Abonneer Log in

Waar staan we na 1 jaar Bourgeois I?

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 7 (september), pagina 10 tot 15

Exact een jaar geleden maakte Vlaams minister-president Geert Bourgeois met zijn September-verklaring een vrij bedeesde start. Er werden geen grootse plannen uitgemeten. Ietwat aarzelend zou er met de vingers stevig op de budgettaire knip richting toekomst worden geschuifeld. Het beleid zou rechts zijn, uiteraard, maar alles was bespreekbaar en waar nodig zou er worden overlegd en sociaal worden gecorrigeerd. Een dik jaar later zien we echter een Vlaamse Regering met een heel ander gezicht. Nu het stof van de verkiezingen is gaan liggen, moeten we niet langer enkel afgaan op het tromgeroffel maar kunnen we ook een blik werpen op de richting die men uit marcheert. Tijd voor een eerste balans. We komen hierbij tot vijf vaststellingen.

1. U BETAALT TOCH OOK?

Eerste vaststelling: dit is een factuurregering. Aan een tempo waar de meest gehaaide consultants van zouden dromen, werd er het afgelopen jaar op zowat alle beleidsdomeinen systematisch facturen uitgeschreven aan het adres van de burger.

Enkele voorbeelden. Het verhogen van de bijdrage voor kinderopvang, het niet-indexeren van de kinderbijslag, het optrekken van de maximumfactuur in het onderwijs, het verhogen van het inschrijvingsgeld in hoger onderwijs, volwassenenonderwijs en deeltijds kunstonderwijs, de prijsstijging bij het openbaar vervoer, het verhogen van de prijs van elektriciteit en water, het optrekken van de bijdrage voor de zorgverzekering, het snoeien in de renovatiepremie en het stijgen van de rusthuisfactuur.

Dit alles natuurlijk bovenop alle federale maatregelen die genomen werden en waarover we het hier niet eens hebben. Van de wieg tot aan het graf: niemand ontsnapt aan deze factuurregering. Of toch? Hier en daar glipt er iemand door de mazen van het net. Denk maar aan de verlaging van de schenkingsrechten voor wie vermogen heeft om weg te schenken.

2. REMSPOREN OF VLUCHTMISDRIJF?

Van de beloofde sociale correcties, de befaamde rem op het rechtse beleid, valt er voorlopig weinig te bespeuren. Wat men ook moge beweren, de laagste inkomensgroepen worden niet ontzien. De correcties die wel toegepast worden, blijven systematisch onder het niveau van de behoeften en vaak zelfs onder het niveau van wat vroeger al bestond.

In de kinderopvang stijgt de kostprijs voor de laagste inkomens sterk. Mits een sociaal onderzoek door het OCMW kan die stijging wat worden afgezwakt (het tarief gaat dan ‘slechts’ verdubbelen in plaats van verdriedubbelen). Bovendien worden er een aantal andere maatregelen genomen die het aanbod aan betaalbare plaatsen beperken en zo de drempels voor de meest kwetsbare groepen nog groter maken.

De gevolgen van het afschaffen van gratis drinkwater en het optrekken van de vergoeding ‘corrigeert’ men via een vermindering naargelang de gezinsomvang, maar ook daar is er weinig sprake van een sociale correctie. Niet alleen omwille van de beperkte aandacht voor alleenstaanden, maar ook omdat de groep die sociale correcties ontvangt (5%) gewoon veel kleiner is dan de groep van Vlamingen die in armoede leeft (10%). In andere maatregelen, zoals het afschaffen van het gratis openbaar vervoer voor 65-plussers, zijn er helemaal geen correcties te bespeuren.

