Abonneer Log in

De nieuwe wind van het oude Labour

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 5 (mei), pagina 63 tot 69

De kater was groot bij de Britse sociaaldemocraten toen bij de vorige parlementsverkiezingen in 2015 Labour de hooggespannen verwachtingen niet bleek in te lossen. Zoals in het Verenigd Koninkrijk gebruikelijk is, nam de partijleider Ed Miliband al de dag na de verkiezingen ontslag. Na een ophefmakende leiderschapsverkiezing werd Jeremy Corbyn op het schild gehesen. De rechtervleugel vreesde dat Corbyn met zijn onwrikbare linkse standpunten Labour onverkiesbaar zou maken, de linkervleugel was verheugd dat een van de hunnen de partij mocht gaan leiden. Een nieuwe wind waait door Labour, voeren Corbyns medestanders aan, terwijl zijn tegenstanders volhouden dat het om een oude en bijzonder onwelriekende wind gaat.

‘TO BE ON MESSAGE’

In het najaar 1998 werd de voormalige Chileense dictator Augusto Pinochet in Londen gearresteerd. De Spaanse onderzoeksrechter Baltasar Garzón had een internationaal aanhoudingsbevel tegen hem uitgevaardigd onder verdenking van het folteren van Spaanse burgers en moord op een diplomaat. Pinochet kreeg huisarrest. Wat daarop volgde, was maandenlang juridisch getouwtrek. Het sociaaldemocratische Labourkabinet telde enkele ministers die zich in hun jeugd verdienstelijk hadden gemaakt in het internationale verzet en de boycot tegen de Chileense dictatuur, onder wie de minister van Justitie Jack Straw. De zaak bracht de toen nog jonge Labourregering van Tony Blair in diepe verlegenheid, want de Britse regering wou haar relaties met Chili niet op de helling zetten. Uiteindelijk liet Straw Pinochet om gezondheidsredenen naar zijn vaderland terugkeren. De beslissing maakte de man zichtbaar ongelukkig, en veroorzaakte flink wat ongenoegen bij de sociaaldemocratische achterban.

Het kabinet-Blair keek er in die beginjaren van het sociaaldemocratische regime streng op toe dat de Labourparlementsleden in de pas liepen die de spindoctors van de partij hadden uitgetekend. Die verboden hen zonder meer contact met de pers. Als ze toch journalisten te woord stonden, werd van hen verwacht dat ze woordelijk de hun voorgekauwde quotes debiteerden. Blair en zijn spindoctors waren controlefreaks die van de Lagerhuisleden een absolute loyaliteit verwachtten. ‘To be on message,’ heette dat toen.

Backbencher en vroeger mensenrechtenactivist Jeremy Corbyn, sinds 1983 de vertegenwoordiger van het Londense kiesdistrict Noord-Islington, lapte het verbod vierkant aan zijn laars. Oekazes vanuit Downing Street waren niet aan hem besteed. Corbyn had naam en faam gemaakt als luis in de pels van het partijestablishment. Ook in 1998-99 spaarde hij zijn kritiek niet aan het adres van wat verondersteld werd ‘zijn’ regering te zijn. Televisiestations stonden te dringen op het trottoir voor de Royal Courts of Justice om hem een microfoon onder de neus te steken. Corbyn was happy to oblige. Naar eigen zeggen herkende hij nauwelijks nog zijn eigen Labourpartij, waar onder leiders Neil Kinnock en John Smith (weliswaar moeizaam) een opendebatcultuur was gegroeid.

Gelijkaardige situaties deden zich voor toen Blair beslist had om mee te stappen in de oorlogslogica van de Amerikaanse president George W. Bush. Tijdens de naweeën van 9/11 maakte die plannen om Irak binnen te vallen, in een poging om er het internationale terrorisme te bestrijden. Later is gebleken hoe verdwaasd dat plan was, maar in 2002-2003 vond Bush een meer dan enthousiaste medestander in Tony Blair. De basis van de Labourpartij schreeuwde moord en brand, en voor een keer lieten tientallen parlementsleden zich niet de mond snoeren door de spindoctors in Downing Street. Onder hen waren er overtuigde Blairites, zoals Glenda Jackson, een drievoudige Oscarwinnares die zich na haar acteercarrière enthousiast in de politiek had gegooid. Er was ook de flamboyante en kleurrijke Schot George Galloway, die kort daarna uit de partij zou worden gezet en uiteindelijk berucht werd vanwege zijn optreden in het televisieprogramma Celebrity Big Brother en zijn louche politieke vrienden (o.m. de Libische leider Khadaffi).

