Log in

De basis spreekt

De Vlaamse socialisten hebben de eigen achterban van mandatarissen, leden en kiezers door de Universiteit Gent wetenschappelijk laten doorlichten. Voor het eerst geeft een politieke partij zo een gedetailleerd en systematisch inzicht in het structurele en culturele profiel van de eigen achterban. In dit artikel worden de belangrijkste vaststellingen uit dit onderzoek geschetst. Het blijft echter een ruwe staalkaart van de kenmerken en de opiniestructuur van de sociaaldemocratische partij in Vlaanderen. Voor een meer diepgaande en meer gedetailleerde analyse verwijzen we naar het boek De basis spreekt. Onderzoek naar de leden, mandatarissen en kiezers van sp.a.1

In Vlaanderen is er weinig bekend over het profiel en de opvattingen van leden en mandatarissen van politieke partijen. De redenen zijn divers. Vermoedelijk hebben bepaalde partijen zelf op beperkte schaal onderzoek bij de eigen achterban uitgevoerd, maar blijven de resultaten binnenkamers. In dit geval dient de bevraging enkel om de partijtop van informatie te voorzien. Daarnaast leeft bij nogal wat politici waarschijnlijk de idee dat wetenschappelijk onderzoek bij de leden en mandatarissen van politieke partijen niet noodzakelijk is omdat ze van oordeel zijn dat ze zelf voldoende contact hebben met de partijbasis en dat zij goed aanvoelen wat er leeft. Voorts kan de achterdocht tegenover wetenschappelijk onderzoek partijen ervan weerhouden om onderzoekers de eigen partij in al haar facetten te laten doorlichten. Vanuit strategisch oogpunt kunnen de resultaten trouwens meevallen en passen in het beeld dat de partij naar de buitenwereld wil overbrengen, maar de conclusies kunnen evenzeer haaks staan op datgene wat men hoopt vast te stellen of wat men wenst te communiceren. Niettemin bestaat er vanuit de wetenschappelijke wereld een grote theoretische en empirische interesse voor wat er leeft bij de mandatarissen, de leden en de kiezers van politieke partijen.

Eind 2008 werd een grootschalige wetenschappelijke studie naar het sociale en culturele profiel van de mandatarissen, leden en kiezers van sp.a uitgevoerd. Dit onderzoek is in verschillende opzichten uniek. In Vlaanderen is het de eerste keer dat op deze schaal een systematische bevraging bij een toevalssteekproef van leden en mandatarissen van een politieke partij is uitgevoerd. Enerzijds werden 994 partijleden op basis van een aselecte steekproef bij hun thuis ondervraagd, aan de andere kant werkten ook nog eens 944 mandatarissen mee aan hetzelfde onderzoek. De bevraging was zeer uitgebreid. Niet minder dan 91 vragen zijn aan de leden voorgelegd, waarbij een deel van de vragenlijst gebaseerd is op de items die in het kader van het postelectorale verkiezingsonderzoek van het Instituut voor Sociaal en Politiek Opinieonderzoek (ISPO-K.U.Leuven) onder leiding van Marc Swyngedouw zijn ontwikkeld. Dit onderzoeksdesign heeft als voordeel dat niet alleen leden en mandatarissen kunnen worden vergeleken, maar dat ook de sp.a kiezers, ex-sp.a kiezers en niet-sp.a kiezers in de analyses kunnen worden betrokken. Naast de unieke dataset is ten slotte ook de wijze waarop dit onderzoek tot stand kwam en uitgevoerd werd nogal uitzonderlijk. Aan de ene kant stelde sp.a zelf de vraag om een wetenschappelijk onderzoek bij de eigen achterban uit te voeren. Aan de andere kant stonden de onderzoekers op hun onafhankelijkheid en kregen ze de volledige vrijheid bij de uitwerking van de vragenlijst, bij de data-analyse en bij de publicatie van de onderzoeksresultaten. Zelfs in die mate dat de voornaamste vaststellingen van dit onderzoek in boekvorm konden worden uitgegeven.

WIE ZIJN ZE?

