Abonneer Log in

In de klei rijden of democratiseren?

Uitdagingen voor het nucleair afvalbeheer in België

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 8 (oktober), pagina 30 tot 38

Het beheer van radioactief afval1 in België heeft al een lange en turbulente geschiedenis achter de rug, die nauw verweven is met de lotgevallen van de kernindustrie in ons land. Toch duurde het tot halfweg de jaren 1980 voor het nucleaire afval als gevolg van de stopzetting van de zeedumping van laagradioactief afval als een politiek en maatschappelijk probleem geagendeerd werd.

De ‘Nationale Instelling voor het beheer van Radioactief Afval en verrijkte Splijtstoffen’ (NIRAS) deed enkele pogingen om een geschikte locatie te vinden voor de berging van het cat. A afval, maar trad op geen enkel moment in overleg met de betrokken gemeentes. Dit leidde tot een diepe crisis en een stimulans voor een nieuwe aanpak. De zoektocht naar een geschikte bergingsplaats werd voortaan beperkt tot de bestaande nucleaire zones en tot de gemeentes die zich vrijwillig kandidaat zouden stellen. Hiertoe ontwikkelde NIRAS samen met twee universitaire onderzoeksgroepen het model van een ‘partnerschap’. Een partnerschap bestaat uit drie verschillende partners (NIRAS, lokale politici en burgers die zichzelf of een vereniging vertegenwoordigen), die zich bereid verklaren discussies te voeren over de vraag of in hun gemeente een cat. A afvalberging kan worden gebouwd en indien ja, onder welke voorwaarden. Drie lokale partnerschappen werden in het leven geroepen in de periode tussen 1999 en 2000: het ‘Mols Overleg Nucleair Afval’ (MONA), de ‘STudie en Overleggroep Laagactief Afval’ (STOLA), en het overkoepelend partnerschap ‘Partenariat Local Fleurus-Farciennes’ (PaLoFF) in Fleurus-Farciennes (waar het ‘Institut National des Radio-Eléments’ - IRE - gevestigd is). Enkel in Mol en Dessel werd de bouw van een cat. A afvalberging onder bepaalde voorwaarden aanvaard.2 Op basis van een finaal advies van NIRAS besloot de toenmalige voogdijminister (Verwilghen) in juni 2006 om het afval in Dessel aan de oppervlakte te bergen. Het Desselse project wordt nu verder uitgewerkt door een projectteam van NIRAS, opgevolgd via de werkgroepen van STORA3 en MONA en aangestuurd via een overkoepelende stuurgroep die zowel vertegenwoordigers van STORA, MONA als NIRAS bevat (met de burgemeesters in een adviserende rol).
In vergelijking met het dossier van de berging van het cat. A afval, dat al in een vergevorderd stadium verkeert, bevindt het dossier van het cat. B en C afval zich nog in een onderzoeksfase.4 Zowel op het politieke, ethisch-maatschappelijke als het technische vlak bestaan echter nog belangrijke onenigheden en onzekerheden. Een breed politiek of maatschappelijk debat moet nog op gang komen. Een belangrijke nieuwe evolutie op dit gebied is de publicatie van de Europese richtlijn (2001/42/EC) op het gebied van Strategic Environmental Assessment (SEA), die NIRAS verplicht om een beheersplan voor alle vormen van radioactief afval op te stellen en de maatschappelijke consultatie op dat gebied te organiseren. Op dit moment werkt NIRAS aan de ontwikkeling van de participatiemechanismen die hen in staat moeten stellen aan de vereisten van de SEA richtlijn te voldoen.