Ook deze keer nam Jeremy Corbyn het voortouw. Tijdens een antioorlogsmeeting in de Methodist Central Hall in Westminster voorspelde hij me toen dat de situatie in het Midden-Oosten, vanwege de invasie in Irak, grondig uit de hand zou lopen. Het verbijsterde hem dat noch de Amerikaanse noch de Britse regering niet de minste moeite nam om plannen te maken voor wat na de militaire interventie in Irak moest gebeuren. In Irak zou onnodig veel bloed vergoten worden, redeneerde hij, en de regio zou een broedplaats voor islamistisch fundamentalisme en terreur worden. Achteraf gezien bleek hij gelijk te hebben.

Het verzet binnen de Labourpartij nam zulke afmetingen aan dat het even leek alsof de parlementsleden Blair aan de kant zouden schuiven en hem vervangen door een leider die meer oor had naar hun protest. In die jaren had ik een uitgebreid interview met Peter Kilfoyle, Lagerhuislid voor het district Walton in Liverpool. Kilfoyle was allerminst een vriend van extreemlinks, wel integendeel. Hij behoorde tot de centristische vleugel van de partij, en had midden de jaren 1980 op vraag van de toenmalige Labourleider Neil Kinnock de strijd aangebonden met de trotskistische infiltranten in Labour, die er zelfs in geslaagd waren de gemeenteraad van Liverpool naar hun hand te zetten. De strijdlustige Kilfoyle trok zich niets aan van de regelrechte en zelfs fysieke intimidatietactieken en psychologische oorlogsvoering van uiterst links, en slaagde er uiteindelijk in de partijafdeling te zuiveren. Kilfoyle vertelde me toen dat dat er binnen Labour geen traditie bestaat om de partijleider aan de kant te zetten: de parlementsleden slikken wat de leiding hen voorschotelt. Kritiekloos zijn ze niet, ze klagen voortdurend over de leiding van de partij en de richting die ze de partij uitstuurt, maar de stap naar een paleisrevolutie is net altijd iets te groot. Kilfoyle voorspelde dat Blair zijn legislatuur zou uitzitten, tenzij hijzelf uit eigen beweging zou opstappen. Wat uiteindelijk ook gebeurde, toen Blair in 2007 de plaats ruimde voor zijn rivaal en ex-medestander Gordon Brown.

WIE HET ZWAARD HANTEERT...

Net als tijdens de beginjaren van het millennium klinkt ook vandaag weer gemor op de banken van de Labourparlementsleden. Jeremy Corbyn werd in september 2015, na de desastreuze resultaten in de verkiezingen van mei van dat jaar, met 59% van de stemmen verkozen tot leider, ondanks de alarmkreten van rechts. Corbyn zou de partij, vanwege zijn compromisloos linkse standpunten voor de volgende tien jaar onverkiesbaar maken, waarschuwden de centristen en de rechtervleugel. De partij zou zichzelf veroordelen tot jaren van machteloze oppositie.

Oudere partijsoldaten herinnerden zich nog de verkiezing van 1983, toen Michael Foot leider was. Foot was een innemende en ontwapenende, zij het notoir humorloze excentriekeling, een professorale verschijning met een sjofele, afgedragen regenjas vol vetvlekken, een onafscheidelijke wandelstok en lange grijze haren. Op de plechtige 11-novemberherdenking aan de Londense Cenotaaf verscheen hij, als leider van ‘Hare Majesteits Oppositie’, aan de zijde van Koningin Elizabeth II, in een tot op de draad versleten duffelcoat. Met zijn lange sneeuwwitte haren wapperend in de novemberwind leek hij op een vogelverschrikker. Het verkiezingsprogramma dat op Foots verkiezing volgde, en waarin eenzijdige kernontwapening en nationalisering van de industrie de belangrijkste elementen waren, noemde de pers ‘de langste zelfmoordbrief uit de geschiedenis’. Pas in 1997, toen Tony Blair de partij had vernieuwd en een ruk naar rechts had gerealiseerd, kon Labour weer eens een verkiezing winnen.

Volgens zijn critici was Jeremy Corbyn een nieuwe Michael Foot, en een nauwelijks vermomde cryptocommunist. Schatrijke partijaanhangers die Labour de voorbije jaren miljoenen ponden hadden toegestopt, vaak in ruil voor een zitje in de House of Lords, dreigden ermee hun steun in te trekken. Volgens ex-premier Blair zou de verkiezing van Corbyn een stap terug in de tijd zijn die Labour twee decennia lang onverkiesbaar zou maken: ‘Wie zegt dat zijn hart hem opdraagt om voor Corbyn te stemmen, moet dringend een transplantatie ondergaan.’ Dat Corbyn zei dat het Verenigd Koninkrijk betere banden moet aanknopen met het Rusland van Poetin en moet overgaan tot de nationalisering van de Britse sleutelindustrieën, was niet van aard om hem voor gematigde sociaaldemocraten in te nemen.