Op demografisch vlak is sp.a een eerder oude ledenpartij: de gemiddelde leeftijd is 57 jaar, één op vier leden is jonger dan 45 jaar en bijna één op drie leden is ouder dan 65 jaar. Naast de vrij hoge gemiddelde leeftijd van de leden heeft sp.a nog een vrij omvangrijke groep laaggeschoolden onder haar leden. Meer dan een derde van de leden heeft hoogstens een diploma lager technisch secundair onderwijs. Naar beroepsprofiel telt sp.a op dit moment nog een aanzienlijke groep arbeiders onder haar leden. De lage scholingsgraad en het hoge aandeel arbeiders van de ledenbasis is bijna volledig het gevolg van een generatie-effect: de oudere partijleden zijn in het algemeen eerder laaggeschoold en meer arbeider, terwijl de jongere leden voornamelijk hoogopgeleid en werkzaam zijn als ambtenaar of bediende. Het profiel van de mandatarissen sluit het best aan bij de jonge ledenpopulatie: ze zijn jong en hooggeschoold. Bijna één op twee mandatarissen is jonger dan 45 jaar en bijna zes op tien mandatarissen heeft een diploma hoger onderwijs.

Deze cijfers illustreren dat er zich binnen sp.a een dubbele kloof aftekent. Ten eerste loopt er een scheidslijn dwars doorheen de ledenbasis die de eerder laagopgeleide oudere leden tegenover de eerder hoogopgeleide jonge leden plaatst. Ten tweede is er een sterk verschil in profiel tussen de eerder oude ledenbasis en de eerder jonge groep van mandatarissen. Analyse van de demografische structuur lijkt aan te geven dat de sp.a op het vlak van leden op een smeltende ijsschots zit en dat het algemene sociale profiel van de leden het komende decennium nagenoeg volledig zal wijzigen. Aan de ene kant zal de ledenbasis van sp.a omwille van de scheefgetrokken leeftijdspiramide snel slinken, aan de andere kant zal de volkse ledenpartij met een relatief groot aandeel van arbeiders, laaggeschoolden en gepensioneerden meer en meer evolueren naar een eerder elitaire ledenpartij waar de traditionele achterban almaar minder deel van het ledenbestand uitmaakt.

De sp.a heeft de stempel van een vrijzinnige partij. Frappant is echter dat zomaar eventjes vier op tien leden zichzelf als christelijk of katholiek beschouwt, terwijl één op drie zichzelf als vrijzinnig ziet en één op tien zegt ongelovig te zijn. Slechts drie procent van de leden hangt een ander geloof aan. Op het vlak van levensbeschouwelijke betrokkenheid blijkt de ledenbasis heel pluralistisch samengesteld te zijn. Het levensbeschouwelijke profiel van de mandatarissen wijkt echter sterk af. Bijna de helft van de mandatarissen is vrijzinnig, terwijl slechts een vijfde zichzelf als christelijk of katholiek ziet en bijna één op vier ongelovig is of zich tot geen strekking rekent. Dat de vrijzinnigen en ongelovigen vooral onder de actieve leden en de mandatarissen terug te vinden zijn, kan het nogal vrijzinnige etiket van de partij verklaren. Dit zijn immers de groepen die het meest in de media aan bod komen en dus het beeld van de sp.a als vrijzinnige partij in sterke mate vormen.

Nog altijd wordt partijpolitiek in grote mate met de paplepel meegegeven. Zowel de leden als de mandatarissen worden gekenmerkt door een sterke ideologische socialisatie via het thuismilieu. Bij zes op tien leden is de vader van socialistische strekking, terwijl dit aandeel bij de mandatarissen tot iets meer dan de helft zakt. Bij een op vier leden en bij een op vijf mandatarissen was de vader van katholieke of christelijke strekking. Bij zowel de leden als de mandatarissen is bijna één derde van de moeders van katholieke of christelijke strekking. Al deze cijfers laten uitschijnen dat de politieke socialisatie van heel wat leden en mandatarissen nog steeds via de eigen familie heeft plaatsgevonden, waarbij er aanwijzingen zijn dat het ideologische leerproces vooral via de vader verloopt en minder via de moeder. Dat ook de partijpolitieke socialisatie in het thuismilieu niet onbelangrijk is, blijkt verder ook uit het feit dat bij niet minder dan 44% van de leden minstens één van beide ouders lid van sp.a was alvorens ze zelf lid werden. Ook bij de mandatarissen gaat het om bijna vier op tien. De hypothese dat zulke vorm van familiegebonden socialisatie niet langer geldt bij de jonge generaties wordt daarenboven verworpen. Bij de leden jonger dan 25 jaar is maar liefst bij zestig procent één van beide ouders lid, alvorens men zelf lid is geworden. Dit onderstreept dat socialistische ouders een cruciale hefboom zijn om mensen al op jonge leeftijd te introduceren in de partij. Dit legt tevens een zwakke plek bloot. Zo blijkt een partij als sp.a in sterke mate te vissen in de vertrouwde vijver, terwijl de partij er veel minder in slaagt om nieuwe leden buiten het klassieke netwerk aan te trekken.

