Abonneer Log in

Congo als morele kwestie

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 8 (oktober), pagina 43 tot 51

Wat zijt gij klein België met al uw velden en vlakke wegen,

met uw rampzalige aardappelvelden.

(naar Adama van Scheltema)

België heeft de morele plicht er op toe te zien dat Congo behoorlijk bestuurd en de ontwikkelingsgelden efficiënt besteed worden. Aldus Karel De Gucht die voor de zomer zijn twijfels ventileerde of dit wel het geval was. De gevolgen van deze uitspraak zijn ondertussen bekend: de verhoudingen daalden prompt tot beneden het vriespunt. ‘Noko’ werd verzocht zich niet onbeleefd uit te laten nu er een andere en rijkere suikernonkel (China) gevonden is en aan De Gucht werd gevraagd zélf op te stappen. In het verleden heeft de combinatie moreel standpunt-Congo zeer diverse invullingen gekend, die dit gemeen hadden: ze waren zó doorprikbaar.

Onze (?) Congo

De relatie tussen België en Centraal-Afrika is er altijd één geweest die met haken en ogen aan elkaar hing. Het begon met Leopold II die uit redenen van prestige en geldgewin de vrijstaat aan zijn persoonlijke bezittingen toevoegde. De burgerij stond afwijzend tegenover dit project waarvan men vreesde dat het onrendabel zou zijn, maar had buiten de exploitatiemethodes van de Coburgs gerekend. De politieke top was evenmin enthousiast. Tekenend is de reactie van Frère-Orban: ‘… kunt u Zijne Majesteit overtuigen van mijn oprechte sympathie voor het edelmoedig plan… zolang de Congo ons geen internationale moeilijkheden bezorgt’. Gul als hij was schonk Leopold veel schoons aan ons land, onder meer het standbeeld in Oostende, waar Congolezen spontaan de Brabançonne aanheffen nu ze bevrijd waren van onwetendheid en Arabieren. De bronzen verbeelding van la mission civilatrice. Enerzijds waren er de internationale campagnes tegen Leopolds roofbouwmethodes die men in 1941 in de Koloniale Hogeschool nog steeds omschreef als ‘aanvallen uit den vreemde waaraan afgunst voor de Kolonie niet vreemd bleek’. Anderzijds hadden prospectoren in Katanga en Kasai het ‘geologische schandaal’ blootgelegd. In 1906 werden door de Société Générale drie grote koloniale maatschappijen opgericht, maar het was zaak om een overdracht een nobeler tint te geven. Economische motieven en humanitaire gevelversiering gingen samen in de Belgische motivatie om het lot van Congo in handen te nemen. Op 18 oktober 1908 werd de ‘Koloniale Keure’ gestemd die van de Vrijstaat een Belgische kolonie maakte. Een deel van de liberalen stemde tegen, wegens aversie tegen avonturisme. De BWP verzette zich eveneens, al oogde de grond van de motivering pragmatischer dan men van de IIe Internationale zou verwachten. Gevreesd werd dat het bestede geld ten nadele zou gaan van tegemoetkomingen aan Belgische arbeiders. Emile Vandervelde was vóór, indien die kolonisering een morele pijler had: opvoeden tot zelfstandigheid.

