/Den Haag, 2015

Yoni Van Den Eede is als media- en technologiefilosoof verbonden aan de VUB. Hij stelt vragen bij een cultuur die van efficiëntie en doelmatigheid een ideaal gemaakt heeft. Dat ideaal is volgens hem doorgeschoten en heeft nogal kwalijke neveneffecten. Hij gaat niet zover om het helemaal overboord te gooien, maar pleit er voor de dingen ook eens hun gang te laten gaan. Soms gaat het beter vanzelf. Soms moet je durven niets te doen, los te laten, te laten gebeuren.

Efficiëntie als maatschappelijk organisatieprincipe is een overblijfsel uit de 19de eeuw, toen Frederick Taylor arbeid op een wetenschappelijke manier probeerde te organiseren. Hij deelde alle bewegingen zo veel mogelijk op en gebruikte een chronometer om ze zo efficiënt mogelijk te laten uitvoeren. Maar hij nam vooral de beslissing bij de arbeiders weg, omdat hij ervan uitging dat ze lui waren. Hij gaf die beslissing aan het management, wat duidelijk maakt dat efficiëntie ook een machtsverhouding impliceert. Efficiëntie heeft vooral te maken met hoe je dingen doet, veel minder met wat je precies te doen staat. Het is ingebakken in een ideologisch discours. Meten wordt natuurlijk al langer gedaan, maar vanaf de 17de eeuw begon men te denken dat waarheid enkel kan samengaan met wat gemeten kan worden. Rekenen is een voorwaarde voor efficiëntie. Ondertussen is de wereld complex en groot geworden en hebben we het over big data. Meten en rekenen zijn de poort tot het verbeteren van de samenleving. ‘Zolang je het maar in een spreadsheet kunt gieten’, ben je efficiënt bezig.

Reeds Robert Wiener, de vader van de cybernetica die besturingssystemen bestudeert, stond sceptisch tegen de tendens om voor de oplossing van menselijke problemen meer en meer aan machines toe te vertrouwen. Hij vreesde dat we daarmee die problemen verschuiven naar machines. De communicatiewetenschapper Neil Postman waarschuwde ervoor dat we technologie verafgoden. Technologie werd een nieuw soort religie, een wereldbeeld dat gebaseerd is op een organisatieprincipe dat elk domein van het leven aantast. Het is de cultuur van het obsessief meten, berekenen en najagen van objectieve waarheid. Wanneer we daar de mens in betrekken verdwijnt het subjectieve. Daarmee zegt de auteur niets tegen het kwantificeren als zodanig, maar komt hij op tegen de fetisj van het kwantificeren.

Om dit te begrijpen mag het blikveld zich echt niet beperken tot het concrete, je moet de abstracte achtergrond in rekening brengen. Kijk naar de toestellen (vooral gezondheidsapps) die je doen en laten volgen. Je denkt dat het jouw gegevens zijn, maar de data worden doorgegeven (soms aan de werkgever). En achter wat jij te zien krijgt, zit ook een heel abstract systeem van algoritmen. Ergens zweeft er een spiegel van jezelf. We worden onze eigen bewakers (Foucault). Misschien zijn we daar wel blij mee, want we geven onze eigen verantwoordelijkheid aan apparaten af, maar het kan anders.
Vroeger waren we allemaal opgenomen in een groter doel. Nu denken we dat we onze eigen doelen bepalen en dat de natuur ons moet gehoorzamen. Maar daarmee vernauwen we onze blik en geven we ons juist over aan de natuur. Er is een wijder soort doelmatigheid mogelijk. Kijk naar kinderen die leren lopen: dat gaat vanzelf, dat gaat op een natuurlijke manier. Een levend wezen is sowieso doelgericht, ook al is dit niet noodzakelijk intentioneel. Het is ‘om te’: een merel is uitgerust om een worm te pikken, een kat om een muis te vangen… Organismen zijn gebouwd om iets te doen, om iets te bereiken. Ze organiseren zichzelf, worden niet door externe doelen bewogen. Het doelgericht streven wordt overschat omdat we onszelf te veel op een extern perspectief plaatsen. De Britse antropoloog Gregory Bateson heeft erop gewezen dat het bewuste en onbewuste in onevenwicht geraakt zijn, maar dat onbewuste is helemaal niet tegengesteld aan kennis. Kennen is onderscheiden van verschillen die er toe doen (een antilope reageert alleen op echt gevaar). Zonder bewust naar iets te streven kun je iets moois bereiken.