In het arbeidsmarktbeleid worden de langdurig werklozen letterlijk aan hun lot overgelaten. Nochtans is het aantal mensen dat langer dan een jaar werkloos is sinds het uitbreken van de crisis in 2008 gestegen met meer dan 30.000 eenheden. Dat heeft niet alleen te maken met de economische malaise, maar ook met de druk op de productiviteit in de industrie en de zware saneringen bij de overheid, waardoor jobs voor lager geschoolden in de verdrukking geraken. Het aantal mensen in Vlaanderen dat langer dan twee jaar werkloos is, zit nu op een ongezien record van meer dan 65.000. Voor de staatshervorming ging er op het federale niveau zo’n 100 miljoen euro naar specifieke RSZ-kortingen en activering van de uitkering voor langdurig werklozen in Vlaanderen. Geld dat naar werkgevers ging die deze mensen wilden aanwerven. In het geplande nieuwe systeem van doelgroepkortingen komen langdurig werklozen niet eens meer voor als doelgroep. Tewerkstellingsprogramma’s voor deze mensen worden tegelijk ook afgebouwd. Waar zij tot gisteren terechtkonden in betaalde jobs die een dienst verlenen aan de samenleving, zullen zijn morgen enkel nog kunnen rekenen op onbetaalde stages. Het groeipad dat in het regeerakkoord nog beloofd werd voor de sociale economie, werd meteen al voor minstens twee jaar geschrapt. De voorwaarde voor dienstenchequebedrijven om 60% van hun vacatures in te vullen met werklozen werd eveneens met één pennentrek afgevoerd.

Wie spreekt van sociale correcties neemt dus een loopje met de waarheid. De aarzeling en milde toon die aan het begin van de legislatuur bij N-VA en Open VLD nog enigszins te bespeuren viel, is ondertussen definitief verdwenen. De vaststelling moet dan ook zijn dat, alle goede wil en inzet ten spijt - en die was er wel degelijk - de CD&V, net als op het federale niveau, ook in de Vlaamse Regering steeds meer in de rol terechtkomt van de kikker die een schorpioen helpt oversteken.

3. MINDER! MINDER! MINDER! (JOBS)

Daar waar vorige regeringen nog uitblonken in het beloven van nieuwe jobs, belooft Bourgeois I voorlopig vooral om te snoeien in werkgelegenheid. Met een mengeling van draconische budgetbeheersing en ideologische bravoure wordt er stevig het mes gezet in de tewerkstelling.

Ook naast de voor de hand liggende cases van de besparingsdruk bij overheidsinstellingen als de VRT, De Lijn en de VDAB zijn de voorbeelden legio. Zo’n 3.500 jobs in het systeem van de werkervaring (WEP+) zijn al verdwenen, de besparing op de Gesco’s betekent (minstens) het equivalent van 1.800 jobs, de Vlaamse ambtenaren moeten 2.000 jobs inleveren, … Verder staan er plannen in de steigers die de tewerkstelling bedreigen van 10.000 mensen in de maatregel artikel 60 (re-integratie bij OCMW’s), 12.000 mensen in PWA (werklozen die beperkt kunnen bijverdienen via o.a. klusjes en tuinonderhoud), 3.500 mensen in de dienstenchequesector die extra steun krijgen via de SINE-maatregel, en ga zo maar door. Daarmee komt trouwens niet alleen een pak tewerkstelling op de helling te staan, ook de dienstverlening die via deze statuten georganiseerd wordt - broodnodige dienstverlening aan scholen, gemeenten, senioren en andere particulieren - dreigt daarmee te verdwijnen. Opnieuw een factuur dus, aan zowel de individuele burger als aan de gemeenten.

De ‘investeringen’ in jobs, of beter de plannen daartoe, blijven voorlopig beperkt tot één idee: een omvangrijk nieuw systeem van lastenverlaging dat ergens medio 2016 in werking zou moeten treden. Zo’n vereenvoudigd systeem van doelgroepmaatregelen, als uitvloeisel van de zesde staatshervorming, is een goed idee. Alleen is het bijzonder jammer dat men hierbij nogal driest tewerk gaat als het op simplificatie aankomt. Zo maakt men bijvoorbeeld geen onderscheid in de tegemoetkoming voor het aanwerven van een laaggeschoolde dan wel middengeschoolde jongere, waardoor de kansen van die eerste groep op de arbeidsmarkt er niet beduidend op vooruit zullen gaan. Bovendien organiseert men een lage loonval door de loongrens te strikt te hanteren en zullen deze jongeren dus in de eerste tien jaar van hun loopbaan een rem ondervinden op hun inkomen.

