Abonneer Log in

Naar een effectieve uitbreiding van het sociaal huurwoningsbestand

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 7 (september), pagina 69 tot 77

De laatste jaren wordt in Vlaanderen een woonbeleid gevoerd via een uitgebreide regelgeving en met als nobele doelstelling betaalbaar en kwalitatief wonen voor iedereen. Er werden in dit verband op verschillende fronten reeds heel wat constructieve inspanningen geleverd. Maar de vraag naar sociale huurwoningen overstijgt vandaag het aanbod. Welke aanbevelingen kunnen in dit verband worden gesuggereerd? Deze vraag is aan de orde nu het Vlaams Woonbeleidsplan, waarin minister Freya Van den Bossche samen met het ganse woonveld een langetermijnvisie voor het Vlaamse Woonbeleid wil uittekenen, in voorbereiding is en de toepassing van het universeel/grondwettelijk recht op wonen de laatste jaren kritisch wordt doorgelicht.

‘ELKE VLAMING IS GEBOREN MET EEN BAKSTEEN IN DE MAAG’

Deze uitspraak is geëvolueerd tot een klassiek adagium. Er wordt in Vlaanderen inderdaad een vrij hoog eigenaarspercentage (ongeveer 75 procent) vastgesteld. Een eigen huis betekent voor vele mensen zekerheid en de beste investering voor later (pensioen). Dit fenomeen is traditioneel gegroeid en werd mee in de hand gewerkt door een woonbeleid dat voor een groot deel gericht was op de stimulering van het privaat initiatief sinds halverwege de 19de eeuw en vooral na WOll. Zo werd met de Wet De Taye van 1948 een derde van de nieuwbouw met behulp van een bouwpremie gerealiseerd, zonder rekening te houden met het ruimtelijk referentiekader. Ook vandaag beschikt de overheid over verschillende tegemoetkomingen met het oog op eigendomsverwerving en een arsenaal aan instrumenten om de eigenaars financieel te ondersteunen. Maar niet iedereen droomt van het ‘hebben van een eigen huis’. Sommige mensen geven de voorkeur aan de vrijheid die een huurwoning biedt. Voor andere mensen met de laagste inkomens is een huis kopen financieel onhaalbaar omdat zij niet over het vereiste startkapitaal beschikken, zelfs ondanks de gunstige intresttarieven van de sociale lening.

Op basis van gegevens voor 1995 stelde Prof. dr. Pascal De Decker vast dat de voordelen van Vlaamse tegemoetkomingen in het kader van de eigendomsverwerving ook bovenproportioneel naar de midden- en hogere inkomensgroepen gaan. Het zijn enkel de voordelen van de sociale huursector en de huursubsidie die hoofdzakelijk bij de lagere inkomens terechtkomen (cfr. Sampol 02/10). Bovendien stelt hij zich de vraag of het grondwettelijk recht op wonen wel voor iedereen wordt gerealiseerd.

DE POSITIE VAN DE KWESTBARE HUURDER OP DE PRIVATE WONINGMARKT

De private huurprijzen bedragen gemiddeld net geen 500 euro per maand en variëren van gemiddeld 251 euro voor een kamer tot 925 euro voor een open bebouwde woning. Ongeveer 30% van de private huurders spendeert meer dan een derde van het inkomen aan wonen. Opvallend daarbij is dat het resterend inkomen van de private huurders sterk vermindert door de woonkost. Zij hebben het dan ook moeilijker dan de eigenaars om de woonkost te betalen. Zo heeft 20% het moeilijk om de huur te betalen en 10% het zelfs zeer lastig om zich te handhaven op de private huurmarkt. Jaarlijks wordt een derde van de zowat 12.000 huurders die wegens wanbetaling voor de vrederechter worden gedaagd uit huis gezet. Gelukkig kan men in bepaalde gevallen beroep doen op het huurgarantiefonds zodat de eigenaar voor één jaar wordt beschermd tegen wanbetalers en de huurder niet uit huis wordt gezet. Het doorwegen van de woonkost op het gezinsbudget treft vooral de lage inkomensgroep. Het komt hard aan wanneer mensen met lage inkomens niet in een sociale woning kunnen terechtkomen. Dit probleem is zeer acuut omdat de private huurmarkt krap is en de kandidaat huurder met een zwak sociaaleconomisch profiel het steeds moeilijker heeft om een huurwoning te vinden. ‘Is de door de verhuurder aangerekende maandelijkse huurprijs billijk?’, is een veelgehoorde vraag. Al te vaak bepaalt de verhuurder de prijs met de natte vinger. Daarom dat het recente initiatief om via de website ’Huurschatter’ de private huurmarkt transparanter te maken, wordt toegejuicht. Zowel huurder als niet-professionele verhuurder kunnen zich dan een beeld vormen van wat een correcte huurprijs is. Deze site toont immers de huurprijs aan de hand van een aantal opties zoals regio, woningtype en kwaliteitskenmerken van de woning.

