Abonneer Log in

Het interprofessionele overleg in vogelperspectief

A la carte maar geen haute cuisine

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 8 (oktober), pagina 14 tot 21

Door de politieke crisis van het afgelopen jaar bleef de grootste oefening in economische democratie, de sociale verkiezingen in de private sector, grotendeels in de schaduw. De weinig spectaculaire verschuivingen in stemresultaten en zetelaantallen zitten daar ongetwijfeld voor iets tussen. Niettemin luidden deze sociale verkiezingen de prélude in van een nieuwe ronde binnen het sociale overleg. In het najaar staan immers de tweejaarlijkse interprofessionele onderhandelingen opnieuw voor de deur. Met een inflatiepeil dat in 2008 het hoogste niveau bereikte in de voorbije twintig jaar en een gouverneur van de Nationale Bank die 2008 uitriep als het jaar van de waarheid voor de indexkoppeling, zal het systeem van loonindexatie (opnieuw) onder druk komen te staan. In deze bijdrage blikken we vooruit op de uitdagingen voor het komende interprofessionele overleg. We bestuderen niet alle problemen in detail maar proberen vanuit een helikopterperspectief stil te staan bij de dossiers die straks op de onderhandelingsplank liggen. Daarbij streven we niet naar volledigheid, maar willen we de meest heikele punten toelichten.

Sociale verkiezingen

Tussen 5 en 18 mei 2008 brachten meer dan anderhalf miljoen werknemers hun stem uit tijdens de sociale verkiezingen. Ze verkozen vertegenwoordigers voor de Ondernemingsraden (OR) en de Comités ter Preventie en Bescherming op het Werk (CPBW) in om en bij de 3300 (OR’s) tot 6500 (CPBW’s) bedrijven. Sociale verkiezingen kennen, in tegenstelling tot politieke verkiezingen, geen opkomstplicht. Toch schommelt de participatiegraad bij de arbeiders rond de 80% en bij de bedienden rond de 70%. Deze hoge participatiegraad wijst op het grote draagvlak van deze verkiezingen bij de werknemers. Opvallend is echter dat jonge werknemers steeds vaker lijken af te haken. De participatiegraad onder de jongeren voor de verkiezingen van de CPBW’s bijvoorbeeld daalde van 52% in 2004 naar 42% in 2008.1
De verkiezingen van 2008 brachten weinig grote verschuivingen in de machtsverhouding tussen de vakbondskoepels teweeg. Vooraf beoogde ABVV het verlies van 2004 opnieuw goed te maken, ACLVB hoopte voor het eerst in de geschiedenis de grens van 10% te doorbreken en ook het ACV ging op zoek naar een nieuwe overwinning. De voorlopige resultaten tonen aan dat het ABVV inderdaad de dalende tendens weet om te buigen. De socialistische vakbond boekt winst zowel in stemmen- als in zetelaantal. ACV blijft de grootste, voornamelijk omwille van de sterke positie in Vlaanderen en in het bijzonder in de social profit. ACLVB haalt de beoogde 10% nipt niet. Deze weinig verrassende stembusuitslag kan in het kader van de interprofessionele onderhandelingen positief worden geïnterpreteerd. Bij gebrek aan een echte verliezer zal extreme profileringsgedrag van de vakbonden tegenover elkaar wellicht achterwege blijven. Anderzijds zijn verschuivingen, hoe klein ook, bepalend voor het klimaat waarin de interprofessionele onderhandelingen zullen plaatsvinden. Het is niet uitgesloten dat het ABVV in de positieve resultaten de conclusie leest dat een hardere opstelling loont.