Op basis van de activiteitsgraad van leden zijn vier types van leden te onderscheiden, namelijk de papieren leden, de passieve leden, de steunende leden en de actieve leden. Papieren leden zijn leden die hun lidgeld betalen en daarmee is vrijwel alles gezegd. Zij nemen zelden of nooit contact op met de partij, zij gaan nooit naar partijactiviteiten en zij steken geen vinger uit in de campagne. Bijna één op drie leden van sp.a is in feite papieren lid. De passieve leden nemen op hun beurt net iets meer contact op met de partij. Deze groep maakt ongeveer een vijfde van het sp.a ledenbestand uit. Zij consulteren al eens een mandataris en nemen af en toe eens deel aan een afdelingsvergadering, maar lopen echter niet warm om andere mensen te overtuigen van de partijstandpunten, laat staan dat ze anderen zouden overtuigen om voor sp.a te stemmen of om partijlid te worden. De steunende leden doen dit laatste dan weer wel. Bijna een op drie leden van sp.a kan worden beschreven als een steunend lid. Zij zijn in feite de ambassadeurs van de partij die in hun alledaagse leefwereld de partijboodschap uitdragen en verdedigen. In hun directe omgeving en persoonlijke contacten proberen zij immers familie, vrienden en kennissen te winnen voor de standpunten van sp.a en hen te overtuigen om voor sp.a te stemmen. Hun betrokkenheid is eerder informeel. Zo hebben de steunende leden heel weinig contact met de lokale partijafdeling of met de lokale mandatarissen, net zoals ze niet al te best geïnformeerd zijn over de partij. Ten slotte is er ook nog de groep van actieve leden. Dit type lid is het manusje-van-alles. Zij doen werkelijk alles: ze gaan naar vergaderingen van de partijafdelingen en naar partijcongressen, ze informeren zich over de partijstandpunten, ze dragen afdelingsbladen rond, ze werven leden en ze overtuigen anderen om op de partij te stemmen bij verkiezingen. Deze groep maakt maximaal twintig procent van de ledenpopulatie uit.

Levensbeschouwelijke overtuiging en leeftijd zijn de belangrijke verklarende kenmerken om tot één van deze vier ledengroepen te behoren. Vooral de vrijzinnigen behoren meer dan gemiddeld tot de actieve groep van leden. Diegenen die zichzelf ongelovig noemen hebben op hun beurt de meeste kans om tot de groep van de passieve leden te behoren, terwijl leden die zichzelf katholiek of christelijk noemen meer dan gemiddeld papieren lid zijn. Zoals verwacht is er tevens een samenhang tussen lidtype en leeftijd. Oudere leden boven de 65 jaar behoren, onder controle van alle andere variabelen, veel minder tot het actieve type. Dit is weinig verwonderlijk. Wat wel tot denken aanzet, is dat niet de jongere generaties heel actief zijn in de partij, maar wel de iets ouderen van 45 tot 65 jaar. Merkwaardig is verder dat leden tot 45 jaar evenveel kans hebben om papieren lid te zijn als de leden boven de 65 jaar. Deze laatste groep behoort dan weer meer waarschijnlijk tot de groep van de steunende leden. De slotsom is dat de leeftijdsgroep van 56 tot 65 jarigen het meest actief zijn: ze zijn het minst waarschijnlijk papieren lid en het meest waarschijnlijk actief lid in vergelijking met alle andere leeftijdscategorieën.

