Log in

De crisis van links en het belang van ideologische weerbaarheid

Ondanks de financiële en klimaatcrisis en de zwakte van de federale regering slagen de Vlaamse socialisten en groenen er vooralsnog niet in een wervend alternatief te presenteren. Bij de Vlaamse verkiezingen van 7 juni 2009 haalden sp.a, Groen! en SLP samen niet meer dan 23,13% van de stemmen. In 2004 was dat nog 27,26%. In deze bijdrage wordt stilgestaan bij het gebrek aan ideologische weerbaarheid als één van de mogelijke oorzaken. De problematiek kan worden geïllustreerd aan de hand van de casussen rechtvaardige fiscaliteit, staatshervorming, multiculturele samenleving en milieu.

De centrale stelling is dat centrumlinks zich al te vaak heeft neergelegd bij de centrumrechtse mainstream, in plaats van linkse ideeën wortel te laten schieten en zo de linkse kiezersmarkt als zodanig te vergroten. Bovendien hebben de centrumlinkse partijen op verscheidene momenten zelf het draagvlak voor linkse ideeën ondermijnd. Een dergelijke aanpak kan niet duurzaam zijn, omdat zo de aantrekkingskracht van een eigen origineel programma, als één van de cruciale factoren om te groeien, nagenoeg wordt uitgeschakeld. Andere elementen, zoals leuke figuren of bestuurservaring, volstaan niet om politiek en electoraal blijvend te wegen. Zich voegen naar de centrumrechtse mainstream kan zelfs stemmen kosten, omdat de mainstream gewoon wordt versterkt en voor de eigen partij, die geen marktleider is van centrumrechtse benaderingen, de irrelevantie wenkt.

RECHTVAARDIGE FISCALITEIT:

AMBITIES STERK VERLAAGD

Het thema herverdeling behoort tot de core business van linkse partijen. Maar wanneer het ging over de fiscale discriminatie tussen arbeids- en kapitaalinkomsten lieten ze steken vallen. In België wordt arbeid zwaar belast, terwijl de meeste kapitaalinkomsten wegkomen met relatief lage vlaktaksen. Daarnaast bestaan er voor meerwaarden, bedrijfswinsten en erfenissen heel wat regels die de belastingdruk helpen minimaliseren. Op die manier wordt de ongelijkheid bestendigd en misloopt de gemeenschap miljarden euro voor tal van binnenlandse en mondiale noden. Tragisch is dat bijvoorbeeld tijdens de beurshausse van de jaren 1990 nauwelijks maatregelen zijn genomen om een groter deel van deze winsten af te romen. De centrumlinkse partijen hebben de voorbije jaren weinig moeite gedaan hier een thema van te maken.

Vanaf de tweede helft van de jaren 1990 omarmde ongeveer de hele sociaaldemocratie in West-Europa de ‘Derde Weg’ en de Europese Lissabonstrategie (2000). Het kwam erop aan de welvaartsstaat zo sociaal mogelijk aan de neoliberale mondialisering aan te passen, waarbij deze laatste als een gegeven werd beschouwd. Dit was een eerste fout. De socialisten streden niet voor een ander Europa, van waaruit vervolgens voor een andere mondialisering gevochten zou kunnen worden. In dit decennium gingen socialistische traktaten veeleer over armoedebestrijding, onderwijs en onderzoek als instrumenten om welvarend en competitief te blijven, slimme maatregelen om meer mensen aan het werk te krijgen, de eindeloopbaan en een vooruitziende begrotingspolitiek om een antwoord op de vergrijzing te bieden. De tweede fout die toen is gemaakt, is dat herverdeling van inkomen en arbeid nauwelijks op de agenda stonden. Zelden of nooit werd bijvoorbeeld een rechtvaardige vermogensfiscaliteit - ook niet onbelangrijk vanuit het oogpunt van solidariteit tussen de ouderen - naar voren geschoven als één van de antwoorden op de vergrijzing. Het debat over rechtvaardige belastingen was des te meer op zijn plaats in een samenleving waarin vermogensinkomsten veel belangrijker waren geworden, en 50% van alle vermogen bij 10% van de gezinnen zat, waarbij 1% van de gezinnen daarenboven over 20% van alle vermogen beschikte. Bepaalde vormen van vermogensfiscaliteit, zoals herhaaldelijk voorgesteld door de vakbonden, zouden bovendien de overgrote meerderheid van de bevolking financieel ten goede komen, waardoor het ook electoraal helemaal niet bedreigend hoefde te zijn.