Het mag dus duidelijk zijn dat het beheer van radioactief afval (niet enkel in België trouwens) een evolutie doormaakt naar meer openheid, inspraak van ‘gewone burgers’ en overleg tussen alle betrokken partijen - of kortweg, naar meer ‘democratisering’. Deze evolutie in een domein dat toch niet zo lang geleden eerder gold als een toonbeeld van technocratie is hoogst interessant en verdient zeker een kritische toetsing. Probleem daarbij is dat er misschien wel evenveel opvattingen bestaan over democratie (of wat democratie zou moeten zijn) als er mensen zijn die zich democraat noemen. Om het debat vooruit te helpen, zonder daarbij enige volledigheid te pretenderen, schuiven wij in deze bijdrage drie (onderling verweven) toetsstenen ter overweging naar voor:

  1. Legitimiteit duidt op de gedeelde verwachting dat de acties die ondernomen worden op basis van een democratisch akkoord in overeenstemming zijn met vooraf opgestelde normen of regels. Die normen of regels kunnen verschillen al naargelang het specifieke beleidsdomein, cultuur of land en kunnen van zeer uiteenlopende aard zijn - we denken bijvoorbeeld aan het respecteren van beslissingsprocedures, respect voor een spectrum aan uiteenlopende standpunten, of meer pragmatische zaken zoals de te verwachten efficiëntie of doeltreffendheid van de voorgestelde acties;

  2. Verantwoordelijkheid impliceert dat in een democratisch akkoord steeds de mogelijkheid moet worden voorzien om diegenen die het akkoord uitvoeren ‘ter verantwoording’ te roepen. Aangezien dergelijke akkoorden altijd bepaalde beloftes voor een (verre) toekomst inhouden (zeker in het geval van het beheer van radioactief afval) moeten mechanismen voorzien worden die het voor de toekomstige burgers mogelijk maken de gevolgen van het akkoord te toetsen aan normatieve verwachtingen en waar nodig bij te sturen;

  3. Toerekenbaarheid (accountability) impliceert de mogelijkheid om te verifiëren of een democratisch akkoord werkelijk gedragen wordt door normatieve verwachtingen, en bijvoorbeeld niet door puur strategische of instrumentele overwegingen. Nu is het voor de (retorisch begaafde) politicus of beleidsman/-vrouw doorgaans niet zo moeilijk een beslissing te kaderen ‘in het algemeen belang’, en omgekeerd kunnen bepaalde maatschappelijke actoren een ‘democratisch’ akkoord enkel honoreren voor zover dit gedurende een bepaalde periode in hun kraam past. Dit maakt het ondubbelzinnig verifiëren van toerekenbaarheid uitermate moeilijk. Toch zijn er enkele mechanismen denkbaar die weliswaar geen garanties bieden maar wel een perspectief op verbetering. We denken hierbij aan parlementaire debatten, regels over openbaarheid van bestuur, toetsing aan gelijkaardige ervaringen in het buitenland, enzovoort. Basisvoorwaarde voor toerekenbaarheid is dat er verschillende, en eventueel zelfs ‘competitieve’ of ‘tegenstrijdige’ verhalen/analyses (accounts) circuleren omtrent het democratisch gehalte van een akkoord.

Legitimiteit

Het partnerschapmodel zet sterk in op een maximale legitimiteit van het hele participatieproces. Na de instemming van Mol en Dessel om een partnerschap op te richten, werd een iteratief proces opgestart met de vraag wie zou moeten deelnemen in het partnerschap. In een eerste ronde werden enkele mensen gevraagd individuen en organisaties door te geven die mogelijks ook betrokken zouden moeten worden. Aan deze mensen werd dan opnieuw dezelfde vraag gesteld. Deze procedure (de zogenaamde ‘sneeuwbalmethode’) werd herhaald tot er geen nieuwe namen meer naar boven kwamen. Dit is een goede methode om een breed draagvlak binnen de gemeente te bekomen. De structuur van de partnerschappen - met een Raad van Bestuur, een Algemene Vergadering en vier werkgroepen - maakt dat in een kleine gemeente als Dessel (met een 8000-tal inwoners) een 60-tal mensen vier jaar lang intensief betrokken waren. Weinig inspraakmethodieken maken tegelijkertijd een zo breed representatief en tevens diepgaand debat mogelijk. Toch willen we ook enkele kanttekeningen plaatsen bij het proces.