WAT DENKEN ZE?

De stelling dat de mandatarissen op het vlak van maatschappelijke opvattingen en waarden niet zouden overeenstemmen met de ledenbasis of dat de partijtop niet links genoeg zou zijn, wordt door onze gegevens niet bevestigd. Het tegendeel lijkt eerder het geval te zijn. Mandatarissen plaatsen zich gemiddeld beduidend linkser dan de leden. Terwijl de mandatarissen zichzelf links plaatsen, neemt de ledenbasis gemiddeld genomen een eerder gematigd linkse positie in. De discrepantie met het doorsnee Vlaamse electoraat, dat eerder een gematigd rechtse positie inneemt, wordt bevestigd. Wanneer naar de prioritaire beleidsthema’s van leden en mandatarissen wordt gekeken, lijkt er binnen de partij wel een grote eensgezindheid te zijn. Tewerkstelling, gezondheidszorg, pensioenen en armoedebestrijding worden door beide groepen als de meeste prioritaire partijthema’s naar voor geschoven. De core business van sociale zekerheid en de verzorgingsstaat behoort dus allesbehalve tot het verleden van de sociaaldemocratie. Wat de nieuwe en secundaire thema’s betreft, hebben de leden en mandatarissen wel een afwijkende visie. Mandatarissen hechten meer dan de leden belang aan het milieu- en energiethema alsook de combinatie van gezin en arbeid, terwijl de sp.a leden meer de klemtoon leggen op criminaliteitsthema als secundair thema waarmee de partij zich zou moeten bezighouden.

Met betrekking tot de economische breuklijn is eerst nagegaan in hoeverre leden, mandatarissen en Vlaamse bevolking een verschillende opvatting hebben over de noodzaak van het terugdringen van sociale ongelijkheid. Het valt op dat de Vlaamse bevolking zich in sterke mate uitspreekt voor het verkleinen van de klassenverschillen, voor een vermindering van de inkomensongelijkheid en voor een actieve rol voor de overheid daarin. Bij de leden van sp.a en de mandatarissen is dit gelijkheidsstreven nog iets meer uitgesproken dan bij de Vlaamse bevolking. Daarnaast ervaren bijna alle mandatarissen en acht op tien leden het huidige sociale zekerheidssysteem als het beste systeem om het welzijn van iedereen te garanderen. Deze resultaten bevestigen het sociale imago van de sp.a en geven aan dat het handhaven van de sociale zekerheid als beleidsideologie sterk verankerd is bij de basis van sp.a. Toch is er ook harde kritiek te horen op de feitelijke werking van de huidige verzorgingsstaat. In deze context lijken zowel de leden als de mandatarissen te pleiten voor een meer actieve welvaartsstaat. Deze visie gaat ervan uit dat niet enkel de staat verantwoordelijk is voor het welzijn van haar burgers, maar dat elk individu naast rechten ook plichten heeft. Opvallend is dat de opvattingen van de leden over de rol van staat en individu op het vlak van welzijn niet verschillen van de publieke opinie in Vlaanderen. Dit neemt niet weg dat er geen kritiek is. Frappant is dat een kleine minderheid van de sp.a leden de efficiëntie en de effectiviteit van het huidige systeem van sociale zekerheid in vraag stelt. Zo vindt bijna één op vier leden dat de verzorgingsstaat te veel geld kost in verhouding tot wat het oplevert en stemt bijna één op vijf in met de stelling dat de verzorgingstaat ertoe leidt dat mensen onverantwoordelijk en lui worden. Bij de mandatarissen is zulke kritiek op de welvaartsstaat evenwel volledig afwezig.