BHV van de sociale partners

Hoewel de voorbije editie van de vierjaarlijkse sociale verkiezingen een al bij al rustige campagne beleefde, dreigden ze aanvankelijk toch te verzeilen in een juridisch steekspel. Niettegenstaande de Europese Richtlijn 2002/14/EG die een aantal minimumvoorschriften vooropstelt inzake informatie aan en consultatie van werknemers in ondernemingen, was de organisatie van sociaal overleg in kleinere ondernemingen de aanleiding tot conflict tussen vakbeweging en werkgeversfederaties. De richtlijn, die er kwam in het zog van de bruuske sluiting van de Renault-vestiging in Vilvoorde, bepaalt immers dat tegen maart 2005 ‘naar keuze van de lidstaten’ alle ondernemingen met minstens 50 werknemers en alle vestigingen met minstens 20 werknemers economische en financiële informatie moet doorgeven aan een personeelsdelegatie. Economische bedrijfsdossiers behoren binnen de Belgische sociale wetgeving echter tot de bevoegdheid van de ondernemingsraad die in regel enkel in voege is in bedrijven met meer dan 100 werknemers. Vakbonden zagen in de richtlijn een verplichting tot oprichting van ondernemingsraden in bedrijven vanaf 50 werknemers en koppelden hieraan ook de invoering van overlegorganen in ondernemingen vanaf 20 werknemers. Werkgevers waren enkel bereid de bestaande CPBW’s ook de financieel-economische bevoegdheid te geven van ondernemingsraden. Dit verschil in interpretatie, waardoor de richtlijn niet werd omgezet in nationale regelgeving, had een veroordeling van België door het Europese Hof van Justitie in Luxemburg tot gevolg en zou tot boetes leiden indien een definitieve regeling uitbleef.
Uiteindelijk bereikten de sociale partners eind november 2007 een compromisakkoord dat voorzag in twee maatregelen. Vooreerst werd in de KMO’s met 50 tot 100 werknemers de bevoegdheid van de bestaande CPBW’s uitgebreid. Deze zouden voortaan niet enkel informatie bekomen over de kwaliteit van de arbeidsomstandigheden maar ook sociaaleconomische informatie. Daarnaast formuleerde de Groep van Tien, de informele vergadering van vertegenwoordigers van vakbonden en werkgevers, een aanbeveling naar alle bedrijfssectoren om tegen uiterlijk eind 2010 een formule van werknemersinformatie in te voeren in KMO’s met 20 tot 50 werknemers waar in het verleden geen akkoorden over een syndicale afvaardiging werden gemaakt. Voor sectoren waar in het verleden wel al dergelijke afspraken werden gemaakt, werd overeengekomen dat hun bevoegdheid zou uitbreiden naar sociaaleconomische materie.

Wie naar de standpunten van de verschillende sociale partners luistert in de aanloop naar het komende sectorale debat, moet zich wel afvragen of deze compromisregeling voldoende zal zijn om de rust op het sociale front te bewerkstellingen. De externe Europese druk baarde eerder een muis en het verhaal van vakbondsvertegenwoordiging in KMO’s is nog niet aan zijn eind. Het dossier lijkt wat in de stilte te verdwijnen, maar het is niet gesloten. Samen met deze discussie liggen echter nog talrijke andere hete hangijzers op de onderhandelingstafel. De aanloop naar de hoogste onderhandelingsronde van ons sociaaleconomisch model verliep, in vergelijking met twee jaar geleden, relatief rustig. De stekelige verklaringen werden deze keer niet vele maanden vooraf in de zomervakantie gelanceerd, al ontbraken ze ook dit jaar niet. Uiteraard doen de verschillende interviews van de protagonisten offensief aan en is de sfeer gespannen, maar op de achtergrond loert de grimmigheid. Het patronale getrek aan het indexmechanisme, de roep naar lastenverlagingen en de verklaring dat de vermindering van de loonhandicap, of alvast het onder controle houden van de loonkosten voorop staat, sporen niet met de syndicale eis naar forse loonsverhoging in deze inflatoire tijden.
Het ABVV wenste dat alvast duidelijk te maken met een nationale actiedag en stakingsacties in alle sectoren op 6 oktober. Nog voor de federale beleidsverklaring (inclusief begroting) in de Kamer komt, willen de drie grote vakbonden acties voeren op het terrein in alle sectoren en in alle regio’s van het land. Reden is ‘het immobilisme van de regering tegenover de koopkrachtproblemen en de voortdurende aanvallen van de werkgevers op de index’. De druppel die de ABVV-emmer deed overlopen was de koppeling door de werkgevers van de welvaartsvastheid van de sociale uitkeringen aan verdere lastenverlagingen voor de bedrijven. Het ABVV aanvaardt ook niet dat er geld is voor de notionele intrestaftrek en lastenverlagingen voor de bedrijven, maar niet voor een btw-verlaging op gas en elektricteit of voor het woon-werkverkeer en een sociaal belastingkrediet. Deze acties, in welke vorm ook, bemoeilijken het sociaal overleg fors. Of, zoals VBO-toponderhandelaar Pieter Timmermans het stelt: men kan niet én actie voeren én plaatsnemen aan de onderhandelingstafel. Het dreigt dus - met excuus voor het cliché - niet enkel communautair, maar ook sociaaleconomisch een hete herfst te worden.