Dra zouden een aantal particulariteiten van de Belgische koloniale politiek vorm krijgen. Om te beginnen was de erfenis erg groot voor een land als België. Hoewel we ons tooiden met de eretitel van ‘koloniale macht’, hadden we dit statuut verworven via Koninklijke slimmigheid en een gedoogbeleid der grootmachten. Dit zou blijken op de vredesconferentie van Versailles waar België compensaties vroeg voor krijgsbijdragen op Afrikaanse bodem. We hadden Tanganyika op ons verlanglijstje gezet, maar moesten vrede nemen met Ruanda en Urundi. Telkens wanneer we internationaal onheus behandeld werden, hieven we de klaagzang der kleine landen aan om te bewijzen hoe oneerlijk we bejegend werden. Dat we niet aan power politics kónden doen, was overduidelijk tijdens WOII toen de Verenigde Staten ons de arm omwrongen. De Belgische regering in ballingschap was verplicht een aantal contracten rond de levering van uranium te ondertekenen, ondanks protesten dat de nationale soevereiniteit en waardigheid geschaad werden.
Het Calimero-syndroom werd versterkt door de particularisme-reflex: niemand kon ons begrijpen want wij waren uitzonderlijk. Was de dekolonisering onafwendbaar: niet in Congo. In andere kolonies was er verzet wegens uitbuiting, maar in onze overzeese gebieden hielden de zwarten écht van ons, een liefde die overigens door de maag ging. Immers: ventre plein, nègre content. Het dieptepunt was de stelling, vertolkt in een brochure door het Belgisch overheidsinformatiecentrum in New York: The sacred mission of civilization. The Belgian thesis. Gesteld werd dat Aboriginals en ‘niet zelfbesturende gebieden’ identisch waren, en dat Congo een interne aangelegenheid was. Dat ‘men’ ons in deze niet wou volgen, lag volgens de Belgische autoriteiten aan een imagoprobleem: gebrek aan respect voor een klein land, en geen inzicht in de specifieke situatie. Nochtans hádden we een welbespraakte voorlichtingsambtenaar: Jan-Albert Goris.

Een tweede kenmerk van de constructie was dat de koloniale geestdrift vóór 1960 amper wortel schoot in de samenleving en zelfs niet in de politieke wereld. In Groot-Brittannië en Frankrijk leefde een populair imperialisme bij lagen van de bevolking die er amper bij betrokken waren maar zich warmden aan het idee van la grandeur de la France of Brittannia rules the waves. Zoniet in België waar patriottisme op een laag pitje stond en de bevolking verre gehouden werd van de ganse operatie. Migreren zonder werkzekerheid werd niet toegestaan omwille van de vrees voor arme blanken en toerisme werd pas aangemoedigd na WOII om SABENA te steunen. Diegenen die er werkten, zagen de Afrikaanse gebieden niet als vaderlandse grond. In tegenstelling tot de Nederlanders in Indonesië keerden de meesten na hun contract terug naar de moederschoot. Omgekeerd werden de Congolezen slechts uitzonderlijk in ons land toegelaten en werd hun bewegingsvrijheid er aan banden gelegd. Het is pas na de dekolonisering dat de civiele samenleving via de ngo’s ging wegen op het Congo-dossier (de missies waren uiteraard al veel langer bezig). Met uitzondering van momenten van crisis, rampen of 11.11.11.-acties, ligt de bevolking evenwel nog steeds niet wakker van de problematiek in onze Congo.

In gesloten orde

De beslissingen inzake onze bezittingen werden getroffen binnen de Heilige Drievuldigheid van koloniale administratie, Société Générale en de missies (met de discrete invloed van het Hof). Binnen de politieke partijen, in het parlement en in de regering in haar geheel was de ganse problematiek niet prominent aanwezig. Het idee dat een Congolees lid zou worden van de BWP of van de liberale vakbond was vóór WOII ondenkbaar en wie zou suggereren dat ze eigen partijen konden oprichten, was door tropenkoorts bevangen (binnen het Engelse indirect rule-systeem waren er lokale partijen, in het Franse administration directe zetelden er bijvoorbeeld verkozen zwarten van de PCF in het Parijse Parlement). De kleine kring, la grande muette wou noch van transparantie laat staan van inspraak weten, zelfs niet van de eigen verkozenen. Die drongen daar trouwens niet fel op aan. Dat paternalisme was de concrete vertaling van ons moreel kolonialisme na WOII, en deze neerbuigendheid gold ook tegenover Belgische inboorlingen.