Het fiscale discours van centrumlinks was ten tijde van paarsgroen (1999-2003) en paars (2003-2007) over het algemeen problematisch. Tijdens paarsgroen maakten we 1 mei-toespraken mee die de eis om de laagste uitkeringen met 10% te verhogen bijna als populistisch van de hand wezen. En dit terwijl diezelfde regering er een belastingverlaging had doorgesleurd die minstens tien maal groter was en vooral de middenklasse ten goede zou komen. Onderdeel van de belastinghervorming was de afschaffing van de toptarieven in de personenbelasting boven de 50%, maar daar stond niets tegenover inzake vermogensfiscaliteit. De actieve welvaartsstaat impliceerde de responsabilisering van de zwaksten, terwijl België een belastingparadijs voor de meest vermogenden bleef. Onder Verhofstadt II keurden de socialisten de fiscale amnestie en notionele intrestaftrek voor de bedrijven goed. Een opvallende episode was de discussie over de algemene sociale bijdrage in mei 2005. ABVV en ACV wilden de financieringsbasis voor de sociale zekerheid verbreden door in principe op alle inkomsten, dus ook diverse kapitaalinkomsten, eenzelfde heffing te leggen. Een deel van de opbrengst zou worden gebruikt om belastingen op bepaalde arbeidsinkomsten en vervangingsinkomens te verlagen. De sp.a maakte brandhout van dit voorstel, met het mainstream argument dat er al genoeg belastingen op arbeid en vermogens waren. Men koos voor een ongenuanceerd antwoord op een genuanceerd voorstel, waarvan de modaliteiten geenszins te nemen of te laten waren. Op die manier werd actief bijgedragen tot het ondergraven van het draagvlak voor rechtvaardige fiscaliteit, een debat dat sowieso al moeilijk te voeren is. Overigens had centrumlinks ook weerwerk moeten bieden tegen de dooddoener dat hogere vermogensfiscaliteit geen goed idee is omwille van het risico op kapitaalvlucht. Nationale staten hebben een ruim arsenaal aan technische en juridische instrumenten om dit risico in te dijken. Bovendien kan dit risico ethisch gezien toch geen reden zijn om een noodzakelijke wet niet in te voeren?

Toegegeven, het was niet allemaal kommer en kwel. De socialisten geloofden sterk in Europese initiatieven, zoals de spaarrichtlijn die een effectieve belasting op vastrentende beleggingen in de EU en een groep derde landen moest garanderen. Geregeld tikten ze Didier Reynders op de vingers wanneer hij Europese initiatieven stokken in de wielen probeerde te steken. Samen met de groenen bedongen ze dat de verlaging van het nominale tarief van de vennootschapsbelasting budgettair neutraal moest verlopen, met name door de belastingbasis te verbreden. Als pasmunt voor de fiscale amnestie dwongen de socialisten de afschaffing van de erg fraudegevoelige anonieme waardepapieren aan toonder af. Voorts hamerden ze systematisch op het belang van fraudebestrijding. Tijdens de paarse periode stelde Dirk Van der Maelen vele anomalieën in ‘fiscaal wonderland’ aan de kaak en trok aan de kar voor de wereldberoemde Tobintakswet. Ondanks de banbliksems tegen de algemene sociale bijdrage keurde paars met het oog op de begroting van 2006 dan plots voor een paar honderd miljoen euro aan belastingverhogingen op bepaalde beleggingsinkomsten goed. Deze beslissing, die bij nacht en ontij was genomen, kwam er uit pure budgettaire noodzaak. Er werd opnieuw weinig moeite gedaan om met de bevolking eindelijk eens een goed debat over rechtvaardige belastingen te voeren. Sinds sp.a federaal in de oppositie zit, komt de partij kritischer uit de hoek, onder meer over de notionele intrestaftrek. Opvallend is echter dat ze weinig tot geen steun verleende aan het doordachte voorstel van de Hoge Raad van Financiën om met het oog op de vergrijzing bepaalde belastingen op vermogensinkomsten te verhogen, noch aan het recente ballonnetje om de roerende voorheffing op te trekken.