De kritiek op de werking van de verzorgingsstaat sluit zowel bij de sp.a leden als de Vlaamse bevolking nauw aan bij de kwestie van inclusie en exclusie. Welke groepen een beroep mogen doen op de diensten en goederen van de sociale zekerheid raakt een gevoelige snaar bij een deel van de sp.a achterban. Vooral het vreemdelingenthema zorgt voor verdeeldheid bij de basis. Niet minder dan één op zes leden wil aan de migranten niet dezelfde sociale bescherming en rechten geven als aan het eigen volk. Bij het Vlaamse electoraat stijgt dit aandeel tot ongeveer een kwart, wat in schril contrast staat met de opinie van de sp.a mandatarissen. Bij hen is minder dan vijf procent ervan overtuigd dat migranten minder rechten dan Belgen verdienen. De multiculturele en multi-etnische samenleving zorgt voor nogal wat verdeeldheid binnen de partij - zowel tussen de leden onderling als tussen de basis en mandatarissen. Ongeveer één op drie, voornamelijk oudere leden, vinden dat migranten niet bijdragen tot de welvaart in ons land, dat migranten profiteren van de sociale zekerheid, dat migranten een bedreiging zijn voor onze cultuur en dat hun levenswijze onverenigbaar is met de West-Europese leefwijze. Daartegenover staat wel dat een kleine meerderheid van de sp.a leden deze stellingen verwerpt en openstaat voor de uitdagingen van een multiculturele samenleving. De verdeeldheid aan de basis van de partij staat ook in schril contrast met de mandatarissen waar vrijwel een unaniem positieve houding tegenover migranten en de multiculturele samenleving wordt vastgesteld. Deze toch wel opvallende kloof tussen partijtop en basis is misschien nog wel beheersbaar omdat de meest uitgesproken etnocentrische gevoelens bij de ledenpopulatie terug zijn te vinden bij de oudste leeftijdscategorieën en de minst actieve leden. De kloof tussen mandatarissen en het electoraat lijkt daarentegen wel dramatischer. Hier is en blijft de ideologische vraag of en in welke mate deze kloof überhaupt overbrugbaar is. Zo blijkt dat slechts iets meer dan een kwart van de Vlamingen zo kosmopolitisch denkt als het overgrote deel van de sp.a mandatarissen.

Over de aanpak van criminaliteit verschillen de sp.a ledenbasis en de Vlaamse bevolking dan weer niet van elkaar. Beide groepen pleiten voor een kordate aanpak van de criminaliteit, maar geloven wel in alternatieve straffen. Zulk alternatief strafbeleid wordt ook aangehangen door de sp.a mandatarissen, ofschoon ze minder voorstander zijn van het volledig uitzitten van gevangenisstraffen en van een zeer strenge aanpak van jongeren. Opmerkelijk is dat bij de leden de strenge en kordate houding tegenover criminaliteit in sterk mate samenhangt met dezelfde kenmerken die het culturele ongenoegen verklaren. Laaggeschoolde, christelijke en oudere sp.a leden zijn meer repressief en etnocentrisch ingesteld. Het sterke leeftijdseffect stelt de partij voor een bijzondere uitdaging. Een relatief grote groep van de oudere leden (+65 jaar) heeft een eerder autoritair en etnocentrisch profiel, terwijl dit ideologisch profiel veel minder sterk vertegenwoordigd is bij de jongere leden.

De visie van de sp.a ledenachterban op het milieuthema en de gewenste milieumaatregelen wijkt op haar beurt slechts in beperkte mate af van het Vlaamse electoraat. Toch heerst er een zekere ambivalentie bij de leden. Ongeveer vier op vijf leden en mandatarissen pleit voor meer uitgebreide maatregelen om de CO2-uitstoot aan banden te leggen, maar slechts de helft van de leden is bereid om daarvoor meer te betalen. Opvallend is dat zelfs een derde van de leden van mening is dat de media de gevaren voor het leefmilieu overdrijft. De mandatarissen lijken op dit vlak consequenter, ook al stelt een vrij omvangrijke groep dat een belastingverhoging om milieuproblemen aan te pakken geen goede zaak zou zijn. In het algemeen zijn de mandatarissen groener ingesteld dan de leden, die er eerder een ambivalente houding op na houden. Ten slotte is er op ethisch vlak een zeer grote eensgezindheid. De sp.a leden en mandatarissen zijn uitgesproken ethisch progressief. Een overgrote meerderheid pleit voor een verdere versoepeling van de abortuswetgeving, het wettelijk mogelijk maken van euthanasie voor minderjarigen en het recht voor homoseksuele en lesbische koppels om kinderen te adopteren. Hiermee is de sp.a achterban en elite meer uitgesproken ethisch progressief dan de Vlaamse bevolking die in het algemeen ook al redelijk progressief denkt over deze thema’s.