Het interprofessionele menu

Ondanks de bewegingsvrijheid van de sociale partners wordt de agenda van het interprofessionele overleg bepaald door allerlei procedures en regels die de agenda invullen. Dat leidt tot een behoorlijk complexe setting van de onderhandelingen. Er liggen veel dossiers op de plank, en ze zijn in de huidige omstandigheden allemaal vrij gevoelig.

Welvaartsvastheid en inflatie

Sinds 2006 wordt in het kader van het Generatiepact door middel van een structureel mechanisme de sociale uitkeringen gebonden aan de welvaartsevolutie. Het tweeledige mechanisme definieert enerzijds een methode om ‘de enveloppe’, beschikbaar voor welvaartsaanpassingen van de sociale uitkeringen, te berekenen en anderzijds voorziet deze in een overlegprocedure tussen de sociale partners, waarbij concreet invulling wordt gegeven aan de welvaartsaanpassingen binnen die budgettaire enveloppe. Eind september verwacht de regering een advies van de sociale partners met betrekking tot de herwaardering van de sociale uitkeringen voor de periode 2009-2010. Concreet gaat het over hogere pensioenen voor hoogbejaarden, hogere uitkeringen voor gehandicapten, enz. Gevoed door het hoge inflatiepeil van de afgelopen maanden en berichten over de (niet) beschikbare budgettaire ruimte, zet het eerste pakket reeds de bakens uit voor de sfeer waarin het verdere sociale overleg verloopt. Vanuit vakbondszijde werd al gewezen op het belang van de welvaartsvastheid van de sociale uitkeringen. Het ontbreken van een ‘sociale vette vis’ door een te strakke houding van werkgeverszijde of een aanhoudende vraag naar lastenverlagingen ter compensatie, zou, aldus de vakbondsleiders, het bereiken van een loonakkoord voor 2009-2010 bemoeilijken.

Loonvorming

De onderhandelingen voor dat loonakkoord worden gevoerd in navolging van het technische verslag van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) dat jaarlijks in november verschijnt. Deze behandelt de maximale beschikbare marges voor de loonkostenontwikkeling in België. Die ‘loonnorm’ werd voorzien door de Wet op het Concurrentievermogen (1996) en houdt rekening met de verwachte evolutie van de lonen in de drie buurlanden en tevens belangrijkste handelspartners: Duitsland, Frankrijk en Nederland. De interprofessionele onderhandelingen rond de loon-evolutie wacht met andere woorden steeds de moeilijke taak het subtiele evenwicht te vinden tussen het behoud van de Belgische internationale concurrentiepositie enerzijds en het behoud van de Belgische nationale koopkracht anderzijds. Net die laatste zet reeds maanden de toon in alle debatten. Met een inflatiepeil dat zijn hoogste punt sinds twintig jaar bereikte, is ‘koopkracht’ verworden tot het buzzword onder sociale partners en politieke actoren. Vakbonden waren de afgelopen maanden nadrukkelijk in het straatbeeld aanwezig om het belang hiervan nogmaals te onderstrepen. Er moeten en zullen extra maatregelen komen die het behoud of de verbetering van de koopkracht garanderen. Die koopkracht dook zelfs op in het communautaire circus, toen verklaringen werden gelanceerd dat die staatshervorming nodig was om ‘bijkomende sociale maatregelen tot bevordering van de koopkracht’ te kunnen nemen.