Sinds september vorig jaar is de storm niet meer gaan liggen. Er gaat geen dag voorbij dat de pers bericht, de conservatieve Daily Telegraph (soms smalend de Tory Telegraph genoemd) voorop, over wat ze de burgeroorlog binnen Labour noemt. Labour is verdeeld en boos. Zelfs een links magazine als The New Statesman (die er ooit in slaagde om Tony Blair af te beelden met een Hitlersnorretje) gaf al diverse parlementsleden een forum om lucht te geven aan hun ongenoegen. ‘De partij zou meer succes hebben met een andere leider,’ schreef er een onomwonden. En: ‘Elke dag opnieuw vind ik een nieuwe reden om te wanhopen.’ Het is niet zozeer Corbyns bekommernis om een goede gezondheidszorg en huisvesting, een fatsoenlijk werkgelegenheidsbeleid en degelijk onderwijs dat de centristen en rechts zorgen baart, maar wel zijn pleidooi voor een afbouw van het nucleaire-duikbotenprogramma. Dat is een discussie die er in 2016 aankomt en die binnen Labour het stof hoog zal doen opwaaien. Ook Corbyns vergoelijkende commentaren over Hamas, Hezbollah en de vroegere Ierse terreurbeweging IRA, en over de gewelddadige dood van Osama bin Laden (‘een tragedie’) waren niet van aard om de behoudende vleugel van de partij gerust te stellen.

Betekent dat ook dat de parlementsleden klaarstaan om Corbyn in te ruilen voor een conservatiever exemplaar? Daar hebben ze de macht toe. Over parlementslid Dan Jarvis doen geruchten de ronde dat hij zich in de coulissen aan het opwarmen is. Maar in de Britse politiek hoor je soms de uitdrukking: ‘He who wields the dagger seldom wears the crown’ (een citaat dat ten onrechte vaak aan Shakespeare wordt toegeschreven). Daarbij wordt dan ook om de haverklap verwezen naar Michael Heseltine, de Conservatief die in 1990 toenmalig premier Margaret Thatcher uitdaagde voor het leiderschap van de Conservatieve Partij. Uiteindelijk zou Thatcher eind 1990 huilend Downing Street verlaten, maar Heseltine zou nooit partijleider worden. De grijze en politiek zwakke John Major werd dat wel. Hij die het zwaard hanteert, mag zelden de kroon op zijn hoofd zetten. Het geldt niet alleen voor de Conservatieven, maar mutatis mutandis ook voor Labour. En vermoedelijk ook voor de eerste de beste bingovereniging. Voorlopig is er geen enkele reden om aan te nemen dat de Labourparlementsleden nu wel ernstig nadenken over een machtswissel en Corbyn in te wisselen voor iemand als Dan Jarvis.

De grote kracht van Jeremy Corbyn is de steun die hij geniet bij de basis van de partij. Hoewel het ledenaantal volgens de laatste berichten de voorbije maanden weer licht aan het dalen is, blijkt uit een onderzoek van de progressieve krant The Guardian dat Labour sinds mei vorig jaar meer dan honderdduizend leden heeft bijgewonnen: van 200.000 tot 380.000 (in januari van dit jaar). Sommige partijafdelingen hebben hun ledenaantal zelfs kunnen vervijfvoudigen. De afdeling van Bath, in het zuiden van Engeland, groeide van 300 leden tot 1300. Hoewel het in sommige afdelingen weer bon ton geworden is om elkaar met ‘kameraad’ aan te spreken, zijn dat heus niet allemaal dogmatische linksen. Veel van hen zijn leden die de partij verlaten hadden uit protest tegen de oorlog in Irak en tegen de rechtse retoriek van Blair, maar nu zijn teruggekeerd. Ze lijken in niets op de trotskistische militanten die Peter Kilfoyle halverwege de jaren 1980 in Liverpool de deur wees, en op dit moment is er zover bekend in geen enkele partijafdeling sprake van een zogenaamde ‘deselectie’ van het lokale Labourparlementslid. Het gaat vooral om jongeren en academici die een zucht van verlichting slaken omdat Labour eindelijk zijn authentieke, centrumlinkse stem heeft teruggevonden. Het ‘Corbyn Effect’ kan de partij een kans geven om de stem van de basis weer meer volume te geven.