Opmerkelijk is dat in de grote centrumsteden het eigenaarspercentage aanzienlijk lager is dan in de gemeenten behorende tot het buitengebied. In Antwerpen en Gent zijn om en bij de helft van de bewoners huurders. Maatschappelijk kwetsbare doelgroepen met bescheiden inkomens hebben het in deze steden erg moeilijk op de private woningmarkt omdat de huurprijzen doorgaans veel te hoog zijn en vaak niet in verhouding met het kwalitatief aanbod. Vele gezinnen zoeken daarom hun toevlucht tot sociale huurwoningen indien zij beantwoorden aan de toegangsvoorwaarden. In het Vlaamse Gewest zijn meer dan 90.000 kandidaat-huurders ingeschreven op wachtlijsten (bron: VMSW, juli 2012), waarvan meer dan 22.000 in Antwerpen en om en bij de 20.000 in Gent terwijl er voor deze beide steden respectievelijk ongeveer 10% (23.699) en 13% (15.143) sociale huurwoningen zijn ten opzichte van het totale sociale huurwoningbestand. De druk op de sociale huursector is zeer groot. Voor mensen met een laag inkomen die meer dan vijf jaar wachten op een sociale huurwoning rest er niets anders dan een financiële ondersteuning via de huurpremie. Een ruime toepassing van de huurpremie moet er voor zorgen dat de kwetsbare huurders niet op straat terecht komen wegens wanbetaling.

IN DE STAART VAN HET EUROPESE PELOTON

In Vlaanderen zijn 146.756 sociale huurwoningen waarvan iets minder dan de helft zich bevindt in de 13 centrumsteden. Antwerpen en Gent nemen hiervan bijna een derde voor hun rekening (cfr. Beleidsnota Steden, 2009-2014).

Indien men een vergelijking maakt met een aantal Europese landen dan bevindt Vlaanderen zich op het vlak van het aantal sociale huurwoningen in de staart van het peloton met ongeveer 6%, tegenover Nederland (32%), Oostenrijk (23%), Denemarken (19%), Zweden en het Verenigd Koninkrijk (18%), Frankrijk (17%), en Finland (16%). Samen met enkele andere landen is in Vlaanderen het aantal sociale huurwoningen ver beneden het EU27-gemiddelde van 14% (Winters&Elsinga, 2011). Een aantal auteurs wijzen er op dat er onmiddellijke behoefte is aan 180.000 extra sociale huurwoningen in Vlaanderen.1 Deze doelstelling is echter te hoog gegrepen en (politiek) niet haalbaar binnen de tien jaar. Doch is het wenselijk om het sociaal woonaanbod uit te breiden.

DE UITBREIDING VAN HET SOCIAAL WOONAANBOD

De uitbreiding van het sociaal woonaanbod gebeurt volgens de bepalingen van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid en bevat twee grote luiken.

