Abonneer Log in

De ontwikkelingsagenda na de Millenniumdoelstellingen

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 7 (september), pagina 35 tot 39

‘Transforming our World’, de wereld veranderen, is de titel van het ontwikkelingsprogramma dat eind september in New York wordt goedgekeurd. Dit is de tweede wereldconferentie van de Verenigde Naties in een reeks van drie voor 2015. ‘Tijd voor mondiale actie’ is dan ook het algemene motto. Begin december volgt de Klimaatconferentie in Parijs waar de laatste harde knopen moeten worden doorgehakt. Op de eerste VN-conferentie van dit jaar, over de financiering van ontwikkeling in Addis Abeba (13-16 juli), zei secretaris-generaal van de Verenigde Naties Ban Ki Moon dat dit een ‘nieuw sociaal contract is om iedereen sociale bescherming en essentiële sociale diensten te bezorgen’. Inmiddels is het programma voor die conferentie klaar en kunnen we zien of de boude beweringen van Ban Ki Moon ergens op berusten.1

DE POST-2015 AGENDA

2015 is het jaar dat de ‘Millenniumdoelstellingen’ (MDO) aan hun einddatum komen. In 2000 werd op de Algemene Vergadering van de VN een ‘Millenniumverklaring’ aangenomen. Daaruit werden later acht sociale doelstellingen gehaald, met als eerste de halvering van de extreme armoede tussen 1990 en 2015. Nu dus. Deze tweede VN-conferentie van dit jaar (25-27 september, New York) gaat over de vernieuwing van die doelstellingen met een nieuwe agenda voor 2030.

De weg er naar toe liep langs twee verschillende sporen. Enerzijds het spoor van deze Millenniumdoelstellingen en wat er de afgelopen vijftien jaar werd bereikt; anderzijds het spoor van de ‘Rio +20’ doelstellingen, de VN-conferentie 20 jaar na 1992 over ‘ontwikkeling en milieu’, de hoeksteen voor het mondiale milieubeleid tot nog toe. Vandaar dat eind september in New York een agenda met ‘duurzame’ ontwikkelingsdoelstellingen wordt goedgekeurd.

MILLENNIUMDOELSTELLINGEN GEHAALD?

Vooraleer te kijken naar wat de nieuwe agenda te bieden heeft, kan het goed zijn na te gaan wat de oude agenda heeft opgeleverd. Dat is geen makkelijke opdracht, want de cijfers zeggen veel minder dan men zou verwachten.

Volgens de officiële armoedestatistieken is doelstelling 1 wel degelijk bereikt. De extreme armoede in de ontwikkelingslanden bedroeg in 1990 zo’n 43,05% en zakte tot 20,63% in 2010. Men verwacht dat ze verder zal dalen tot 13,4% in 2015.
Een eerste probleem hiermee is dat er bijzonder weinig echte gegevens zijn. De statistieken zijn zeker veel verbeterd, maar voor te veel landen zijn er enkel schattingen en extrapolaties. Bovendien stelt men vast dat de nationale data steevast verschillen van die van de internationale instellingen en dat die verschillen zeker niet afnemen met de tijd. Ten slotte is er een groot probleem met de ‘PPPs’, de koopkrachtpariteiten die worden gebruikt om de statistieken op nationaal vlak internationaal vergelijkbaar te maken. Afhankelijk van de gevolgde methodologie - die voortdurend verandert - kunnen de schommelingen erg oplopen, tot zelfs meer dan 30%.
Los van deze meetproblemen vallen vooral de geografische verschillen in de geboekte resultaten op. De grootste daling van de armoede werd vastgesteld in China en India, twee groei-economiën die het zowel op het vlak van ontwikkeling als van sociaal beleid goed deden de afgelopen twintig jaar. In zwart Afrika is de extreme armoede echter nauwelijks gedaald, van 56,5% in 1990 tot 48,2% in 2010. In aantal mensen betekent dit een stijging van 289 miljoen naar 416 miljoen mensen.

Over de andere indicatoren valt er niet zoveel te zeggen omdat de gegevens ontbreken. Slechts de helft van de gegevens die men in de vele kleurrijke brochures vindt, berusten op tellingen.
Men gaat ervan uit dat de doelstellingen inzake toegang tot basisonderwijs, de genderkloof in dat basisonderwijs, de kindersterfte onder de vijf jaar, de toegang tot water en de strijd tegen HIV/AIDS, malaria en tuberculose gehaald of bijna gehaald werden. Dat mag niet onderschat worden en is voor de betrokken bevolkingen een enorme vooruitgang.