Nog frappanter is de eigengereidheid waarmee Vlaanderen het systeem van RSZ-kortingen wil uitwerken. Het overleg met de andere Gewesten over welke keuzes men maakt in het beleid rond loonlastenverlaging wordt nu pas opgestart, terwijl alle principiële keuzes al gemaakt zijn. Dat je eigen bevoegdheden zelf mag invullen, betekent niet dat wat er in andere Gewesten gebeurt niet meer van belang is. Zo ziet het er bijvoorbeeld naar uit dat we gaan naar een situatie waarin een enorme groep Vlaamse pendelaars in Brussel voor hun werkgever duurder zal worden, omdat de ene regio kiest voor loonkostmaatregelen die afhangen van de woonplaats van de werknemer en de andere voor een toekenning op basis van de vestigingsplaats van het bedrijf. Dat werkgevers die zich niet beperken tot tewerkstelling in één Gewest door het bos de bomen niet meer zullen zien, is een bijkomend heikel punt.

Voorlopig luidt de conclusie dus: deze regering blinkt tot nu toe vooral uit in jobverlies, eerder dan in jobcreatie.

4. ALLEN VOOR VLAANDEREN, VLAANDEREN VOOR VISIE

Vierde vaststelling: de boekhoudersmentaliteit overheerst nog steeds op visie. Daar waar er op het vlak van een loonlastenverlaging een duidelijke richting wordt uitgezet - zij het dan met niet altijd even doordachte weg ernaartoe, zoals we net zagen - is het qua toekomstvisie eerder huilen met de pet op als het gaat over andere maatschappelijke uitdagingen. We hebben de indruk dat deze regering maar één echt project heeft: een begroting in evenwicht (en zelfs dat wil maar niet lukken), waarbij ze strenger wil zijn dan wat de Hoge Raad van Financiën voorrekent.

Er wordt bespaard op onderwijsparticipatie. Zo worden de inschrijvingsgelden en de maximumfactuur hoger, en dalen de middelen voor gelijke onderwijskansen. De hervorming van het secundair onderwijs om het watervaleffect aan te pakken, blijft in de koelkast zitten. Dit terwijl de arbeidsmarkt schreeuwt om mensen met de juiste competenties en laaggeschoolden de klos zijn als het op werk zoeken aankomt.

De ecologiepremie voor bedrijven wordt zwaar teruggeschroefd, terwijl de groene economie wereldwijd een van de snelst groeiende economische takken is. Een geloofwaardig klimaatbeleid blijft uit. Er gaat te weinig klimaatgeld naar broodnodige klimaatinvesteringen in Vlaanderen, zoals de isolatie van woningen of beter openbaar vervoer, en te veel naar een aantal twijfelachtige projecten in het buitenland. We dreigen kansen te missen als er minder investeringen komen in hernieuwbare energie. Toch klinkt het in het parlement bij monde van minister Philippe Muyters dat de overheid groene economie niet extra moet stimuleren.

Ondanks de talloze voorbeelden van flagrante discriminatie (in de interim-sector, de dienstencheques) die het afgelopen jaar opnieuw de kop opstaken, legt men plannen voor om het bestaande beleid rond evenredige arbeidsdeelname verder af te zwakken en de betrokkenheid van werknemers en vakbonden daarin in te perken.

Er wordt bespaard op openbaar vervoer terwijl het verkeer op de wegen dichtslibt. Het armoedebeleid wordt herleid tot projectmatige liefdadigheid in de vorm o.a. één-euromaaltijden. Samenlevingsconflicten nemen toe en ondertussen kreunt het verenigingsleven onder de hakbijl.