De afbakening van het type afval is voor vele deelnemers lang onduidelijk gebleven. ‘Cat. A’ afval en ‘kortlevend laagradioactief afval’ zijn tijdens het participatieproces lang door elkaar gebruikt, terwijl uit de definitie van voetnoot 2 duidelijk blijkt dat cat. A ook het - gevaarlijker, en dus ook communicatief gevoeliger - middelactief kortlevend afval bevat. Als het cat. A afval bepaalde technische eigenschappen bezit, kan het volgens het Internationaal AtoomEnergie Agentschap (IAEA) aan de oppervlakte geborgen worden. Dan zijn er enkele bezorgde leken in een aantal Belgische dorpen die bediscussiëren of dit afval wel aan de oppervlakte kan worden geborgen, door middel van erg technische discussies. Ze komen - logischerwijs, lijkt ons - tot de conclusie dat dit technisch gezien kan. De volgende vraag dringt zich op: kunnen we van een dialoog met ‘gewone burgers’ wel verlangen dat die iets substantieels bijdraagt aan de wetenschappelijke of technische legitimiteit van de voorgestelde oplossingen? Of met andere woorden: ‘produceren’ de partnerschappen hier legitimiteit of ‘consumeren’ ze enkel de legitimiteit die elders werd geproduceerd (via een soort eenrichtingsverkeer dat bestaat uit het ‘opvoeden’ van de burgers in de geldende normen op gebied van radioactief afvalbeheer)?

Ook bij de socio-economische compensaties kunnen we enkele bedenkingen formuleren. Al van bij de oprichting van de partnerschappen werd immers door de universitaire onderzoeksteams met steun van NIRAS als principe vooropgesteld dat een bergingsproject niet uitsluitend een nationale doelstelling - het veilig beheer op lange termijn van cat. A afval - zou mogen dienen. Ook de gemeente heeft recht op een ‘toegevoegde waarde’ (added value). De verhullende retoriek van de added value in plaats van compensatie doet al vermoeden dat dit een heikel punt is. Het is ook opmerkelijk dat bijvoorbeeld STOLA in haar eindrapport tot de conclusie komt dat er een nulrisico is, maar dat er toch hoge bedragen aan compensatie gevraagd worden. Het eindverslag van de werkgroep ‘Lokale Ontwikkeling’ spreekt van een communicatiecentrum, een wetenschappelijk themapark, een digitaal interactief netwerk en een ‘Fonds voor een duurzaam Dessel’ waarin een ‘substantieel bedrag’ moet worden gestort (p. 30). Informeel wordt wel eens een totaal bedrag van ongeveer 70 miljoen euro vernoemd, maar het is nog onduidelijk of dit bedrag door Mol en Dessel gedeeld zal moeten worden, of mogelijk zelfs in een regionaal fonds gestort zal worden. Dergelijk ‘substantieel bedrag’ betekent voor een kleine gemeente erg veel. Het is dan ook niet onlogisch dat in het Zweedse participatieprogramma dit als een soort ‘omkopen’ gezien wordt. De enige compensatie die als ethisch aanvaard wordt - naast de te verwachten spin-offs zoals bijkomende werkgelegenheid - zijn vergoedingen nodig voor de deelname aan bijeenkomsten, zoals bijvoorbeeld babysits.