Enerzijds zijn er maatregelen die het aantal sociale woningen sterk moet doen toenemen (denk hierbij aan de opgelegde sociale last bij bepaalde bouw- en verkavelingsprojecten) met het oog op de 43.440 sociale huurwoningen, 21.170 sociale koopwoningen en 1.000 sociale kavels die er in Vlaanderen moeten bijkomen. Daarvoor voorziet het decreet betreffende het grond- en pandenbeleid in een bindend sociaal objectief (BSO). Dit objectief legt een aantal te realiseren sociale woningen en sociale kavels op per gemeente voor de periode 2009-2020. Indien de gemeente meer dan 9% sociale huurwoningen ten opzichte van het totaal aantal huishoudens heeft, is zij vrijgesteld van het BSO. Zij kan dan wel een beleidsconvenant aangaan met de Vlaamse Overheid om het sociaal huuraanbod uit breiden.
Anderzijds zijn er verschillende fiscale stimuli die het aantal verwaarloosde en verkrotte panden moet doen dalen.

Essentieel is dat de uitbreiding van het sociaal woonaanbod moet resulteren in een gelijkmatige spreiding van sociale woningen. Er zijn immers gemeenten met betrekkelijk weinig of nagenoeg geen sociale woningen. Daarom is de tweejaarlijkse voortgangstoets, zoals het decreet betreffende het grond- en pandenbeleid bepaalt, relevant in het kader van de opvolging en monitoring met als doel een inzicht te hebben of de gemeenten hun BSO halen.

RESULTATEN VAN DE EERSTE VOORTGANGSTOETS VAN HET BINDEND SOCIAAL OBJECTIEF (BSO)

In 2012 werd door het Agentschap Wonen-Vlaanderen een eerste voortgangstoets verricht om na te gaan in hoeverre de gemeenten en dus ook het Vlaamse Gewest werk maken om hun vooropgestelde objectieven te bereiken (cfr. Beleidbrief 2012-2013, Minister van Wonen Freya Van den Bossche).

Globaal gezien zijn op vier jaar (2008-2011) 8759 sociale huurwoningen gebouwd. Dit zijn er gemiddeld 625 meer in vergelijking met de jaren voordien. Wanneer men de woningen meerekent waarvoor reeds een stedenbouwkundige vergunning werd afgeleverd, komt men aan 18.437 sociale huurwoningen. Dit is 42,8% van het beoogde resultaat dat tegen 2020 moet worden gehaald. In dezelfde periode werden 2012 bijkomende sociale koopwoningen gerealiseerd, wat neerkomt op 10,9% van het gewestelijk sociaal objectief voor sociale koopwoningen. Daarnaast werden binnen dezelfde tijdsduur nog eens vergunningen afgeleverd voor de realisatie van 9678 sociale koopwoningen. Tijdens de periode 2001-2008 werden 182 bijkomende kavels gerealiseerd. Dit komt overeen met 21,8% van het gewestelijk objectief voor sociale kavels.

Het probleem is dat de gehele operatie niet gelijkmatig verloopt. Want niet in alle gemeenten worden dezelfde inspanningen geleverd. Op basis van de meting van het sociaal woonaanbod en de vergelijking van de gemeentelijke inspanningen met het vooropgestelde groeiritme werden de gemeenten geselecteerd in drie groepen. Zo scoren 127 gemeenten die het groeiritme voor realisatie van sociale huurwoningen volgen behoorlijk (groep 1). Er zijn echter 181 gemeenten die het groeiritme niet volgen, waarvan op basis van een motiveringsnota 25 voldoende inspanningen leveren (groep 2). Zo rest er een probleemgroep van 156 gemeenten die _überhaupt _een ondermaatse ijver aan de dag leggen om het BSO te bereiken zonder dit met redenen te omkleden. Het is nu wachten op de voortgangstoets in 2014 om een zicht te hebben op het verder stadium van de geleverde inspanningen van de gemeenten en vooral van de ‘achterblijvers’. Daarom zal de Vlaamse Administratie voor de ‘achterblijvers’ een actieplan ontwikkelen om hen in het realiseren van hun taakstelling verder op de weg te helpen.