Wat met de groenen in dit verhaal? Officieel hadden ze een lastenverschuiving van arbeid naar kapitaal meestal in hun programma staan. Maar in de praktijk was het doorgaans geen belangrijk strijdpunt. Net als bij de socialisten kon de regeringsdeelname worden ingeroepen als een (flauw) excuus om niet voluit te gaan. Vanaf 2003 namen de groenen meer uitgesproken standpunten in, zoals tegen de fiscale amnestie, voor de algemene sociale bijdrage en voor een vermogensbelasting. Maar het liefst hielden de groenen het op de strijd tegen de fraude en een lastenverschuiving van arbeid naar milieugebruik. Groen! heeft immers een niet onbelangrijke onderstroom die zich liever niet profileert op ‘oudlinkse’ fiscale standpunten, laat staan met het imago van ‘probelastingpartij’ wil blijven zitten. Zij praten dus liever over ‘ecoboni’ dan over vermogensbelastingen.

Wat kan deze casus leren over de huidige crisis van links? Onder druk van een rechtse mainstream, die alleen maar van belastingverlaging wil weten, heeft centrumlinks de eigen historische standpunten ingeslikt en zelfs in diskrediet gebracht. Sindsdien kan centrumlinks alleen nog wat kleuren binnen de krijtlijnen die door rechts zijn getrokken. Het strategische en op den duur ook electorale probleem daarbij is dat de mainstream volop gelegitimeerd wordt, want er is niet langer een tegenstem die de kiezer doet nadenken. Omtrent dit belangrijke thema speelt centrumlinks dan niet meer mee, want andere partijen hebben meer geloofwaardigheid inzake belastingverlaging. Dan moet centrumlinks de electorale concurrentiestrijd voortzetten terwijl het heeft ingeboet op één van zijn belangrijkste troeven, met name de meerwaarde van een originele ideologie die stevig in de samenleving is verankerd.

STAATSHERVORMING: CONSERVATIEF EN ECONOMISCH-LIBERAAL IDEEËNPAKKET INBEGREPEN?

De manier waarop de communautaire discussie de voorbije vijf jaar in ons land is geëvolueerd, komt neer op een falen van links. De Belgische staatsstructuur mag uiteraard evolueren en het bestaan van twee verschillende gemeenschappen is een feit. Maar dat in ons land de etnische breuklijn zo is opgeklopt, een conservatief-liberale versie van separatisme zoveel terrein heeft gewonnen, het land door de onnodige polarisatie haast onbestuurbaar is geworden, en bijna alleen nog liberalen het opnemen voor België, is bezwaarlijk een links succes te noemen. Elk politiek-geografisch hervormingsproject hangt samen met een ideologisch project en bijhorende cluster van ideeën. De rechterzijde is erin geslaagd haar welbepaalde visie op staatshervorming - quasi-separatistisch en rechts-liberaal ingevuld - hegemonisch te laten worden. Dit is grotendeels gelukt omdat het communautaire offensief vanuit het ‘Vlaams kartel’ en andere actoren vanwege de linkerzijde fundamenteel weinig weerwerk heeft gekregen. Op die manier heeft de rechterzijde een morele overwinning geboekt, die haar in het algemeen meer legitimiteit heeft gegeven. Daardoor kon zij op totaal andere terreinen dan staatshervorming eveneens haar posities verstevigen. Op dat ogenblik zal bijvoorbeeld een Bart De Wever ook meer gehoor krijgen wanneer hij zich openlijk ergert aan de ‘klimaathype’ die te veel aandacht zou opeisen (echt gebeurd).