Het behoud en de verbetering van de koopkracht blijft onmiskenbaar een cruciaal onderdeel van de tweejaarlijkse onderhandelingen tussen de sociale partners op het interprofessionele niveau. De koppeling van de lonen aan de gezondheidsindex wordt in vele syndicale kringen als een te beperkte compensatie en herverdeling gezien. Bovendien ligt het Belgische loonindexeringsmechanisme onder vuur. Volgens sommigen is dat een schijnmanoeuvre: werkgevers stellen het in vraag, wetende dat het overeind zal blijven, en als dat dan ook zo is kan het behoud van ‘den index’ als een toegeving aan de vakbonden worden gezien, waar dan iets moet tegenover staan, zoals geen reële loonsstijgingen. Volgens anderen lanceren de werkgevers een aanval op de index met de bedoeling het mechanisme nog verder uit te hollen. In elk geval, de prikken zijn niet pijnloos.
De houdbaarheidsdatum van het indexmechanisme werd meermaals in vraag gesteld; voornamelijk vanuit Europese hoek. Begin april sprak Guy Quaden, Gouverneur van de Nationale Bank nog over ‘het jaar van de waarheid voor de Belgische index’ naar aanleiding van een uithaal van Jean-Claude Trichet, voorzitter van de Europese Centrale Bank (ECB), die in de semi-automatische koppeling van de Belgische lonen aan de consumptieprijzen een bijzondere risicofactor tot herhaling van de inflatiespiraal uit de jaren 1970 zag. Een uitspraak die niet werd gesmaakt bij de bonden, die prompt stelden dat er onder geen enkel beding aan de index geraakt kan worden en dergelijke uitlatingen als ‘contraproductief’ voor het sociaal overleg bestempelden.
Guy Quaden liet opnieuw van zich spreken door op het einde van een persconferentie, die de Nationale Bank organiseerde naar aanleiding van hun voorjaarsprojecties, ‘in eigen naam’ de loonindexering alweer in vraag te stellen. Het geopperde voorstel was echter genuanceerder dan enkele weken eerder. Quaden blijft voorstander van het systeem van automatische aanpassing van de lonen aan de evolutie van de index, maar stelt de vraag of hoge lonen op dezelfde manier geïndexeerd moeten worden als lage. Quaden opent hiermee de piste tot een interessante denkoefening.
De groep die het hardst wordt getroffen door de aanhoudende inflatie - de lagere lonen - behouden hun koopkracht, terwijl de hogere inkomens een loonmatiging tegemoet gaan om zodoende de loonkostenhandicap en het risico op een inflatiespiraal te verminderen. Die beperktere indexering van hoge lonen bespaart de bedrijven veel geld. De praktische haalbaarheid van deze denkoefening valt te betwijfelen. Een differentiatie in de mate van indexering van de lonen vraagt om duidelijke classificatie van de lonen waarbij de grenzen nauwkeurig kunnen worden vastgesteld. Ondanks de tweejaarlijkse indicatieve loonnorm op het interprofessionele niveau, blijft een groot deel van het loonoverleg op het sectorale niveau en zelfs in diverse sectoren op ondernemingsniveau. Daarenboven verandert in dergelijk scenario eveneens de filosofie rond het loonindexeringsmechanisme waarbij een maatregel tot koopkrachtbehoud verwordt tot een maatregel van sociale herverdeling. Ook vakbonden zijn gevoelig voor het beperken van voordelen tot specifieke (onder)groepen: de steun van de middenklasse is nodig - via het toekennen van voordelen - om die herverdelingssystemen legitiem te houden of te maken.