Het bindend sociaal objectief is geen resultaatverbintenis maar wel een inspanningsverplichting van de gemeente op basis van middelen met het oog op de uitbreiding van een sociaal woonaanbod. Het uitvoeren van sancties tegen gemeenten die de voorgenomen doelstelling niet haalden, mag volgens de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten dan ook niet bestraft worden.2 Het bindend sociaal objectief kan bijgevolg niet als een dwingende top down maatregel van hogerhand worden beschouwd. Deze reflectie stemt tot nadenken in verband met het resultaat van de 156 gemeenten die achterblijven op de uitvoering van het bindend sociaal objectief.

DE GEMEENTELIJKE RESULTAATVERBINTENIS IN HET LICHT VAN EEN EFFECTIEF RECHT OP WONEN

De laatste jaren grijpen talrijke discussies plaats rond de versterking van het recht op wonen. De reflecties over het recht op wonen situeren zich in functie van een resultaatverbintenis die door de overheid moet worden nagekomen. Dikwijls wordt in dit verband verwezen naar de wetgevingen in Schotland (Housing Homeless Persons Act 1977) en in Frankrijk (de zogenaamde wet DALO van 5 maart 2007, Droit Au logement Opposable, ten tijde van Sarkozy) die tot significante resultaten hebben geleid.3 De Schotse wet verplicht de 32 lokale overheden van Schotland om duurzame huisvesting te verlenen aan bepaalde categorieën thuislozen of, indien nodig, opvang voor hen te voorzien. De Franse DALO-wet, waarmee het inroepbaar recht van wonen van kracht werd, creëert eeninstrumentwaardoor mensen zonder huisvesting of met gebrekkige wooncomfort als prioritair worden beschouwd voor het verkrijgen van een woning en binnen een bepaalde termijn een passend aanbod krijgen voorgesteld. In Frankrijk heeft de resultaatverbintenis verregaande gevolgen in het kader van een afdwingbaar recht op wonen voor iedereen en dus niet alleen voor kansarmen of thuislozen zoals in Schotland. De staat stelt zich garant voor het recht op een woning. Dit recht wordt uitgeoefend door een minnelijke inroeping en daarna, indien nodig, door een geschilinroeping. Zo kan aan de staat in dit verband de verplichting (die via de rechtbank kan worden afgedwongen, eventueel door middel van dwangsommen) worden opgelegd een persoon een woning toe te wijzen. Alles moet dus in het werk worden gesteld met het oog op de realisatie van een voldoende woonaanbod in functie van de behoefte. Ook de Vlaamse Woonraad heeft in haar advies met enkele richtlijnen voor een duurzaam huisvestingsbeleid het inroepbaar recht op wonen gesignaleerd als mogelijk piste (cfr. rapport Vlaamse Woonraad, 30 juni 2011).

De mogelijkheid zou kunnen worden overwogen om de gemeenten te laten kiezen tussen een bindend sociaal objectief, BSO (het te realiseren sociale huurwoningen, uitgedrukt in bepaalde percentages zoals nu het geval is) en een resultaatverbintenis (het te realiseren sociale huurwoningen uitgedrukt in cijfers). Indien de gemeente om welbepaalde redenen afstand neemt van de gemeentelijke resultaatverbintenis of er niet voor kiest, is het BSO uiteraard toepasselijk. En waarom zou een (kleine) gemeente niet kunnen samenwerken met de aangrenzende gemeenten om een BSO (‘een intercommunaal BSO’) te halen? Intergemeentelijke samenwerking in het kader van het woonbeleid wordt overigens van hogerhand sterk aangemoedigd en gesubsidieerd.