Alle bovenstaande analyses werden ook uitgevoerd en verder uitgediept door de leden op te splitsen naar papieren en passieve leden, steunende leden en actieve leden. De mandatarissen werden op hun beurt in twee groepen verdeeld van niet-verkozen en verkozen mandatarissen. De kiezers werden opgesplitst in drie categorieën, met name de sp.a kiezers (bij de federale verkiezingen van 2007), de ex-sp.a kiezers (kiezers die ooit al voor sp.a hebben gestemd maar dat niet deden bij de verkiezingen van 2007) en de niet-sp.a kiezers (kiezers die nog nooit voor sp.a hebben gestemd). De resultaten van deze analyses geven een gelijkaardig maar gedetailleerder beeld van de analyses op basis van de driedeling leden, mandatarissen, Vlaams electoraat. Op een links-rechts schaal, waarbij mandatarissen, leden en kiezers wordt gevraagd zichzelf te positioneren, blijken de actieve leden en mandatarissen niet significant van elkaar te verschillen. Zij nemen een gematigd linkse positie in. De papieren en passieve leden alsook de sp.a-kiezers verschillen ook niet significant van elkaar en kennen zichzelf een centrumlinkse positie toe. De ex-kiezers van sp.a plaatsen zich daarentegen pal in midden van de links-rechts as, terwijl de niet-sp.a kiezers zichzelf eerder in het centrum tot zelfs centrumrechts positioneren. De groep van mandatarissen bevinden zich dus ideologisch niet ergens tussen haar actieve leden en het electoraat in, maar neemt een gelijkaardige positie in als de actieve leden. Meer concreet nemen de meest actieve groepen binnen de partij - namelijk de actieve leden en de mandatarissen - een positie in die het verst verwijderd is van haar electoraat. De papieren en passieve leden lijken op hun beurt het dichtst aan te sluiten bij de denkbeelden van het (ex) sp.a electoraat. Dit stramien wordt bevestigd voor vrijwel alle ideologische kwesties en thema’s gaande van etnocentrisme, gelijkheidsstreven, welvaartsstaatkritiek, repressie, milieubeleid en ethische houding.

PARTIJWERKING

De achterban is relatief tevreden over het bestuurswerk van de sp.a. Achter die tevredenheid schuilt echter nogal wat kritiek op de werking van de partij en op de partijlijn. Een derde van de leden vindt de manier waarop beslissingen in de partij tot stand komen onduidelijk, terwijl de helft van de leden klaagt over te weinig openheid en ruim een kwart van de leden de partij te professioneel en zakelijk vindt. Frappant is dat juist de mandatarissen kritischer staan tegenover de huidige partijorganisatie dan de leden. Een ander opvallend verschil tussen leden en mandatarissen vinden we ook terug wanneer gevraagd wordt naar de prioritaire doelstelling van de partij. Bijna één op vijf leden wil dat de partij kost wat kost in de regering zit terwijl slechts één op twintig mandatarissen daar zo over denkt. Mandatarissen houden minder dan leden vast aan coalitiedeelname en pleiten meer voor het vasthouden aan principes. Dit neemt niet weg dat zowel leden als mandatarissen kiezen voor een pragmatische partij die zo principieel mogelijk is. Er is dus geen draagvlak voor een radicale, meer dogmatische partij, evenmin voor een populistische partij die haar principes overboord gooit in ruil voor stemmen. Kortom, de basis is voor een genuanceerde maar moeilijke evenwichtspositie. Die nuance lezen we ook in de visie van de mandatarissen en de leden op de openstelling van de partij voor sympathisanten die geen lid zijn van de sp.a. Op dit vlak is er veel openheid mogelijk op het vlak van discussie, minder als het op besluitvorming aankomt. Dan telt het formele lidmaatschap. Ook hier staat de sp.a voor een evenwichtsoefening. Ruim de helft van de leden wil nieuw bloed aantrekken en vindt vernieuwing noodzakelijk, maar anderzijds mag de partij haar identiteit niet verliezen door niet-partijgebonden nieuwelingen aan te trekken, wat volgens veel leden net het geval is.