De socialisten en groenen hebben zich ondertussen altijd als gewillige gesprekspartners opgesteld, en hanteerden ter zake een vrij technocratisch discours. Vanuit een ‘pragmatische’ visie op beter bestuur gingen ze een eind mee met bepaalde splitsingsagenda’s (bv. tewerkstellingsbeleid). Er werden vanuit de sp.a zelfs vraagtekens geplaatst bij het idee van een Franstalige eerste minister. Men ging ervan uit dat de mainstreamkiezer het intussen ook zo wilde. Maar dat was juist het probleem. Men had de rechtse communautaire retoriek te ver laten komen. De strijd om de kiezer draait finaal om gevoelens en sfeer. Wie de sfeer naar zijn hand kan zetten, wint. De vraag is dan of het verstandig was tegenover een overwegend rechtse emotie linkse technocratie te plaatsen. Daarmee werd de ontvankelijkheid van de gemiddelde Vlaming voor al te complexe en genuanceerde verhalen overschat. Wanneer een ding misschien wel een paar goede kanten heeft, maar de globale geur en kleur ervan je niet aanstaan, dan moet je gewoon stop zeggen, en op een ander soort politieke taal overschakelen. Vooral de stemmingmakerij waarmee men België naar het stort probeerde af te voeren, had vanuit links veel frontaler aangevallen moeten worden, desnoods met Tobbackiaans gebulder zoals in de jaren 1980, iets wat de jongere generatie helaas verleerd schijnt te zijn.

Feit blijft dat de gemiddelde Vlaming geen eenduidig en definitief communautair standpunt heeft, en tamelijk beïnvloedbaar is. De assertieve positionering van een links communautair tegenverhaal, waarin er wel nog een toekomst voor België is weggelegd, had de krachtsverhoudingen binnen de publieke opinie snel kunnen bijsturen. Er waren verscheidene aanknopingspunten voor een eigentijds federaal project: het economische succes van bepaalde gebieden in Wallonië, de groeiende wil in Franstalig België om niet meer van transfers afhankelijk te zijn (Demotte), de geleidelijke zuivering van de PS, de kracht van een Belgisch buitenlands beleid en het voorbeeld dat het Belgische model nog altijd kan zijn voor balkaniserende multiculturele staten elders in de wereld. Een onderdeel van deze creatieve politiek had de versterking van taalgrensoverschrijdende contacten kunnen zijn in functie van een hernieuwd staatsmanschap om de zaken níet uit de hand te laten lopen. In deze kwestie was er een nuanceverschil tussen groenen en socialisten. Af en toe probeerde Groen! wel fundamenteel tegen de Vlaams-nationalistische retoriek in te gaan. Denk aan de onthouding in de Kamercommissie Binnenlandse zaken bij de stemming over BHV en het feit dat Groen! en Ecolo één fractie vormen. Toch kunnen we niet stellen dat Groen! de ‘pro-Belgische’ niche voluit wou ontwikkelen. Er is in de partij immers al jaren een sterke onderstroom die de zaak ‘pragmatisch’ wil benaderen, diverse Vlaamse eisen ondersteunt en vooral niet wil dat de partij zich op het communautaire profileert. Deze tendens wordt versterkt door de BHV-afdelingen en VU-diaspora.

MULTICULTURELE SAMENLEVING: DE HOOFDDOEK ALS ‘STUKJE TEXTIEL’?

Links heeft ook in het multiculturele debat toegelaten dat het zwaartepunt in de discussie helemaal rechts kwam te liggen, en heeft daar zelf toe bijgedragen. Ook hier is het basisprobleem dat links onvoldoende inspanningen heeft geleverd om de krijtlijnen voor het debat mee te bepalen. Links mag simpelweg nooit toelaten dat de samenleving langs etnische breuklijnen verzuurt en polariseert. Dan winnen enkel weer de anderen. Wat kunnen we nu verstaan onder ‘linkse krijtlijnen’?