Hoewel de klemtoon binnen de afgesloten interprofessionele akkoorden steevast op loonvorming - de verhoging van koopkracht versus lastenverlagingen - ligt, komen ook de thema’s werkgelegenheid en opleiding aan bod. De afgelopen edities illustreerden de traditie dat de federale regering met geld over de brug komt om het overleg te ‘smeren’, en zodoende tot consensus te komen. De nasleep van bijna anderhalf jaar politieke impasse, een verminderde economische groei en een verhoogde inflatie laat zich echter ook hier voelen. De budgettaire prognoses zijn negatief, de groeiverwachtingen ook, en er staan veel vergrijzingskosten op de boordtabellen. De mogelijke federale budgettaire smeerolie zal dus verdund toegediend moeten worden. Opvallend, zeker gelet op de discussie over de ‘confederale’ ombouw van België, was het aanbod vanuit de Vlaamse regering. Patricia Ceysens (Open Vld) liet weten dat ook de gewesten konden tussenkomen. Het signaal leek wel: als België het niet meer kan, staat Vlaanderen klaar. Wie betaalt, bepaalt (mede): als Vlaanderen zou tussenkomen om het sociaal overleg te smeren, is dat een duw in de rug voor de regionalisering van het overlegmodel. In het verleden werd al meermaals, in binnen- en buitenland, bij wetenschappers en politici, gewezen op de nood aan regionale loonvorming. Maar sinds Ceysens dat ballontje opliet bleef het verder stil over deze Vlaamse inbreng.

In de marge van de discussie rond de evolutie van de loonnorm en het indexmechanisme ligt de suggestie van ‘all-in akkoorden’, waarbij de afgesproken reële loonstijging opgeconsumeerd kan worden door een hoger dan verwachte inflatie. Deze all-in akkoorden stuiten echter op verzet aan vakbondszijde, uit schrik voor een te groot verlies aan koopkracht of een te geringe reële loonstijging, en zetten op die manier in de toekomst de poort open tot nieuwe syndicale acties.

Het Herenakkoord revisited

In het KMO-akkoord namen vakbonden en werkgevers zich voor om, naast de organisatie van sociaal overleg in kleinere ondernemingen, tegen 2010 nieuwe afspraken te maken over de omgang met spontane syndicale acties. In 2002 sloten de sociale partners het ‘Herenakkoord’ dat drie grote onderdelen telde: een tijdschema voor het realiseren van een eenheidsstatuut voor arbeiders en bedienden, er zou een vereenvoudiging komen van de banenplannen en, ten derde, er werden afspraken gemaakt over spontane stakingsacties om de ontsporing van sociale conflicten te beperken. Met betrekking tot dit laatste onderdeel namen werkgeversorganisaties zich voor om hun leden op te roepen niet naar de rechtbank te stappen om via een procedure bij eenzijdig verzoekschrift stakingen te breken. Vakbonden zouden van hun kant wilde stakingen trachten te vermijden.

Morele garanties zijn niet duurzaam. Bovendien werd langs syndicale en patronale zijde het Herenakkoord, onder meer met betrekking tot vliegende stakersposten, verschillend geïnterpreteerd. De algemene raad van het ACV verwierp het akkoord en ook voor de werkgeversorganisaties was het hierdoor tot een quasi onherstelbare breuk gekomen. Een ‘interpretatieve tekst’ werd als bijlage aan het akkoord toegevoegd om de plooien tussen de sociale partners glad te strijken. Met het Herenakkoord vermeden de sociale partners een aantasting van hun autonomie door parlementaire initiatieven. Een nieuwe stakingswet van de toenmalige federale Minister van Arbeid, Laurette Onkelinx, lag ter tafel. Daarin werd voorgesteld om in geval van sociale conflicten een verplichte tussenkomst van sociale bemiddelaars in te voeren en in plaats van de burgerlijke rechtbanken, de arbeidsrechtbanken bevoegd te maken voor deze geschillen. De vrees voor te strakke procedures en verlies van het initiatief in geval van een sociaal conflict, zette de sociale partners aan tot het Herenakkoord. Die externe druk volstond niet om tot een eensgezinde en sluitende interpretatie van de onderlinge afspraak te komen. De ‘syndicale bewegingsvrijheid’, die langs vakbondszijde vaak afgemeten en gepercipieerd wordt als de vrijheid tot syndicale actie, bleef een heikel punt. Enkele ‘gijzelingen’ van directiepersoneel tijdens sociale acties, spontane stakingen en oproepen tot algemene stakingen, voedden vooral langs werkgeverszijde de vraag tot een herziening en actualisering van het Herenakkoord uit 2002. Ook deze gevoelige materie kan op tafel komen.
Dat wordt een lastig gesprek. Het verleden toonde aan dat de moeilijkheden zich niet enkel tussen de sociale partners bevinden, maar ook intern zijn de kampen verdeeld. In aanloop naar de nieuwe ronde binnen het sociaal overleg wordt deze discussie ook geanimeerd door het debat over de minimale dienstverlening. Van werkgeverszijde kwam eerder de vraag voor een basisdienst bij stakingen door overheidsdiensten. Syndicale acties bij het veiligheidspersoneel op de luchthaven en een reeks onaangekondigde acties bij het spoorwegpersoneel, zetten deze vraag kracht bij. In het regeerakkoord van de regering-Leterme werden hier reeds afspraken over gemaakt. De regering zou voor het einde van de zomer een afsprakenkader opzetten met de vakbonden van het overheidspersoneel met betrekking tot de continuïteit van de dienstenverlening. Met enkel de liberalen als katalysator en daartegenover de PS en CD&V die beducht zijn voor elke mogelijke vorm van inperking van het stakingsrecht uit vrees voor hun vakbondsachterban, werd deze vooropgestelde deadline niet gehaald.