Een derde en fundamenteel legitimiteitsaspect van de partnerschapsmethodiek: het niveau waarop de discussies gevoerd worden. Het participatieproces van het cat. A afval werd van in het begin tot het gemeentelijke niveau beperkt. Dit is geen onlogische beslissing gezien het belang van gemeentelijke beslissingen in België. Toch enkele kanttekeningen.
In Mol en Dessel werden de bergingsdiscussies in afzonderlijke partnerschappen gevoerd. Het werd echter al snel duidelijk dat de locaties die elk van de buurgemeenten voorstelden pal naast elkaar zouden liggen. Omdat er inmiddels een soort ‘competitie’ tussen beide gemeentes ontstaan was, is het participatieproces over dezelfde locaties grotendeels gescheiden gelopen. Deze competitie leidde ook tot de vraag naar lokale compensaties. Nationale compensatie als een verlaging van de tarieven voor alle elektriciteitsgebruikers die in armoede leven, bleven zo buiten beschouwing.
De doorgedreven nadruk op de democratisering van het locatievraagstuk voor cat. A staat in schril contrast met het ontbreken van participatief beleid voor het nucleair afvalbeheer en de kernenergiewinning tout court. Hierdoor loopt het lokale participatieproces het gevaar als goedkeuring te dienen voor niet democratisch behandelde onderwerpen: het ontbreken van een oplossing voor het cat. A afval is een impliciet argument tegen kernenergiewinning. Dit is bijvoorbeeld de reden waarom Greenpeace als organisatie niet aan het lokale participatieproces heeft deelgenomen. Een participatieproces dat zich democratisch noemt, moet dat op alle niveaus zijn. Dit ‘democratische deficit’ op federaal niveau is op het einde van het proces pijnlijk duidelijk geworden. NIRAS heeft na de positieve eindrapporten van STOLA en MONA haar keuze voor het Desselse voorstel in een nota aan de minister gemotiveerd door te wijzen op de grotere maatschappelijke weerstand in Mol (waar enkele kritische milieugroeperingen actief zijn). Zo heeft NIRAS zich in wezen uitgesproken tegen een al te kritische civil society - naar de mening van vele politieke commentatoren toch de kern van elke democratie…

We kunnen dus concluderen dat het participatieproces belangrijke sterktes heeft met betrekking tot (representatieve) legitimiteit, maar dat de opties die genomen zijn over de niveaus waarop en hoe democratische discussies mogelijk zijn en de compensaties herbekeken moeten worden wanneer het proces over cat. B & C afval vorm krijgt.

Verantwoordelijkheid

Verantwoordelijkheid kan zowel op een informele als een formele (juridisch/institutionele) manier ingevuld worden.
Op het informele vlak is het duidelijk dat de partnerschappen, vooral via de activiteiten van de werkgroepen, een uitgelezen platform boden om het aspect verantwoordelijkheid in al zijn facetten te bespreken en vertrouwen tussen de partners op te bouwen. Zo liet de werkgroep ‘Milieu en Gezondheid’ van MONA een ‘nulonderzoek’ uitvoeren dat bestaande ziekten in kaart bracht om via opvolgingsonderzoeken de eventuele impact van de geplande berging te kunnen detecteren. De werkgroep ‘Veiligheid’ behandelde veiligheidsevaluaties, controle en monitoren van de berging, mogelijke gevolgen van een terroristische aanslag en de noodplanning nodig voor de berging van laagradioactief afval. Ze zochten ook een oplossing om toekomstige generaties op de hoogte te houden van de mogelijke gevaren van de installatie. Dat de lokale dialoog via de partnerschappen en (gewijzigde) werkgroepen in Mol en Dessel wordt verdergezet, garandeert dus een zekere dynamiek van verantwoording. Toch is er hier ook enige reden tot bezorgdheid: die dialoog lijkt zich nu vooral te concentreren op het uitwerken van de socio-economische compensaties (zie boven), waardoor de traditionele opsplitsing tussen ‘waarden’ (waarover de burgers mogen beslissen) en ‘feiten’ (waarover de experts mogen beslissen) zich lijkt te herbevestigen.