Ten eerste moet links aandacht blijven eisen voor de sociaaleconomische dimensie. Deze staat op zichzelf, maar helpt ook allerlei ‘samenlevingsproblemen’ voor een deel te verklaren. Denk aan gettovorming, verstikkend traditionalisme, religieus fanatisme of delinquentie. Het ligt niet allemaal aan cultuur of islam. De sociale achterstand van allochtonen is een verhaal van gedeelde verantwoordelijkheden, die juist moeten worden gelegd tussen sterke en zwakke actoren. Zo hebben al heel wat studies aangetoond dat werkgevers op grote schaal allochtone sollicitanten uitsluiten. Waarom ontketenen de linkse partijen rond dit thema geen groot offensief?
Ten tweede moet links aan de mensen uitleggen dat racisme, discriminatie en onredelijke assimilatiedwang vanuit de autochtone maatschappij een brede waaier aan tegenreacties oproepen, die de kloof tussen gemeenschappen verder verdiepen. Tussen de verzuring en radicalisering aan beide kanten bestaat een wisselwerking. De extremen voeden elkaar. Daarbovenop komt de beladen internationale context (Irak, Libanon, Gaza, enz.). In dit kader is er ook dringend een assertieve houding nodig tegenover de ongenuanceerde islamhaat. Binnen de islamwereld heersen er inderdaad wantoestanden die vanuit links perspectief onaanvaardbaar zijn. Er is haast niemand meer die dat ontkent. Maar meer dan een miljard mensen demoniseren zonder meer is moreel en strategisch totaal onverantwoord. Ook hier zien we een gebrek aan staatsmanschap spelen, want staatslieden laten per definitie niet toe dat over een hele bevolkingsgroep dagelijks wordt gesproken als over een stuk vuil. Grote verschillen tussen groepen overbruggen is overigens een werk van lange adem, dat aangepaste methodieken en wederzijds respect vereist. Het belegeren en constant bestoken van een zwakkere groep, zowel binnenlands als internationaal, is geen goede strategie om binnen die groep het interne debat, de zelfkritiek en de individuele emancipatie te stimuleren, en zeker niet wanneer er nog zoveel sociaaleconomisch en internationaal onrecht heerst waarvoor westerse regeringen een grote verantwoordelijkheid dragen. Mensen bruuskeren, het opgeheven vingertje, assimilatiedruk, hoofddoekenverbod: het dreigt allemaal averechts te werken. Hier staan ook de vele linkse islam-bashers onvoldoende bij stil, hun nobele bedoelingen omtrent mensenrechten en emancipatie ten spijt. Deze Huntingtoniaanse haatspiraal biedt anders wel mooie perspectieven voor populistisch en extreemrechts en hun islamitische collega’s.

Binnen deze duidelijke linkse krijtlijnen kan er over alle problemen gesproken worden, ‘zonder taboes’, bijvoorbeeld ook over een betere omkadering van de volgmigratie of de eigen verantwoordelijkheid van allochtone gemeenschappen. De common sense van de massa, die omtrent de multiculturele samenleving met heel wat vragen en grieven zit, kan men in de politiek niet straffeloos negeren. De linkerzijde doet er daarom goed aan die elementen uit de common sense waar ze kan achterstaan (bv. aanpak van straatcriminaliteit of tegengaan van vrouwenonderdrukking) in een eigen evenwichtige totaalvisie te incorpereren. Dat is iets helemaal anders dan zomaar de rechtse mainstream achterna lopen, maar ook iets anders dan in linkse wereldvreemdheid blijven steken. Maar wat zien we nu? Van zorg voor de linkse krijtlijnen is weinig sprake meer. Centrumlinks is al enkele jaren aan het zwalpen. Om de haverklap slaat een links kopstuk een mea culpa over links dat al te lang de kop in het zand gestoken heeft (zie bijvoorbeeld het recente opiniestuk van Groen!-parlementslid Luckas Vander Taelen over het wangedrag van Brusselse allochtone jongeren). Maar een doordachte en doorgeprate strategie over waar men hiermee politiek-strategisch wil landen, ontbreekt. Men geraakt meestal niet verder dan rechts gelijk te geven, terwijl links verondersteld wordt andere analyses en oplossingen te formuleren. Het moet wel gezegd dat Groen! zich intussen wat herpakt heeft en de linkse krijtlijnen weer duidelijker verdedigt (denk aan de oppositie tegen repressieve taaleisen in de sociale woningsector en de hoofddoekenverboden). Er moet wel meer gedaan worden voor vorming van de eigen basis en kiezers omtrent dit moeilijke verhaal.