OP NAAR HET REFERENDUM

Zelf heb ik me al vaak afgevraagd waar je Corbyn in de Belgische of Vlaamse sociaaldemocratie zou moeten plaatsen. Het is een moeilijke kwestie, vooral omdat je ervoor moet opletten om Labour met sp.a of met een andere traditioneel Europese sociaaldemocratische partij te vergelijken. Zeker nu de liberalen vrijwel geheel van het politieke toneel zijn verdwenen (dat hebben de liberalen vooral aan vroeger partijleider Nick Clegg te danken, die er in zijn eentje in slaagde om zijn eerbiedwaardige progressieve partij naar de verdoemenis te helpen) blijven in de Britse politiek maar twee grote bewegingen meer over (de Schotse nationalistische SNP niet te na gesproken). Zowel Labour als de Conservatieve Partij omvat zo’n breed spectrum aan ideologieën en strekkingen dat je er nauwelijks nog een politieke lijn in kunt herkennen. Op de linkervleugel van Labour situeert zich een kleine minderheid aan uiterst linkse militanten die bij ons vermoedelijk zouden aanleunen bij PVDA. Aan de rechterzijde bevinden zich leden die je het best zou kunnen omschrijven als behoorlijk rechtse christendemocraten. Mogelijk behoorde Blair tot die strekking, diens opvolger (en domineeszoon) Gordon Brown zou bij ons vermoedelijk een christendemocratisch politicus van gematigde ACV-strekking zijn geweest. Tussen links en rechts in zou je een grijze massa herkennen van ondernemers, zelfstandigen, ambtenaren en vakbondsmilitanten. Britse leraars hebben dan weer een lange traditie van links syndicalisme. Het is een allegaartje, en het is dus niet bevreemdend dat die strekkingen (in grote mate vergelijkbaar met de standen bij onze vroegere CVP, maar dan veel breder) soms botsen.

In de loop van de geschiedenis is de macht binnen Labour vaak verschoven. Harold Wilson, die voor het eerst premier werd in 1964, had een centrumlinkse reputatie en had veel sympathie voor de Liberale Partij. De man die hem in 1976 opvolgde als leider en premier, James Callaghan, kwam uit een oude vakbondstraditie maar was zelf veeleer sociaal gematigd links maar ethisch rechts en conservatief. Diens opvolger als leider, Michael Foot, was een linkse intellectueel. En Neil Kinnock kwam uit een syndicalistische mijnwerkersfamilie met traditioneel conservatieve sympathieën (in de ethische en filosofische betekenis van het woord). Over Tony Blair en Gordon Brown hebben we het al gehad.

Maar waar past Jeremy Corbyn in dat rijtje? Mensenrechten- en antiracismeactivist, solidair met de sociale underdog, overtuigd pacifist, gesteund door diverse vakbonden en een discours hanterend dat bij wijlen doet denken aan de loony left (dixit de schandaalpers) van de vroegere Londense burgemeester Ken Livingstone. Een belangrijk punt weerhoudt me ervan om zijn leiderschap consequent traditioneel links te noemen, en dat is zijn houding tegenover de Europese Unie. Was de man vroeger maar een koele minnaar van Europa, dan heeft hij nu te kennen gegeven dat zijn partij bij het komende ‘in’- of ‘uit’-referendum een stem voor ‘in’ zal adviseren. Sommige vooraanstaande Labourparlementsleden staan achter ‘uit’ en leiden zelfs de anti-eurocampagne, zoals Kate Hoey en Frank Field. Field waarschuwt dat Labour tienduizenden kiezers kan verliezen aan het eurokritische Ukip, en houdt vol dat Corbyns steun aan de EU de ‘op één na langste zelfmoordbrief uit de geschiedenis’ is. Bovendien kampt Corbyn wat het Brexit-referendum betreft met een geloofwaardigheidsprobleem. Zijn oproep aan de Britse kiezer om bij het referendum ‘in’ te stemmen miste in de eerste plaats overtuigingskracht. De indruk ontstond dat het partijstandpunt het resultaat was van politiek geschipper en opportunistische kansberekening. Waarom Labour tegen een Brexit zou zijn, dat heeft Corbyn tot op vandaag niet naar behoren aan de kiezer uit kunnen leggen.

Corbyn mag van geluk spreken dat zijn partij tenminste niet zo verdeeld is over de kwestie als de Conservatieven. Daar is zelfs een strijd om de macht uitgebroken die zich kristalliseert in de personen van premier David Cameron (‘in’) en de Londense ex-burgemeester Boris Johnson (‘out’) die zelfs enigszins doet denken aan 1975. Maar toen waren de rollen omgekeerd en was het Labour dat met zichzelf overhoop lag.