Toegegeven, het is nog vroeg in de legislatuur. En er zijn wel een aantal pogingen lopende om meer toekomstvisie te ontwikkelen. Het maatschappelijk overleg in de zorg- en welzijnssectoren dat minister Jo Vandeurzen op sporen wil zetten, is daar een voorbeeld van.

Even was er zelfs de aanzet tot een echt toekomstplan voor 2050, over alle beleidsdomeinen heen. Helaas dreigt dat nu te verzanden omdat men vooral heel snel iets in mekaar wil boksen en maar weinig ruimte laat voor sociaal overleg en echte dialoog met het middenveld. Perceptie krijgt daardoor de overhand op inhoud en laten we eerlijk zijn: niemand zit te wachten op een herkauwen van de goednieuwsshow die Vlaanderen in Actie (ViA) in het verleden is geweest.

5. SOCIAAL OVERLEG OF MONOLOOG?

Als de Vlaamse Regering op één vlak voor een trendbreuk heeft gezorgd, dan is dat in het sociaal overleg. Zelden was er een Vlaamse Regering die zo weinig respect of aandacht voor de sociale partners vertoonde. Zeker de vakbonden worden maar met mondjesmaat betrokken bij het beleid. Natuurlijk hebben ook de werkgeversorganisaties hierbij boter op het hoofd. Zij zien punt na punt uit hun verlanglijstjes van voor de verkiezingen gerealiseerd worden en vertonen dus weinig animo voor compromissen in het overleg. Dat het paritair overleg over bijvoorbeeld het Banenpact daardoor moeizaam verloopt, is dan ook niet verwonderlijk. En dat geeft de regering dan weer de vrijheid om te doen of hun neus bloedt: ‘We willen wel luisteren, maar het sociaal overleg gaat niet vooruit’.

Tegelijk bemoeilijkt het beleid ook op andere manieren zelf het overleg en de inspraak van het middenveld. Vooreerst in de structuren. Het mag gezegd dat het tripartiete VESOC-overleg stilaan dreigt te verworden tot het informeren van de sociale partners. Er wordt erg weinig rekening gehouden met de opmerkingen en vaak is het zelfs moeilijk om überhaupt tot een gesprek te komen. Typevoorbeeld daarbij was de aanpak van minister Liesbeth Homans aangaande de afschaffing van de SINE-maatregel in de dienstenchequesector. Ondanks het feit dat zowel de interprofessionele als sectorale werkgevers én vakbonden in consensus aandrongen op voorzichtigheid en een goede impactanalyse voor men deze hervorming doorvoerde, bleef de minister stokdoof voor elke inspraak vanuit het sociaal overleg. Tot op het moment dat er in de pers de eerste ontslaggolf werd aangekondigd door de betrokken bedrijven. Zelfs daarna is er echter nog steeds geen echt gezamenlijk en formeel overleg met de sociale partners geweest om tot gedragen oplossingen te komen. Als er overleg is, gebeurt dit informeel en buiten de daartoe opgerichte fora.

Deze manier van werken gebeurt ook met steeds minder gêne en meer openlijk. Voor de zomervakantie kwamen er op de Vlaamse Regering een aantal voor de sociale partners zeer strategische dossiers op de agenda. Eén daarvan was het diversiteitsbeleid. De afgelopen maanden hebben de sociale partners formeel en tevergeefs de agendering van dit dossier op VESOC gevraagd. Telkens was het antwoord dat we ten gepaste tijde betrokken zouden worden, maar pas nadat de regering een aantal knopen had doorgehakt. Met een conceptnota ter zake is dat nu gebeurd: het diversiteitsbeleid wordt hervormd en de rol die de sociale partners daarin spelen lijkt sterk te worden teruggeschroefd. Bij de bekendmaking van de conceptnota schreef werkgeversorganisatie VOKA doodleuk in een persbericht dat zij tevreden waren met het resultaat en dat zij ‘van in het begin nauw betrokken’ waren geweest bij het dossier. Natuurlijk bepaalt de politieke kleur van een regering welke organisaties het meeste resultaat uit hun lobbywerk halen, maar zo openlijk het oor te luisteren leggen bij slechts één kant van de onderhandelingstafel, dat is ongezien.