Een gevoelige kwestie is daarnaast de tweedeling binnen de partij over de principes, boodschap en visie van de sp.a. Aan de ene kant vindt een derde van de leden dat de sp.a haar principes is verloren, een derde vindt dat net niet. Meer dan veertig procent van de leden zegt dat de partij geen duidelijke boodschap uitdraagt, een op drie denkt daar anders over. Aan de andere kant zijn alweer de mandatarissen scherper in hun kritiek dan de leden. Vooral verkozen mandatarissen, die de confrontatie met de kiezers moeten aangaan, vinden het huidig partijverhaal te vaag, te complex en te weinig overtuigend. De confronterende vaststelling is dat de helft van de leden en mandatarissen vindt dat het de sp.a ontbreekt aan een nieuwe generatie politici met visie die een remedie moeten vinden voor de kwaal. Kortom, er is kritiek op boodschap en boodschappers. Wanneer zelfs een relatief groot deel van de linkse achterban vindt dat de eigen partij een probleem heeft met haar principes, haar verhaal en haar gezicht, dan bevestigt dit de bredere malaise van de Europese sociaaldemocratie.

Wat bovenstaande analyse vooral leert, is dat de basis geen eenduidige visie heeft over de sp.a en haar toekomst. Eén op zes leden vindt dat de partij te weinig rekening houdt met de achterban, een derde vindt de partij wel voldoende representatief, terwijl de helft een sceptische tussenpositie inneemt. Over andere zaken is er wel meer eensgezindheid: de sp.a moet nieuwe standpunten meer in dialoog met het maatschappelijk middenveld uitdenken en de banden met het oude en nieuwe middenveld moeten worden onderhouden en versterkt. Dit impliceert dat er veel steun is voor een sterke maatschappelijke verankering van de sp.a. Het antwoord op de vraag of de sp.a een sterkere zuilbinding moet nastreven, dus meer aansluiting moet zoeken bij het ABVV en de socialistische mutualiteit, is afhankelijk van specifieke achtergrondkenmerken en attitudes. Vooral de klassieke linkse achterban ziet dit graag gebeuren. Over progressieve rood-groene frontvorming in het partijpolitieke landschap bestaat er daarentegen wel heel wat onenigheid. De neiging tot tegenstand bij de leden en de grote verdeeldheid bij de mandatarissen geven aan dat een kartel met Groen! sowieso niet evident is voor de partijachterban.

TOT SLOT

De resultaten van het onderzoek geven aan dat sp.a in de uitwerking van haar ideologisch profiel en haar strategische partijlijn sowieso rekening moet houden met heel wat gevoeligheden en tegenstellingen bij de eigen achterban. Het onderzoek had als doel om een beter beeld te krijgen van wat er leeft bij de achterban van sp.a gaande van kiezers, leden tot mandatarissen. Het vertelt hoe de basis van de partij er uitziet, wat de partijbasis denkt over cruciale maatschappelijke thema’s en op welke vlakken de partij één en verdeeld is, maar het geeft niet aan welke richting de partij uit moet of hoe de partij zich het best organiseert. We hopen met dit onderzoek wetenschappelijk gefundeerd basismateriaal aan te reiken voor een grondige reflectie en discussie over de positie en over de belangrijkste uitdagingen van de sociaaldemocratie in Vlaanderen en West-Europa. Omdat de sp.a van vandaag onvermijdelijk zal verschillen van de sp.a van de toekomst, hopen we dat de resultaten van dit onderzoek voldoende inzicht en discussiestof kunnen bieden bij het uittekenen van de inhoudelijke en organisatorische koers.

Patrick Vander Weyden
Deeltijds docent UGent, hoofdredacteur Samenleving en politiek
Koen Abts
Onderzoeker ISPO-KULeuven

Noot
1/ Patrick Vander Weyden en Koen Abts, De basis spreekt. Onderzoek naar de leden, mandatarissen en kiezers van sp.a , 2010, Leuven, Acco.

sp.a - sp.a-leden - partijwerking

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 5 (mei), pagina 4 tot 12