Een gemeentelijke resultaatverbintenis brengt ons dichter bij de effectiviteit dan een bindend sociaal objectief en is een duaal engagement: enerzijds om een aantal woningen te bouwen (een woonvoorraad aan te leggen) en anderzijds om het individueel recht op wonen te garanderen voor de kandidaat-huurders die zijn ingeschreven op wachtlijsten voor een sociale woning. De resultaatverbintenis zou afhankelijk kunnen worden gesteld van een typologisch onderscheid van gemeenten die een sociale woonbehoefte hebben volgens hun Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan. Meermaals werd door huisvestingsdeskundigen gewezen op het feit dat het verkeerd is alle gemeenten in Vlaanderen via een decreet op dezelfde wijze te behandelen.4 De woonproblematiek van de grote en middelgrote centrumsteden is niet vergelijkbaar met deze van plattelandsgemeenten en noopt ons tot verschillende aanpakken omtrent woonbeleid. Dit betekent eveneens een heroriëntering qua investeringen waarbij de financiële input gekoppeld is aan de vraag naar het aantal sociale huurwoningen van de gemeente. Aldus zouden meer kredieten kunnen worden voorbehouden voor gemeenten die een effectieve en grote behoefte hebben aan sociale huurwoningen. Daarbij aansluitend wordt eveneens gepleit voor een vereenvoudiging van administratieve afwikkelingsprocedures en de beperking van formaliteiten wanneer blijkt dat het gemeentelijk programma van projecten verantwoord is. Dit verbindt de Vlaamse regering er toe op basis van duidelijke afspraken met de gemeente in te staan voor de begeleiding en daadwerkelijke financiële ondersteuning om haar resultaatverbintenis concreet uit te voeren.

LEEGSTAND AANPAKKEN

Leegstand moet worden aangepakt omdat het een voorbode is van verloedering. Ingevolge de hoge grond- en woningprijzen is het maatschappelijk onverantwoord. Wanneer een groot aantal woningen leegstaan ontstaat krapte op de woningmarkt waardoor, zoals reeds benadrukt, de huur- en verkoopprijzen hoog blijven. Is er een sterke woonbehoefte dan druist leegstand in tegen het maatschappelijk belang. Het onroerend goed wordt immers onttrokken aan het gebruik ervan. Opmerkelijk is de ruime waaier van verschillende heffingen op leegstand die ofwel tot de gemeentelijke bevoegdheid ofwel tot een gewestelijke bevoegdheid behoren. Zo is de heffing op leegstaande en verwaarloosde bedrijfsruimten een gewestelijke aangelegenheid evenals de verwaarloosde ongeschikt/onbewoonbaar verklaarde woningen, terwijl de heffing op leegstaande woningen en gebouwen dan weer een gemeentelijke materie is. Het zou daarom wenselijk zijn alle heffingen te bundelen op gemeentelijk niveau met een gewestelijke toezichtsfunctie om eventueel op te treden van hogerhand in geval van onrechtmatigheden. Daarnaast zou kunnen worden overwogen om bepaalde leegstaande gebouwen, behorende tot het federaal, gewestelijk en gemeentelijk patrimonium, te verkopen of via erfpacht ter beschikking te stellen aan lokale sociale woonorganisaties met het oog op de realisatie van sociale woonprojecten. De erfpachter heeft immers het volledige genotsrecht op het onroerend goed dat het voorwerp uitmaakt van een erfpacht. Hij kan dus alle rechten uitoefenen die aan de eigendom van het goed verbonden zijn (op voorwaarde dat geen waardevermindering van het goed ontstaat), renovatie/aanpassingswerken verrichten en het onroerend goed verhuren binnen de termijn waarin hij zijn erfpachtrechten kan laten gelden.

DE VERSTERKING VAN DE WOONZEKERHEID DOOR SOCIALE VERHUURKANTOREN

Het aantal mensen dat beroep doet op sociale verhuurkantoren is de laatste jaren sterk toegenomen.5 Sociale verhuurkantoren huren woningen op de private woningmarkt en verhuren die door aan kwetsbare bevolkingsgroepen. Deze formule kan dus bijdragen tot de versteviging van de positie van de zwakke huurder op de private huurmarkt door een maximale woonzekerheid te garanderen evenals een behoorlijke huurdersbegeleiding. Daarnaast biedt de verhuur van een woning aan het sociaal verhuurkantoor waarborgen voor de eigenaar-verhuurder op het vlak van eventuele renovatie, onderhoud en de stipte betaling van de huurprijs (zelfs indien de woning niet verhuurd is of de huurder niet betaald heeft).