De haast allergische reactie op sociaal overleg wordt ook duidelijk in de plannen rond het streekoverleg. De geplande hervorming van de SERR-RESOC’s spreekt daarbij boekdelen. Het faciliteren van paritair overleg tussen sociale partners op streekniveau wordt botweg geschrapt en het tripartiet overleg (inclusief de gemeenten dus) wordt alleen nog mogelijk daar waar men zelf een initiatief neemt om een mogelijke financiering aan te vragen. Het betrekken van de lokale sociale partners daarbij wordt aangeraden, maar is geen noodzakelijke voorwaarde.

Tot slot helpt ook het aan de lopende band schofferen van het middenveld niet echt. De vaak publieke aanvallen zijn schering en inslag en ongezien hard. Aan het adres van de vakbonden, maar ook ten aanzien van het bredere middenveld: armoedeorganisaties, verenigingsleven, vertegenwoordigers van minderheden, enzovoort.

ON A ROAD TO NOWHERE?

Het zal niet verbazen: we zijn niet bijster enthousiast over de balans van 1 jaar Bourgeois I. Toch is het niet te laat om zich te herpakken en een koerswijziging in te zetten. Er is nog voldoende tijd om van vage concepten uitgewerkte en vooral gedragen maatregelen te maken. Er is nog tijd om de ideologische en budgettaire kramp te verlaten en zich te focussen op wat werkt, wat voor iedereen verteerbaar is en wat jobs oplevert.

De eerste sleutel daarbij is het weer herstellen van de sociale dialoog. Op vier jaar van de volgende verkiezingen is al die dikdoenerij ten aanzien van het middenveld verspilde moeite. Adding insult to injury. Als men tot gedragen beleid wil komen, dan zal men het overleg opnieuw echt moeten aangaan zonder vooraf al de agenda van één van de partners ten uitvoer te brengen.

Het is niet te laat voor een echt investeringsbeleid. De maatschappelijke uitdagingen daarvoor liggen voor de hand: energiezuinige woningen, scholen, ziekenhuizen, rusthuizen, hernieuwbare energie, een toegankelijke basismobiliteit, sociale en technologische innovatie. Het is niet te laat om de besparingsdrift in te ruilen voor een structureel begrotingsbeleid en het opdrijven van de overheidsinvesteringen, zoals de SERV al langer voorstelt. Of om te gaan voor een meer rechtvaardige fiscaliteit, ook op Vlaams niveau.

Het is niet te laat om discriminatie op de arbeidsmarkt rigoureus aan te pakken, een sterk systeem van betaald educatief verlof uit te werken, een kwaliteitsvolle werkervaring te garanderen aan wie werkloos is, om werkgevers die langdurig werklozen willen aanwerven te ondersteunen via een activering van de uitkering, om jobs in de sociale economie uit te bouwen, om in het licht van werkbaar werk de werkdruk aan te pakken op sectoraal niveau.

Het is niet te laat om werk te maken van het automatisch toekennen van rechten (eerder dan gewoon andere drempels uit te werken voor de zwakkeren), om te gaan voor een rechtvaardige kinderbijslag, betaalbare kinderopvang, om de hervorming van het secundair onderwijs door te voeren en het aantal jongeren zonder diploma te verminderen.

Niet zozeer vele kleine, maar één grote sociale correctie hebben we nodig. Eén in de hoofden van de beleidsmakers. En het zou de regering ook nog iets kunnen opleveren: de vaststelling, aan het eind van de rit, dat er misschien ook nog iets is opgebouwd en niet alleen afgebouwd. Er zijn werkbare alternatieven zat, voor wie bereid is te luisteren naar alle betrokkenen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 7 (september), pagina 10 tot 15