WELKE NIEUWE DOELSTELLINGEN?

De problemen met de oude doelstellingen geven meteen aan wat er schort aan de nieuwe ambities. In de conclusies van ‘Rio + 20’ werd gesteld dat het nieuwe programma ‘bondig, beperkt en actiegericht’ moest zijn. ‘Transforming our World’ telt echter 17 doelstellingen en niet minder dan 169 ‘targets’. Voor veel ‘targets’ is het bovendien zo goed als onmogelijk om indicatoren te bedenken.

Het eerste bezwaar is daarom zeker dat het nieuwe programma een soort kerstboom is geworden waarin iedereen wel iets zal zien dat hem of haar bevalt. Het programma is helemaal niet gefocust. Er gaat geen krachtige boodschap van uit. De essentiële punten worden niet in de verf gezet. En zoals gebruikelijk in compromisteksten, vallen ook hier een aantal contradicties op. Zo is de verhouding tussen armoede en duurzame ontwikkeling nog altijd niet uitgeklaard. In dit jongste document wordt de uitroeiing van armoede de grootste mondiale uitdaging genoemd en een onontbeerlijke voorwaarde voor duurzame ontwikkeling. Wat betekent dat armoedebestrijding een onderdeel wordt van het hogere doel van duurzame ontwikkeling, en niet omgekeerd zoals wel in vroegere documenten werd gesteld. Ietwat bizar is ook de herhaalde uitdrukking ‘met inbegrip van extreme armoede’, alsof je de armoede kan uitroeien en de extreme armoede kan laten bestaan.

Voor armoede en ongelijkheid werden overigens de in 2013 aangenomen doelstellingen van de Wereldbank overgenomen: uitroeiing van de extreme armoede tegen 2030 en het delen van de welvaart door de inkomens van de 40% armste bevolking sneller te laten stijgen dan die van de bevolking in het algemeen. Dit tweede punt staat bij de aparte doelstelling (10) voor het verminderen van de ongelijkheid binnen en tussen landen. Ook het loonbeleid en sociale bescherming worden hierbij vermeld als mogelijke instrumenten.
Sociale bescherming wordt ook bij doelstelling 1 al vermeld, hoewel er geen sprake is van enig universeel beleid en er enkel wordt gevraagd om de armen en kwetsbaren een volledige bescherming te bieden tegen 2030.
Mensenrechten worden wel vermeld in de verklaring, maar minder sterk dan in de Millenniumverklaring het geval was. Ze komen niet ter sprake in de doelstellingen zelf.
Opvallend is verder dat er veel minder cijfermatige doelstellingen zijn en er heel veel ‘significantly’s and ‘substantially’s zijn.
In verband met duurzaamheid moet vooral worden gewezen op de ‘gedeelde maar gedifferentieerde verantwoordelijkheid’ van landen, een principe dat altijd tot grote meningsverschillen tussen Noord en Zuid leidt. Hoewel deze nieuwe agenda universeel is, verwijst de uitdrukking echter enkel naar het duurzaamheidsbeleid en niet naar het ontwikkelingsbeleid in het algemeen. Een ander principe uit Rio, het verzekeren van een duurzaam productie en consumptiepatroon, wordt herhaald (12).

EEN ANDERE WERELD, EEN ANDER BELEID?

De grote vraag die bij dit nieuwe programma rijst is of die ‘andere wereld’ waar de internationale gemeenschap over spreekt, ook een ander beleid vergt. Dat kan alvast niet afgeleid worden uit het goedgekeurde programma. Groei en internationale handel blijven centraal staan. Het IMF blijft een soberheidsbeleid opleggen. Op de VN-conferentie in Addis Abeba (13-16 juli 2015) bleek al dat er ook voor de financiering niet erg veel nieuws moet worden verwacht. Doelstelling 10 van de nieuwe agenda spreekt wel over het ‘reguleren en controleren van mondiale financiële markten’, maar in Addis Abeba werd alles wat op meer regulering lijkt angstvallig vermeden of verzwakt. Ontwikkelingslanden kunnen steun krijgen voor het versterken van hun binnenlands fiscaal systeem, maar op het vlak van internationale belastingen werden er eerder stappen achteruit gezet dan vooruit. De door het middelveld bepleite belastingsinstantie bij de VN kon niet worden doorgedrukt.