Het verdient alleszins aanbeveling de verruiming van de doelstellingen en middelen van het sociaal verhuurkantoor te reflecteren en te bestuderen. Ook de doelstelling om woningen door te verhuren aan de middengroep van de samenleving aan een marktconforme prijs door een stedelijk verhuurkantoor in Gent is een pilootproject dat toekomstperspectieven kan openen na periodieke evaluaties.

RUIMTELIJKE HERINRICHTING EN DIVERSITEIT

Het zou een misvatting zijn de uitbreiding van het sociaal woonaanbod louter eenzijdig te beperken tot een bouwprogramma. Het moet tevens worden vertaald in een ruimtelijke herinrichting waarbij hoge densiteit en woonkwaliteit perfect samen gaan, onder meer door:
- herbestemming van niet-woongebouwen zoals oude fabriekspanden en vroegere schoolgebouwen;
- verdichtingsprojecten door invulling van het binnengebied van bouwblokken;
-verkavelingsprojecten met gegroepeerde woningen die met twee of drie gevels aan elkaar zijn verbonden en die worden gekenmerkt door zijdelingse en ruggelingse schakelingen.

Dergelijke woonconcepten staan in het teken van ruimtebesparing, ruimtelijke inbreiding en kernversterking zodat verstedelijking, mobiliteitsproblematiek (files) en overstromingen door ’verstening’ van de ruimte worden vermeden.

Onze samenleving stevent steeds meer af op een toenemende diversiteit, gezinsverdunning en vergrijzing. Daarom is er de noodzaak om woonconcepten te realiseren die het gemeenschapsgevoel versterken (o.a. cohousing waarbij bepaalde voorzieningen worden gedeeld met de buren en toch privacy is gegarandeerd) en die zijn aangepast aan de leefsituatie van de bewoner. Aangepaste woningen met de nodige infrastructuur om de bejaarden juist deze hulp te geven die het hen mogelijk maakt zelfstandig te blijven wonen in hun vertrouwde omgeving, is een doelstelling die reeds in de jaren 1970 werd beklemtoond en vandaag meer dan ooit prioritair is.6 Men hoeft in dit verband maar te denken aan het concept van meegroeiwoningen. Om een sociale cohesie in de hand te werken is het aangewezen dat sociale huurwoningen worden gemixt met sociale koopwoningen, woningen van bescheiden omvang of appartementen. Niet alleen een mix van woningtypes maar ook een differentiatie van socio-economische bevolking en inkomensgroepen in het ruimtelijk weefsel is een fundamenteel deelaspect van de leefbaarheid van een wijk en zal gettovorming voorkomen. Al te zeer werden in het verleden op sociale woningbouwcomplexen een gestigmatiseerd etiket gekleefd. Met diversiteit en sociale mix wordt dit juist voorkomen. In zijn thesis Habitat and habitation benadrukt Frans Grünfeld terecht de essentie van de verschillende levensstijlen binnen een maatschappij en de behoeften aan diversiteit die als gevolg daarvan in het woonmilieu ontstaan.

CONCLUSIES

Hoeft het nog te worden onderstreept dat de gemeente de spil is van onze samenleving omdat zij als bestuursniveau het dichtst bij de mensen staat? Met haar regiefunctie geeft zij sturing aan het woonbeleid in functie van de lokale behoeften. Bovendien is zij het aangewezen orgaan om via haar visie, doelstellingen én resultaatverbintenis bij te dragen tot een effectieve, ruimtelijk kwalitatieve uitbreiding van het aantal sociale huurwoningen. Deze taak wordt gesitueerd in een gedecentraliseerde politiek waarbij het Vlaamse Gewest bevoegd is om toezicht te houden, monitoring en financiële ondersteuning binnen een algemeen beleidskader. Zo zal in dit verband de gemeente die opbouwende inspanningen levert, worden gemotiveerd en op haar beurt de sociale woonactoren stimuleren.