Ook het tweede luik uit het oorspronkelijke Herenakkoord, namelijk het eenheidstatuut voor arbeiders en bedienden, ligt terug ter tafel. Het onderscheid tussen arbeiders en bedienden is in België historisch gegroeid en is reeds decennialang het onderwerp van discussie. Eind de jaren 1970 werd bij wet een poging tot coördinatie van beide statuten ondernomen. Deze kwam echter niet tegemoet aan de eis van een gelijke behandeling van werklieden en bedienden. Vooral de gedifferentieerde regeling met betrekking tot de opzeggingstermijnen stond een fusie der statuten in de weg. Na een oproep van 100 academici en bedrijfsleiders om hieraan paal en perk te stellen, werd de regering in 2000 in een aanbeveling verzocht om onverwijld een eenheidsstatuut in te voeren. Ondanks verscheidene pogingen, onder meer ook in het Herenakkoord van 2002, bleef een definitieve oplossing uit.
Een uitspraak van het Antwerpse Arbeidshof in augustus 2008 stak de lont opnieuw in het kruitvat. Deze beslechtte een conflict tussen Alcatel en een voormalige werknemer. Aanleiding tot het conflict was het toegewezen arbeidersstatuut van een voormalige werknemer, terwijl die oordeelde dat hij door zijn specifieke jobinvulling een bediendestatuut had moeten hebben. Het arrest A.R. 2070347 - Rep. 54302, ondertussen beter bekend als het ‘Arrest Meert’, legde opnieuw de krijtlijnen vast in het onderscheid tussen arbeiders en bedienden. Indien denkwerk het kernpunt van de job is, is het een bediendebaan. Er zijn echter heel veel jobs die, hoewel officieel vanuit een arbeidersstatuut uitgeoefend, veel denkwerk vereisen. Volgens sommigen betekende dit arrest dat, als velen erom vroegen, ze van arbeiders naar bedienden zouden verhuizen.
Weinig arbeiders dwingen het bediendestatuut via een rechtbank af. Onder meer omdat arbeidersvakbonden niet graag een aantasting van hun machtspositie ondervinden door een verlies van leden aan de bediendebonden en bijgevolg eigen leden hiertoe niet stimuleren. Werkgevers van hun zijde herhalen dat een eenheidsstatuut geen gemiddelde naar boven kan zijn: het mag niet betekenen dat het beste van alle werelden in dat eenheidsstatuut wordt opgenomen. Daarenboven heeft een eenheidsstatuut ook vergaande institutionele implicaties. Het overleg op sectoraal niveau verloopt via onderscheiden paritaire comités voor zowel arbeiders evenals voor bedienden. Een eenheidsstatuut brengt met andere woorden een grondige hervorming van de sectorale overlegorganen met zich mee. Ook bij de vakorganisaties kan dat tot grote veranderingen leiden: de scheiding tussen de arbeiders- en bediendecentrales is dan helemaal zinloos.