In het stukje over ‘legitimiteit’ werd reeds gewezen op de beperkingen van een strikt lokale afbakening van de dialoog. Ruimere facetten van verantwoord beheer van radioactief afval vragen om een structureel-institutionele aanpak. Hiervoor komen een hele resem ‘klassieke’ mechanismen in aanmerking. Zo zijn de toekomstige bergingsprojecten zowel op strategisch als op projectniveau onderworpen aan wetgeving i.v.m. milieueffectenrapportage (MER) (die zoals vermeld ook maatschappelijke consultatie oplegt), wordt de naleving van die wetgeving gecontroleerd door een in principe onafhankelijke regulator (FANC), kunnen politiek verantwoordelijken steeds op het matje geroepen worden door het parlement, enzovoort. De cruciale vraag is hier echter niet: ‘Leeft de nucleaire sector de (letter van de) wet na?’. Deze vraag kunnen we doorgaans met een gerust hart overlaten aan de expertise van juridische diensten. De echte vraag i.v.m. verantwoording is: ‘Garandeert die wetgeving een afdoende bescherming van de publieke belangen?’. Worden die publieke belangen ernstig genomen, of is het eerder zo dat de nucleaire sector weliswaar in principe aanvaardt verantwoording verschuldigd te zijn, maar dan enkel op zelfgekozen vragen en op een manier die hen het best uitkomt? Die verstrengeling van privé- en publieke belangen is nu net het pijnpunt in het verhaal van de kernindustrie in ons land, en vertaalt zich concreet in het afschermen van fundamentele economische en technische keuzes voor ‘buitenstaanders’. Een recent voorbeeld: in uitvoering van de Wet van 11 april 2003 diende NIRAS in 2007 voor de tweede keer een eensluidend advies te geven over een rapport van Synatom5 aan het opvolgingscomité voor de nucleaire provisies, en dit zowel voor het beheer van bestraalde splijtstof als over de ontmanteling van kerncentrales. Dit opvolgingsproces moet de overheid in staat stellen om via NIRAS de verantwoordelijkheid van privébedrijven over te nemen voor hun passiva op de lange termijn (zoals nucleair afval) en dit rekening houdend met de hoogst mogelijke kost. Daarenboven moet de werkingscontinuïteit van NIRAS kunnen worden verzekerd als de provisies door bepaalde opties voor lange tijd onderbroken worden. Paradoxaal genoeg zijn er verregaande vertrouwelijkheidseisen opgelegd om zulk een onderwerp van algemeen belang te beheersen. De procedure is bijgevolg verre van transparant en kreeg veel minder publieke aandacht dan de wet op de kernuitstap uit dezelfde periode (2003). Het betreft hier nochtans kostenramingen die in niet-geactualiseerde bedragen in totaal kunnen oplopen tot 12 miljard euro. Het dossier lekte echter uit in de pers waarbij de zeer betwistbare constructies achter sommige kostenschattingen aan het licht kwamen. Vast staat dat diverse maximum kostopties (zoals vereist) niet in acht werden genomen, zoals bijvoorbeeld de directe ontmanteling, reactor per reactor, volgens de planning van de kernuitstap.

Toerekenbaarheid

Het is een feit dat een ‘injectie met democratische waarden’ noodzakelijk was om het project van de berging van cat. A afval nieuw leven in te blazen. Uiteraard was er bij het uitgangspunt van de dialoog geen sprake van gelijkheid tussen de betrokkenen. Om het eindresultaat te begrijpen is het bijvoorbeeld van cruciaal belang dat het cat. A afval al in tijdelijke opslag aanwezig was op het grondgebied van de gemeente Dessel. De Desselaars beseften terdege dat dit afval niet vanzelf zou verdwijnen. Meer nog, als NIRAS geen andere oplossing zou vinden, zou het cat. A afval bij hen achterblijven onder ‘suboptimale’ omstandigheden waarvan de veiligheid volgens alle experts op lange termijn niet kan worden gegarandeerd. Daarom namen zij liever zelf het heft in handen en wensten na te gaan in hoeverre NIRAS hen kon overtuigen van de veiligheid en haalbaarheid van een definitieve berging in Dessel. Op basis van de informatie die STOLA gedurende vijf jaar bestudeerde, waren zij allen van mening dat een berging in hun gemeente, onder de door STOLA gestelde voorwaarden, mogelijk is. Het feit dat zij in ruime mate gehoord werden bij het uittekenen van het bergingsconcept en daarin naar hun aanvoelen bovendien een constructieve bijdrage hebben kunnen leveren, was voor hen cruciaal. Algemeen gezien kunnen we dus stellen dat de werking van STOLA een democratiserend karakter had en leidde tot een inhoudelijke consensus die als betrekkelijk duurzaam ervaren werd, en die bovendien nog in verder overleg bewaakt kan worden. Dit geldt wellicht in mindere mate voor MONA, waar er toch sprake is van een zekere vertrouwensbreuk met NIRAS (naar aanleiding van de nota aan de minister die aan de basis lag van de keuze voor Dessel) die zich langzaam moet herstellen.