Sociale huurwoningen vormen sowieso een belangrijk opvangnet zowel voor de onderkant van de maatschappij als voor de groep mensen die een ruggensteun nodig hebben om niet in armoede te verzeilen. Wonen vormt samen met werk een fundamentele eigenschap van het menselijk bestaan. Reeds op het einde van de 19de eeuw hebben de socialistische volksvertegenwoordigers Hector Denis en Louis Bertrand in de schoot van de Belgische Werkliedenpartij (BWP) er sterk voor gepleit dat niet alleen een bezittende en geprivilegieerde klasse maar iedereen het recht heeft om op een menswaardige wijze te worden gehuisvest. Deze humane doelstelling is zeer actueel en kadert uiteraard in onze sociaaldemocratische context.

David Hendrickx
Gewezen Directeur van het departement Ruimtelijke Ordening, Wonen en Onroerend Erfgoed, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.

Ere-docent Henry van de Velde Instituut, Antwerpen.

Noten
1/cfr. Prof. dr. Pascal De Decker (Sampol,02/2010, p.20) en Sien Winters, onderzoekster van de groep Verzorgingsstaat en Wonen van de KUL (cfr De Standaard, 4 juni 2013).
2/ Advies van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, nieuw wijzigingsdecreet ruimtelijke ordening en decreet grond- en pandenbeleid van 19 mei 2008, stuk 2011 (2008-2009), nr.1, inhoudelijke bedenkingen, p. 557.
3/ Jaarlijks genieten 30.000 mensen van het Schotse programma en worden 87% van de thuislozen als prioritair beschouwd. (cfr verslag seminarie ’naar een effectief recht op wonen’, p.27). Na drie jaar toepassing (2007-2010) van de DALO-wet werden 12.500 mensen opnieuw gehuisvest of vonden opvang via een bemiddelingscommissie, er waren 68.300 gunstige beslissingen waarvan 27.000 resulteerden in herhuisvesting of opvang (cfr. verslag seminarie ‘naar een effectief recht op wonen’, p.18).
4/ Dit werd benadrukt door de gewezen burgemeester van Antwerpen, dr. Bob Cools, in zijn boek In naam van de stad, Hadewych, 1993, p.139.
5/ In 2009 waren er 13.239 mensen die beroep deden op sociale verhuurkantoren en in 2012 was dit verdubbeld tot 26.552 mensen. Er zijn in Vlaanderen 52 sociale verhuurkantoren actief. In 2009 hadden de sociale verhuurkantoren een aanbod van 4.913 woongelegenheden en in 2012 ging het om 6.401 woongelegenheden.
6/ Wonen in Vlaanderen, BSP-congres Mechelen, 11 juni 1978, brochure, p.16.

Referenties
- Beleidsnota Steden 2009-2014, Freya Van den Bossche, Vlaams Minister voor Energie, Wonen, Steden en Sociale Economie.
- Beleidsbrief Wonen (2013), Beleidsprioriteiten 2012-2013, ingediend door minister Freya Van den Bossche .
- De Decker P. (2009), Is wonen niet altijd duur?, in: Ruimte &planning (27).
- De Decker P. (2010), Woonbeleid: geprangd tussen selectiviteit en legitimiteit? in: Sampol, februari 2010.
- Goossens L. (1982), Het sociaal huisvestingsbeleid in België. Een historisch-sociologische analyse van de maatschappelijke probleembehandeling op het gebied van het wonen. Faculteit Sociale Wetenschappen, KULeuven.
- Grünfeld F.(1970), Habitat and habitation, Amsterdam.
- Häffner M & Heylen K. (2008), Betaalbaarheid van het wonen in Vlaanderen en Nederland, www.steunpuntruimteenwonen.be.
- Verslag Seminarie ‘Naar een effectief recht op wonen’, Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting, 18 maart 2011.
- Vlaamse Regionale indicatoren (2012), Studiedienst van de Vlaamse Regering.
- Wonen in Vlaanderen 2050 (2012), Visienota. Krijtlijnen van een toekomstvisie.

sociale huisvesting - woonbeleid

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 7 (september), pagina 69 tot 77