Het hoofddoekenverbod in openbare diensten en scholen is pas echt een debacle voor links. Zo’n rel vindt nooit plaats zonder context. De ongeoorloofde druk op (een onbekend aantal) meisjes om een hoofddoek te dragen is maar één deel van het verhaal. De context omvat ook de frustratie binnen moslimgemeenschappen omwille van achterstelling en gebrek aan elementair respect, terwijl rechts - bij wijze van scalp - al jaren achter de hoofddoek aan zit. Een ander deel van de context is dat België helemaal geen traditie van radicaal laïcisme kent. Toch worden de hoofddoeken sterk geviseerd en bijvoorbeeld niet de miljardensubsidies aan het katholiek onderwijs. Ook al lopen de meningen over de betekenis van de hoofddoek uiteen, feit is dat hij juist omwille van deze onverkwikkelijke context een symbool geworden is voor een belaagde identiteit, die men niet zomaar wil laten vallen. Het is een symbool van de juiste strijd tegen assimilatiedwang. Dat bepaalde autochtone actoren hun interpretatie van de hoofddoek - ‘een stukje textiel’ - zomaar opdringen en zelfs meisjes die vrijwillig een hoofddoek dragen beschuldigen ‘de vrijheid van anderen te schaden’ (sic), is niet echt een bijdrage tot de sociale cohesie.

Wat de positie van links betreft, zijn er treffende parallellen met het dossier staatshervorming. Net als bepaalde communautaire eisen vormt het hoofddoekenverbod een onderdeel van een veel ruimere ideeëncluster. Het hoofddoekenverbod is in de eerste plaats een symbool van een rechtse ideeëncluster. Het past in principe ook in een linkse ideeëncluster, die een verbod bepleit op grond van respectabele seculiere en feministische argumenten. Maar in de huidige tijdsgeest is het een illusie dat de linkse cluster in Vlaanderen op korte termijn dominant kan worden. Anders gezegd, een hoofddoekenverbod is op zich niet rechts, maar is het door de context wel geworden. Daarom is dit de zoveelste morele overwinning voor rechts. De hoofddoekenrel heeft in geen enkel opzicht bijgedragen tot een maatschappelijke versterking van de linkse analyse van de integratieproblematiek, zeer integendeel. De sociaaleconomische dimensie is omzeggens weg uit het debat, waardoor deze ook in het beleid onder druk komt te staan. Op die manier krijg je stilaan een Beieren-aan-de-Noordzee in het kwadraat, en dan mag je als links de boeken toe doen. Linkse actoren hadden om te beginnen nergens zelf hoofddoekenverboden moeten instellen. Toen het idee opkwam met de bijhorende neokoloniale retoriek, hadden linkse leiders klaar en duidelijk neen moeten zeggen, en een eigen evenwichtige totaalvisie over migratie en integratie in stelling moeten brengen.

MILIEU: HOE DE

INCONVENIENT TRUTH TERUG CONVENIENT WORDT

Milieu is een thema waarop de linkerzijde en zeker Groen! zouden kunnen scoren, maar ook hier zien we een aantal zaken mislopen. Ondanks het alarmisme van de klimaat- en milieuexperts wordt het publiek in slaap gewiegd door het feit dat alle politieke partijen een groen sausje over hun programma gegoten hebben, en door de fata morgana’s van technologische wonderoplossingen. Daardoor komt alles wel in orde en hoeft de levensstijl niet ingrijpend te veranderen. De Inconvenient Truth is terug convenient geworden. Nochtans is het vijf na twaalf, en geen enkele politieke partij heeft een programma om de productie en consumptie terug binnen de grenzen van de ecologische draagkracht te brengen. Milieuministers doen tegenwoordig heel wat, maar respect voor de ‘milieugebruiksruimte’ zou de ultieme benchmark van het beleid moeten zijn. Een windmolen hier en de inhuldiging van een bos daar zijn niet voldoende. Onze economie en levensstijl zitten fundamenteel nog altijd op een verkeerd spoor. We lijken met gescheiden werelden te maken te hebben. De dagelijkse wereld van de Lange Wappers, havenuitbreidingen en ondergrondse parkings is een andere wereld dan die van de VN en Al Gore die waarschuwen voor miljoenen slachtoffers als gevolg van klimaatverandering.