Het is een open vraag of de gevolgen van deze ‘democratisering’ zich ook blijvend binnen NIRAS zullen manifesteren. NIRAS medewerkers die aan de partnerschappen deelnamen geven doorgaans te kennen dat ze een dialoog met burgers als onderdeel van hun werk hebben leren waarderen, en traden zelfs soms op als verdedigers van het standpunt van de partnerschappen binnen hun organisatie. Toch lijken enkele van de bovenvermelde voorbeelden (de keuze voor Dessel, het gebrek aan openheid in andere dossiers) ook aan te tonen dat de ‘democratische reflex’ nog niet echt tot de hoogste rangen van NIRAS is doorgedrongen. Sommige deelnemers aan de partnerschappen spraken dan ook van het ‘dubbele gezicht’ van NIRAS: één lokaal, één in Brussel. We kunnen ons met het oog op de toekomst van het nucleair afvalbeheer dan ook afvragen of het kritisch potentieel van democratische debatten wel ten volle werd benut. Burgers werden vier tot vijf jaar lang ondergedompeld in multidisciplinaire technische discussies over betonspanning, verval van isotopen en grondwaterstromen door de uitleg van NIRAS-experts en externen. Vanuit hun verschillende achtergronden en hun vaak onconventionele manier van denken legden ze de experts het vuur aan de schenen. Maar de Belgische nucleaire wereld is klein. ‘Externe’ experts zijn vaak ex-collega’s of directe collega’s in een decennia durend onderzoeksprogramma. Het gevaar is niet denkbeeldig dat NIRAS, ondanks de nieuwe democratische accenten vanuit de rol die het van de federale regering moet vervullen, én het proces (wegens weinig andere sturing) én de inhoud van de discussies (beslissen of iets veilig is of niet) bepaalt.

Daarom is er in Zweden een model dat twee niet-betrokken actoren in het maatschappelijk debat een belangrijke rol toekent. De eerste is een ‘hoeder’ (guardian) van de transparantie van het proces. Dit instituut of deze persoon kijkt toe of iedereen voldoende gehoord wordt. De hoeder helpt vragen en inzichten naar boven te laten komen. Tegelijkertijd moet deze hoeder zo weinig mogelijk betrokken zijn bij het resultaat van het proces en weerhoudt deze zich best van het geven van concrete antwoorden om niet te veel betrokkene te worden. Een tweede rol in het model is dat van stretcher. Deze moet ervoor zorgen dat alle mogelijkheden van de uitvoerder (in het Belgische geval NIRAS) gebruikt worden. De stretcher moet voldoende technische bagage hebben om de dagdagelijkse methodes en kennis in de gebruikte technieken en wetenschap in vraag te stellen.
Het ‘ons-kent-ons-syndroom’ van de Belgische nucleaire wereld is natuurlijk niet gemakkelijk te overstijgen. Een logisch voorstel voor een Belgische stretcher zou vanuit organisatorisch en statutair oogpunt het ‘StudieCentrum voor Kernenergie’ (SCK) zijn. Als kenniscentrum en instelling van algemeen nut met een missie de burgers te dienen, zou het goed geplaatst zijn. Het SCK is echter zelf een belangrijke afvalproducent en onderzoekscontractant in opdracht van NIRAS en heeft als dusdanig een niet te verwaarlozen belang bij de uitkomsten van de publieke discussie. Het SCK als stretcher kan ons dus niet tevreden stellen. In Zweden is geëxperimenteerd met het toekennen van de rol van stretcher aan een milieuorganisatie. Dit creëert een belangrijke bijdrage voor het kritisch potentieel. Om de slagkracht hiervan te verhogen zou dit op Europees niveau georganiseerd kunnen worden.
Een even moeilijke zoektocht gaat op voor de ‘hoeder’ (guardian). In het participatief proces heeft de Universiteit Antwerpen deze rol op enkele cruciale momenten met verve opgenomen. Maar dit gebeurde nog te weinig gestructureerd. In Vlaanderen bestaat het ‘Vlaams Instituut voor Wetenschappelijk en Technologisch Aspectenonderzoek’ (viWTA) dat al tijdens enkele participatieprocessen deze rol vervuld heeft. We bevelen daarom aan dat het federale niveau in België een soortgelijk instituut zou moeten oprichten of dat een bestaand instituut die taak op zich zou moeten nemen. Het FANC heeft ten tijde van de participatieprocessen hieromtrent interesse geuit.