Besluit

De uitdagingen voor de tweejaarlijkse interprofessionele onderhandelingen zijn zoals steeds zeer omvangrijk. Niets nieuws onder de zon? Toch wel: het overleg stoot op grote politieke en institutionele barrières, ook in de eigen wereld. Het gaat om meer dan de loonnorm, investeringen in opleiding en flexibilisering. Die zijn en blijven belangrijk. De budgettaire en sociaaleconomische situatie is daar zeer ongunstig voor een vlotte consensus. Het gaat ook om fundamentele dossiers, die al decennia de sociale partners en politieke wereld verdelen. De grote politieke instabiliteit bemoeilijkt ook hier een grote vooruitgang.
Het welslagen van de onderhandelingen is cruciaal, niet enkel voor de sociaaleconomische stabiliteit en welvaart, en zelfs voor het politiek overleven van Leterme I. Indien België een zeer roerig sociaal najaar zou wachten, is het niet denkbeeldig dat de sociaaleconomische links-rechts breuklijn in de regering voor minstens evenveel problemen zorgt als de communautaire scheidingslijn. Maar het welslagen is nog om een andere reden van tel.
Eens de onderhandelingen op het interprofessionele niveau zijn afgerond, is het de beurt aan de sectoren en tot slot aan de ondernemingen. Als het centraal overleg mislukt, zal het ook daar minder vlot verlopen. Dát probleem - als men het kenmerk in die termen wil omschrijven - ligt nu niet op tafel, er zijn immers al genoeg andere. Maar laat eerder dan vroeg zal men ook moeten nadenken over het Belgische drietrapssysteem. Volgens een (relatief oude) studie van Calmfors en Driffil uit 1988 is dit de minst gunstige optie. Loonvormingsystemen waarbij de sectoronderhandelingen zo zwaar doorwegen, houden doorgaans te weinig rekening met de gevolgen van loonstijgingen voor de competitiviteitspositie van het land in zijn geheel. Hun conclusie luidt dat extremes work best: zowel landen met sterk gecentraliseerde als sterk gedecentraliseerde overlegstructuren presteren macro-economisch beter dan landen met een intermediair systeem, waar de sectoren het zwaarst doorwegen. Maar andere auteurs stellen dan weer dat men bij dergelijke benaderingen voorbij gaat aan de complexiteit van het onderhandelingsproces. Het is verkeerd de verschillende sociale onderhandelaars als één homogene en coherente groep actoren te beschouwen. Zij wijzen ook op de intersectorale heterogeniteit in termen van productiviteit. Wat er ook van weze, de hechtingen van de drietrapsraket zullen niet eindeloos stand houden. Maar die ruwbouw staat nu niet ter discussie.

Over die ruwbouw is wel geweten dat die al jaren gestut wordt door de politieke bijdrage tot het sociaal overleg. De voorbije weken werd vanuit politieke, patronale en zelfs syndicale hoek gewezen op het belang van fiscale maatregelen als instrument voor koopkrachtbescherming. Deze inbreng werd in het verleden vanuit syndicale hoek vaak als onvoldoende bevonden, omdat ze als ‘vrijblijvende cadeaus’ voor de werkgevers geen evenwicht brachten in het spel van geven en nemen tussen werkgevers en werknemers. De vraag is hoe de syndicale partners nu met dit aanbod zullen omgaan en hoeveel het van de looneisen zal goedmaken.
Het relatief rustige verloop van de sociale verkiezingen was mogelijks een valse voorbode voor de nieuwe ronde binnen het sociaal overleg. Beladen met enkele slepende, fundamentele dossiers naast de traditionele geldzaken, de impact van een hoog inflatiepeil en sputterende economie en de communautaire schaduw, maken van deze interprofessionele onderhandelingen wellicht een heel moeilijke oefening. De 40ste verjaardag van de CAO-wet en de Paritaire Comités (1968-2008) verdient beter dan een sociaal kwakkeloverleg. Maar de omstandigheden zijn ongunstig.

Manu Mus, Carl Devos en Tine Boucké
Ghent Institute of Political Sciences, UGent

Bibliografie
- Calmfors L., Driffil J., Bargaining structure, corporatism and macroeconomic performance. In: Economic Policy, 6, pp. 12-61

Noot
1/ Voorlopige resultaten op 15 augustus 2008. Fod WASO.

interprofessioneel overleg - loonvorming - sociale verkiezingen

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 8 (oktober), pagina 14 tot 21