Nog zorgwekkender is de groeiende rol van de particuliere sector. Het spreekt voor zich dat die een grote rol moet spelen in de ontwikkeling van arme landen, maar dan toch bij voorkeur bedrijven uit die landen zelf. Wat nu aan het gebeuren is, en dat wordt zowel in dit nieuwe document als in het resultaat van Addis Abeba erg duidelijk, is het totaal door elkaar halen van overheidsgeld en particuliere fondsen. Steeds meer wordt gemikt op publiek-private partnerschappen. Steeds meer ontwikkelingshulp gaat naar bedrijven. Vragen naar de ‘accountability’ van ondernemingen worden steevast afgewimpeld. Het nieuwe concept is ‘multi-stakeholder partnerships’. In meervoud, wat onder meer moet worden verklaard door het gebrek aan middelen waarmee de VN-instellingen kampen. Grote bedrijven zijn voortaan prominent aanwezig op alle VN-conferenties.

DE MORELE PLICHT VAN HET OPTIMISME

De nieuwe agenda van de internationale gemeenschap voor de komende vijftien jaar stelt ‘uitzonderlijk ambitieus’ te zijn en een ‘visie van verandering’ (7) uit te dragen. Het is een agenda ‘van het volk, door het volk en voor het volk’ (52). De doelstellingen en ‘targets’ zijn universeel en van toepassing op alle partners (5). Dit is dus geen programma voor ontwikkelingslanden, maar voor de hele wereldgemeenschap.

Wie echter een echte, krachtige agenda voor duurzaamheid en ontwikkeling wil, had zeker niet zo’n lange tekst geschreven waarin sprake is van sport, verkeersongevallen en geboorteregistratie (hoe belangrijk die punten op zich ook zijn). Hoe voor deze agenda ook indicatoren kunnen worden opgesteld en hoe die kunnen worden opgevolgd, blijft een groot vraagteken (ook als de beloofde ‘data revolutie’ er komt). De Commissie statistiek van de VN zou tegen maart zo’n honderd tot driehonderd indicatoren moeten vastleggen, terwijl landen en ‘stakeholders’ hun eigen indicatoren en data kunnen bepalen.
Het onderhandelingsproces voor deze nieuwe agenda is, volgens alle deelnemers, bijzonder open en participatief geweest. Tot het laatste moment helaas. Want na de laatste onderhandelingsronde werd, achter gesloten deuren, nog een aantal wijzigingen aangebracht. Dit is erg betreurenswaardig.

De vooruitzichten voor de VN-conferentie in New York (25-27 september) zijn dus niet zo goed. Nu al stelt de Wereldbank dat de vooruitzichten voor het behalen van de armoededoelstellingen niet zo gunstig zijn. Optimisme is natuurlijk een morele plicht, maar hoe lang kunnen we nog wachten op een heldere analyse van waar de ‘internationale gemeenschap’ naartoe gaat? Hoe lang kunnen we nog aanvaarden dat op essentiële punten, zoals mensenrechten, solidariteit en fiscaliteit meer stappen achteruit worden gezet dan vooruit? Hoe lang duurt nog vooraleer het IMF en de Wereldbank zullen toegeven dat hun soberheidsbeleid niet werkt? Durft iemand beweren, met de hand op het hart, dat de wereld er vandaag beter aan toe is dan in 2000?
Natuurlijk, elk akkoord is op zich een positief teken. De hoop is niet verdwenen. De bereidheid om iets samen te doen, blijft bestaan, al is het enkel op papier. Het potentieel voor een andere wereld is aanwezig, in september in New York en in december in Parijs.
We mogen echter niet blind zijn voor de verzwakte positie van het multilateralisme. De groeiende ongelijkheid in de wereld leidt onvermijdelijk tot een machtsonevenwicht, waarbij arme landen het moeten afleggen tegen rijke landen én tegen grote ondernemingen. De internationale handelsverdragen zijn er een afspiegeling van.
Deze nieuwe agenda is, net zoals de oude, daarom wel bruikbaar om in het Noorden de mensen blijvend te mobiliseren en solidariteit te vragen met het Zuiden. Het verschil met vroeger is dat dit keer ook duidelijk moet worden gemaakt dat wijzelf, in het Noorden, eveneens moeten veranderen. Of de agenda ook een stap vooruit is voor de internationale gemeenschap zelf, en voor de landen van het Zuiden, is zeer twijfelachtig.

Francine Mestrum
Redactielid Samenleving en politiek

Noot
1/ De originele tekst van de SDGs vindt u hier: https://sustainabledevelopment.un.org/post2015/transformingourworld.

armoede - ontwikkelingssamenwerking - millenniumdoelstellingen

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 7 (september), pagina 35 tot 39