Besluit

Sinds pakweg een tiental jaar vormt het radioactief afvalbeheer in België het toneel van een aantal interessante experimenten in participatieve besluitvorming. Gezien het belang van burgerparticipatie voor de duurzame ontwikkeling van hoogtechnologische maatschappijen zoals de onze lijkt de tijd ons rijp om lessen te trekken uit deze experimenten.
Voor wat betreft de lokale dynamiek van het cat. A afvalbeheer kunnen we globaal gezien spreken van een democratiserend effect. De aanpak van dit dossier via partnerschappen tussen NIRAS, lokale politici, middenveldorganisaties en gewone burgers heeft haar nut bewezen en staat mogelijk ook in de toekomst garant voor zowel een brede als diepgaande discussie. Uiteraard vertoont de strikt lokale afbakening van de aanpak via partnerschappen ook een aantal lacunes: het te sterk benadrukken van gemeentegrenzen die niet noodzakelijk samenvallen met de risicogrenzen, een onvoldoende aansluiting met het federale beslissingsniveau en de afwezigheid van de afvalproducenten en (vooral nationaal georganiseerde) milieugroeperingen in de lokale dialoog. Overigens moet er ook over gewaakt worden dat het kritische potentieel van de partnerschappen door de vooropgestelde compensaties niet te veel in het gedrang komt.
Een ‘open dialoog’ omtrent alle aspecten van radioactief afvalbeheer is nog verre van vanzelfsprekend. De mogelijke nieuwe oriëntaties in de nucleaire splijtstofcyclus en de opbouw van provisies voor de ontmanteling van kerninstallaties en het beheer van gebruikte splijtstoffen zijn nog geen onderwerp van een transparant publiek debat hoewel ze verregaande gevolgen kunnen hebben voor het overheidsbudget en de publieke perceptie. De langetermijnradiotoxiciteit van cat. B & C nucleair afval vormt in het licht van onvoldoende voorzieningen in het verleden een hypotheek op duurzaamheid van de nucleaire energietechnologie, waarvoor elk land voor zichzelf een oplossing zoekt, hoewel nu ook stemmen opgaan voor regionale oplossingen binnen Europa. Vooraleer de discussies over cat. B & C afval diepgaand gevoerd worden, moet er een brede en transparante discussie komen over mogelijke veranderingen van het proces. De aanbevelingen die we hierboven gemaakt hebben, kunnen naast vele andere opmerkingen en bedenkingen dienen als input tot deze discussie.
Tot slot nog dit: in het geval van de historische afvalerfenis van de nucleaire sector zijn vanuit democratisch standpunt ‘suboptimale’ oplossingen wellicht onvermijdbaar, gezien de noodzaak om werkbare oplossingen te vinden voor een probleem dat er nu eenmaal is. Dit argument kan echter niet meer ingeroepen worden indien de bouw van nieuwe kerneenheden opnieuw aan de orde komt…

Erik Laes6
Wetenschappelijk medewerker Studiecentrum voor Kernenergie (SCK•CEN) en UA
Gunter Bombaerts6
Filosoof