Groen! probeert aan te tonen dat de andere partijen tekortschieten, maar om die oppositie meer uit de verf te laten komen, zou een versnelling hoger geschakeld moeten worden. Een fundamenteel ander verhaal vertrekt vanuit de milieugebruiksruimte op Aarde, en zo komen we uit op de discussie over economische groei. Alle politieke partijen (met Groen! dat verdeeld is) zijn voorstander van economische groei. Nulgroei of krimp is inderdaad niet evident, en kan in het huidige bestel sociaaleconomische catastrofes veroorzaken. Een economie zonder groei vergt onder meer een veel grotere herverdeling van inkomen en werk. Maar hoe realistisch is het eindeloos door te gaan met groei en vervolgens onze levensstandaard wereldwijd te veralgemenen? Is het in zo’n kader dat men de CO2-uitstoot met 80% of meer wil verminderen en oorlogen om grondstoffen vermijden? Indien men dit toch wil doorzetten, welke overheidsinterventie en belastingpolitiek zullen er niet nodig zijn om in een verveelvoudigde wereldeconomie alle materialen permanent te hergebruiken? Het zou al goed zijn deze vragen openlijk te stellen, ook al kan niemand verwachten dat een partij er ook reeds pasklare antwoorden op heeft. In de afgelopen kiescampagne toonde Groen! zich echter kwetsbaar bij de mogelijke suggestie van tegenstanders dat de partij tegen de groei zou zijn. De groenen hielden het dan maar op een pleidooi voor een ‘ander soort groei’ of een ‘anders gemeten groei’, maar geen problematisering van de groei als zodanig. Bang om weer van het ‘opgeheven vingertje’ beschuldigd te worden, stellen de groenen zich vaak sympathieker op dan nodig. Men zou zich echter beter de vraag stellen waar het beeld van dat vingertje eigenlijk op slaat in het licht van de huidige mondiale milieucrisis die het welzijn van honderden miljoenen mensen bedreigt. Ook dit is een kwestie van ideologische weerbaarheid. Men moet leren blijven staan wanneer het een beetje begint te waaien. De taal van de mainstream is niet geschikt om de ernst en urgentie van de milieuproblematiek te vatten, en derhalve ook niet om de relevantie van het ecologisme als onafhankelijke stroming in de politiek aan te tonen.

Echt radicaal zijn, is voor een kleine, kwetsbare partij natuurlijk niet simpel. Er is steun van andere maatschappelijke actoren nodig om dergelijke ideeën te laten rijpen. En zo komen we bij een andere factor die de crisis van links helpt verklaren: de zwakte van de ‘buitenparlementaire oppositie’. Radicale ideeën moeten worden aangebracht door spelers die niet meedoen aan verkiezingen en ook financieel een zekere onafhankelijkheid hebben. Zij kunnen het pad effenen voor de politieke partijen. Het probleem van veel sociale bewegingen en intellectuelen in Vlaanderen is dat zij onvoldoende tegen de mainstream ingaan. Onze milieubeweging houdt zich bijvoorbeeld niet of nauwelijks bezig met het groeidebat. Vaak stelt ze zich ook overdreven a-politiek op, waarbij machthebbers die zich van haar eisen niets aantrekken, veel te gemakkelijk weg komen. Ze doet ook weinig moeite om het groene imago van bepaalde politici en partijen te doorprikken op momenten dat dit echt nodig is. Ze werkt graag samen met bepaalde beleidspartijen om millimeters vooruitgang te boeken, maar ondertussen valt de hele bevolking in slaap. Af en toe stappen ook sterke mensen uit het middenveld naar beleidspartijen over, waardoor het eerste verzwakt, en het ondermaatse beleid van de tweede gelegitimeerd wordt. Normaal gezien zijn het de actiegroepen die de partijen onder druk zetten. In Vlaanderen wordt het stilaan tijd dat linkse politici met het middenveld de discussie aangaan.