Zie naar iemand die zich voorbereidt op een marathon: als het goed gebeurt wordt een machine op punt gezet, maar tegelijk zie je iemand die zin geeft aan zijn leven. Het gaat om een levenskunstige onderneming. Wie halsstarrig gericht is op een doel wordt slaaf van zijn prestatiedrift. Hij presteert om te presteren. Doelen zijn belangrijk, je hoeft de dingen niet zo maar te laten gebeuren, je moet ze soms tegenwerken, richten, sturen. Maar alles hangt af van wat in je hoofd zit. Te veel efficiëntie of doelmatigheid is niet goed, maar leidt tot depressie of burn-out. Bij depressie zijn inderdaad alle doelen weg.

Velen hebben het ‘vanzelf’ als levenskunst beoefend: de Stoïcijnen, Epicuristen, het Taoïsme. Dit Taoïsme vermijdt energieverlies en onderschrijft in zekere zin een discours van efficiëntie. Maar efficiënt leven in Taoïstische zin is gelijk aan laten zijn. En dat staat in schril contrast met de huidige realiteit, die een dadendrang kent. We hebben efficiëntie nodig, maar mogen niet overdrijven, we moeten er spaarzaam mee zijn. Het komt aan op het kiezen van de juiste doelen, op doelgeletterdheid. De Amerikaanse burgerrechtenactiviste Rosa Parks weigerde in 1955 haar plaats op de bus aan een blanke af te staan en gaf daarmee het startschot voor een enorme emancipatiebeweging. Zij had daar geen doel op korte termijn mee, maar wilde gewoon niet meer. Het ‘vanzelf’ centraal stellen sluit verandering niet uit.

Yoni Van Den Eede stelt kritische vragen bij het moderne efficiëntiedenken, zonder het kind met het badwater buiten te gooien. Het is belangrijk om dit te onderstrepen, want wie kritisch is ten opzichte van wat wellicht het meest fundamentele principe van de samenleving is, wordt gemakkelijk in het kamp van de anti-wetenschap en anti-technologie geduwd. Het hoongelach dat daarop volgt maakt dan iedere verdere discussie overbodig. Neen, de auteur is niet tegen wetenschap of technologie. Hij vindt gewoon dat het efficiëntiedenken doorgeslagen is, dat er te veel op vertrouwd wordt. Efficiëntie in wat je doet, zonder zich af te vragen of wat je doet wel het meest aangewezen is om te doen. Niet nadenken over doelen en er maar op los efficiënt zijn. Presteren om te presteren met andere woorden. Daarmee is onze samenleving inderdaad in een straatje zonder einde verzeild. De dingen laten gebeuren, erop vertrouwen dat er ook iets goed kan ontstaan als we daar zelf wat afstand van nemen of er ons zelfs aan overgeven is een valabele houding.

Het is goed dat Yoni Van Den Eede eraan herinnert dat het allemaal begonnen is met Frederick Taylor, die gewoon iets wilde doen om die luie arbeiders aan te porren. Hij nam hen hun beslissing uit handen, om het aan de managers te geven. Het zijn die managers die hen de duimschroeven steeds vaster aanzetten met systemen die gebaseerd zijn op cijfers, maar waar een brute machtsstrategie achter zit. Het efficiëntiedenken is ontspoord, maar je kunt dit niet tegengaan door alleen maar spaarzaam te zijn bij het bepalen van je doeleinden. Je moet die manager ook zijn macht terug afnemen en je kunt erop aan dat hij dat niet zomaar zal laten gebeuren. Zelfs aan progressieve zijde wordt geargumenteerd dat de werknemer juist beschermd wordt door de objectivering die dat meten met zich meebrengt: tijd en arbeidsvolume dat je aflevert worden tenminste exact gemeten. Achter dat verhaal om meer autonomie te geven, zou een terugkeer verborgen zijn naar de tijd dat er geen grenzen waren. De auteur heeft gelijk dat je de dingen wat meer vanzelf mag laten gebeuren, maar toch weer niet alles.

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 5 (mei), pagina 79 tot 81