In 1975 keek toenmalig premier en leider Harold Wilson aan tegen een grondig verdeelde partij: een rechtervleugel die in de Europese Economische Gemeenschap EEG een reddingsboei zag voor de hopeloos verouderde en verdrinkende Britse economie, en aan de andere kant een linkervleugel die in de EEG een samenzwering zag van het kapitaal tegen de arbeidersklasse. Wilson dacht middels een referendum de tegenstanders van de EEG voor eens en voor altijd het zwijgen op te leggen. Zelf was hij een ‘in’-man, en om zich van een charismatische en geloofwaardige bondgenoot te verzekeren, had hij de hulp van de Duitse socialistische bondskanselier Helmut Schmidt ingeroepen. Die kweet zich voortreffelijk van zijn taak, en hield de Britse sociaaldemocratische achterban voor dat ‘de kameraden op het continent willen dat de Britse arbeiders ‘in’ stemmen’. Het resultaat was dat een overweldigende meerderheid van de Britse arbeiders vóór het lidmaatschap van de EEG stemde.

Zoals het er nu naar uitziet, zal de uitslag van het komende referendum deze keer veel krapper zijn dan toen (67 tegen 33%). Als het land verdeeld stemt, zal dat zware gevolgen hebben voor de Conservatieve Partij. Kon het referendum van 1975 het ‘uit’-kamp nog enige tijd de mond snoeren, dan zal dit anno 2016 minder goed lukken. Het zal er dan voor Labour op aan komen om een stevig alternatief te formuleren, iets waar de partij de voorbije zes jaar niet in is geslaagd. De vorige leider, Ed Miliband, hanteerde al te vaak een academisch taalgebruik dat bij de modale Brit weinig weerklank vond, en liet zelfs het concept van ‘the British promise’ los: de garantie dat elke nieuwe generatie het beter zal hebben dan de vorige. Dat was dodelijk voor de Britse sociaaldemocratie, en dat weerspiegelde zich in het voor Labour lastige verkiezingsresultaat in 2015.

Van de zware interne verdeeldheid bij de Conservatieve Partij lijkt Labour vooralsnog geen profijt te kunnen trekken. In de aanloop naar het Brexit-referendum gaat alle energie naar een rel over antisemitisme die de vroegere burgemeester van London, Ken Livingstone, over de partij heeft afgeroepen. Tijdens een geruchtmakend radio-interview liet die zich ontvallen dat Adolf Hitler een zionist was, omdat hij ‘de Duitse Joden naar Palestina wou deporteren’. Enkele minuten later al werd Livingstone voor het oog van de televisiecamera’s de huid vol gescholden door een Labourparlementslid, die hem verweet antisemiet te zijn en dat hij de geschiedenis wil herschrijven. Livingstone werd door de partij op non-actief gezet, maar het kwaad was geschied. Meteen vielen de conservatieve kranten over elkaar heen om bij Labour antisemitische stellingnames te detecteren. Ook leider Jeremy Corbyn deelt in de brokken en slaagt er niet in om de aandacht op de economische en sociale agenda van de Labourpartij te vestigen.

De partijtop kan zich nu troosten met de niet al te zwaar tegenvallende resultaten bij lokale en regionale verkiezingen van 5 mei. Weliswaar werd Labour bij de parlementsverkiezing in Schotland, ooit een rood bastion, gedegradeerd tot een beschamende derde plaats, na de (centrumlinkse) Schots-nationalistische SNP en de ooit door Schotten verguisde Conservatieven, maar het burgemeesterschap van Londen was wel een pluim die Labour en zijn kandidaat Sadiq Khan op hun hoed konden steken. Na acht jaar Conservatief beleid onder de reactionaire maar kleurrijke Boris Johnson, lijken de Londenaren teruggekeerd naar de oude sociaaldemocratische stal. Het burgemeesterschap van de wereldstad Londen, een ambt met veel politieke uitstraling, doet Labour weer dromen van een electorale wederopstanding. Maar misschien moet Corbyn dan wel eens luisteren naar de nieuwe burgemeester, die ervoor waarschuwt dat Labour pas weer parlementsverkiezingen zal winnen als het traditioneel Conservatieve kiezers en de zakenwereld ervan kan overtuigen dat de economie ook bij Labour in goede handen is.

Ivan Ollevier
Journalist Buitenlandredactie VRT-Journaal

Labour Party - Groot-Brittannië - Jeremy Corbyn

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 5 (mei), pagina 63 tot 69