Bibliografie
- Bergmans A. (2005), Van ‘de burger als beleidssubject’ naar ‘de burger als partner’: de Belgische queeste naar een lange-termijnoplossing voor het beheer van het laagradioactief en kortlevend afval, doctoraatsthesis, Universiteit Antwerpen, Faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen, Antwerpen.
- Bombaerts G. en Laes E. (Eds.) (2007), Burgerparticipatie en energiebeleid voor een duurzame ontwikkeling, Academia Press, Gent.
- Laes E., Chayapathi L., Meskens G. en Eggermont G. (2007), Kernenergie (on)besproken, Acco, Leuven.
- MONA (2005), Een weg naar de aanvaardbaarheid van een berging van categorie A-afval in Mol?, geïntegreerd eindrapport, beschikbaar op www.monavzw.be .
- NIRAS (2001), Safety Assessment and Feasibility Interim Report 2 (SAFIR 2), Rapport NIROND 2001-05 E, NIRAS, Brussel.
- NIRAS (2005), Berging, op Belgisch grondgebied, van laag- en middelactief afval met korte levensduur. Rapport ter voorbereiding van de overhandiging door NIRAS aan de federale regering van de dossiers van de lokale partnerschappen, Rapport NIROND 2005-07-N, NIRAS, Brussel.
- STOLA (2004), Het Belgisch laagactief en kortlevend afval: Thuis in Dessel?, geïntegreerd eindrapport, beschikbaar op www.stora.org .

Noten
1/ De drie grote bronnen van radioactief afval zijn de productie van elektriciteit uit kernenergie; toepassingen van radioactiviteit in geneeskunde, landbouw en industrie; en de ontmanteling van stilgelegde nucleaire installaties. Voor het beheer op lange termijn (berging) heeft NIRAS drie categorieën geconditioneerd radioactief afval ontwikkeld:
· afval van categorie A (laag- of middelactief en kortlevend afval) - de concentratie en halveringstijd (d.i. de tijd waarop een radioactief element door radioactief verval de helft van zijn stralingsactiviteit verliest) van de radio-elementen in dit type afval zijn zodanig dat het in aanmerking komt om aan de oppervlakte (in bunkers) geborgen te worden. Deze categorie omvat laag- en middelactief afval met korte halveringstijd (30 jaar), naast zeer kleine hoeveelheden radio-elementen met langere halveringstijd. Bedoeling is dit afval te isoleren van mens en biosfeer voor een periode van 300 jaar, zodat het stralingsniveau tot de natuurlijke achtergrondwaarde kan vervallen;
· categorie B (laag- of middelactief en langlevend afval) - dit type afval omvat laag- en middelactief afval dat besmet is met alfastralers met lange halveringstijd in concentraties die te groot zijn om in categorie A ingedeeld te worden, maar geeft niettemin te weinig warmte af om deel uit te maken van categorie C. Het bevat ook wisselende hoeveelheden bèta- en gammastralers. Dit afval is bestemd voor berging in diepe geologische lagen;
· categorie C (hoogactief kort- of langlevend afval) - dit type afval groepeert al het geconditioneerd hoogactief afval, dat grote hoeveelheden bèta- en gammastralers bevat met korte halveringstijd alsook grote hoeveelheden alfastralers met lange halveringstijd. Door zijn hoge activiteit geeft het grootste deel van dit afval veel warmte af. Dit afval is eveneens bestemd voor berging in diepe geologische lagen.
2/ Deze voorwaarden zijn terug te vinden in de eindrapporten van beide partnerschappen, beschikbaar op http://www.stora.org (Dessel) en http://www.monavzw.be (Mol).
3/ De naamswijziging van STOLA naar STORA (STudie- en Overleggroep Radioactief Afval) werd doorgevoerd als reflectie van het gewijzigde mandaat van het partnerschap, dat nu de ruimere nucleaire problematiek in de gemeente Dessel opvolgt.
4/ Sinds het midden van de jaren 1970 wordt op het StudieCentrum voor Kernenergie (SCK) in Mol onderzoek verricht naar de berging van hoogradioactief afval in diepe kleilagen.
5/ Synatom staat in voor het beheer van de volledige splijtstofcyclus van de Belgische kerncentrales. Sinds 2003 beheert de onderneming de voorzieningen die zijn aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van de in de centrales bestraalde splijtstof.
6/ Beide auteurs schrijven dit artikel in eigen naam.

nucleair afvalbeheer

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 8 (oktober), pagina 30 tot 38