Ten slotte moeten we stilstaan bij de rol van de sociaaldemocratie in het milieudebat. Het is juist dat van alle traditionele politieke families de socialisten het meest begaan zijn met natuur en milieu. Maar tegelijkertijd kunnen ze vaak betrapt worden op overdreven pragmatisme. Dat blijkt onder meer uit tal van standpunten over parkings, wegeninfrastructuur, havens, luchthavens en grote stedenbouwkundige projecten. Men wil onder andere de automobilist niet al te zeer voor het hoofd stoten. En bij echt moeilijke keuzes tussen ‘economie en ecologie’ (Doel, nachtvluchten, enz.) wordt gemakkelijker voor economie gekozen, in plaats van mee te denken en mee te mobiliseren voor een andere economie, die de samenleving niet meer voor dit soort vreselijke dilemma’s plaatst. Wat vooral problematisch is, is dat de sp.a-communicatie er de jongste jaren sterk op gericht was de progressieve kiezers ervan te overtuigen dat een radicalere groene partij niet meer nodig is. Sp.a’ers gingen mee in de retoriek dat er zoiets bestaat als ‘verstandig’ versus ‘emotioneel’ groen, of ‘praktisch’ versus ‘theoretisch’ groen. Op die manier probeerde sp.a het ecologisme als onafhankelijke stroming op te peuzelen. Hiermee werd wel het draagvlak voor een radicale ecologische politiek ondermijnd, maar geen enkele stem teruggehaald van rechts. De grote diversiteit ter rechterzijde maakt het ondertussen wel mogelijk het zeer verscheiden publiek van potentieel rechtse kiezers optimaal te bedienen. Ter linkerzijde denken velen nog steeds dat een eenheidsworst méér stemmen kan opleveren.

CONCLUSIE

Ondanks de vele ideologische congressen en beraden van de voorbije jaren, vertoont centrumlinks een gebrek aan ideologische weerbaarheid tegenover de alomtegenwoordigheid van de centrumrechtse mainstream. Centrumlinks heeft toegelaten dat het maatschappelijk debat rond diverse kwesties een zodanige wending heeft genomen, dat men zich kan afvragen of er nog wel een linkerzijde is. Groen! heeft weliswaar vaak geprobeerd om radicaler en origineler uit de hoek te komen, maar voelt zich geremd door de impact van de mainstream op de eigen basis en het gebrek aan ‘buitenparlementaire’ steun. Voor de centrumlinkse partijleidingen wordt het enorm belangrijk te investeren in de ideologische ‘vorming’ van mandatarissen, militanten, kiezers én journalisten, om hen weer kritischer te maken. Ook het middenveld moet op zijn verantwoordelijkheid worden gewezen. Deze aspecten zijn de laatste jaren verwaarloosd. Men dacht duurzaam te kunnen groeien door zomaar te verbreden en ideologisch te verwateren, maar op die manier werd een fundament onderuit gehaald. We kregen veel zielloze politici te zien, ideale schoonzonen en -dochters, die afgelikt en betweterig de door communicatiemensen ingelepelde mantra’s konden afdreunen. Vandaag heeft centrumlinks opnieuw authentieke en autonoom denkende boegbeelden nodig, die ongepolijst en raak de verontwaardiging omtrent onrecht en milieuafbraak vertolken, en zo eindelijk weer iets losmaken bij het publiek. Maar tegelijkertijd moeten ze de wijsheid en visie hebben om de common sense van de gewone mensen te begrijpen en alle terechte bekommernissen over zekerheid, normen en waarden, veiligheid en multiculturaliteit in een nieuw en strijdlustig links verhaal te integreren.

Dries Lesage
Docent Mondialisering en Global Governance aan de UGent en redactielid van Sampol

sp.a - Groen! - ideologie

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 9 (november), pagina 6 tot 15