Dominer pour servir was het motto van de Gouverneur-Generaal Ryckmans. Toen hij in 1946 moest opstappen, onderstreepte hij nogmaals zijn visie op ontwikkelingskolonialisme. De zwarten moeten worden opgeleid om actief deel te nemen aan het economisch gebeuren. Dit, aldus Ryckmans, is onze morele plicht die voortspruit uit het handvest dat we in San Francisco ondertekenden. Het gebrek aan eigen kapitaal en een inlandse elite maakten dat ‘investeren nog steeds overweldigen’ wordt. R. Godding, de toenmalige Minister van Koloniën, repliceerde hierop dat onze voorvaderen tweeduizend jaar nodig gehad hadden om te ontwikkelen. Generaal Moulaert, één van de sterkhouders van het Institut Colonial Belge en hoofd van de goudmijnen Kilo Moto verwoordde het ongezouten: ‘de inlanders leren lezen en schrijven is even erg als kinderen alcohol te drinken geven’. Let wel, de ‘progressieve’ Ryckmans had het niet over onafhankelijkheid, maar over de morele update van de white man’s burden. Deze meningsverschillen werden in beloken cenakels uitgevochten tussen heren van stand, verenigd voor vorst, vaderland en de centen. De eerste keer dat de Belgische politieke wereld een open conflict uitvocht onder de tropenzon was in de vroege jaren 1950. De CVP-ministers Wigny en Dequa hadden obligaat alle pogingen op staatsonderwijs afgewezen. Onder de liberaal-socialistische regering brak Minister van Koloniën Buisseret het christelijk onderwijsmonopolie, hetgeen gepaard ging met wederzijdse scheldpartijen, wat de zwarte elite niet ontging. De andere nationale breuklijn, die rond de taal, was onderhuids aanwezig - Congolezen beledigden elkaar met sale Flamand - maar onder controle. Het adagium Flamand et Wallon est nôtre prénom, Belge est nôtre nom werd er hoog gehouden en logischerwijze was het Frans de bestuurstaal.

Van Dipenda naar bevrijding

Ondanks onze ‘unieke terreinkennis’ werden we door de dekolonisering weggespoeld. We waren er in geslaagd op de economische rondetafelconferentie de financiële aspecten in ons voordeel te regelen, maar om de politieke slag te winnen moest, volgens Jef Van Bilsen, ‘… de regering de verkiezingen in Kongo winnen’. Bedoeld wordt de Belgische regering. Hier liep het grondig fout. De verkiezingen werden een triomf voor Lumumba, door Gouverneur-Generaal Cornelis als ‘een gevaarlijke zot’ omschreven, en zelfs de vrome slotzin van de koninklijke rede bij de onafhankelijkheid ‘God bescherme Afrika’ deed het tij niet keren. Binnen de maand blies Leopoldstad de diplomatieke betrekkingen op en sloten we een tactische alliantie met de afscheidingsbeweging van Moise Tsjombe. Ook toen Belgische troepen er in actie kwamen, bleven we onszelf op de borst slaan dat het om een humanitaire interventie ging, dat we ons binnen de verdragsrechterlijke context bevonden… Toen de rest van de wereld enige reserves betoonde en we binnen de VN de oren gewassen werden, trokken we ons terug in onze oude egelstelling van klein en onbegrepen. Volgens Eerste Minister Eyskens kónden we niet anders dan ‘… trouw blijven aan een dwingende plicht van internationale moraal’. Dat Chroetchov ons ‘een politiek van roof en piraterij’ verweet, lag in de lijn van de verwachtingen, maar dat de VN ons verzocht onze troepen terug te trekken was ‘een kaakslag’. De BSP liet via een tekst van het bureau weten dat het betreurde dat België zich geïsoleerd had. Maar nu de solidariteit met de ‘landgenoten in den vreemde’ hoge toppen scheerde, werd het niet verstandig geacht écht tegen de publieke opinie in te gaan. In 1960 waren er daarenboven andere zaken die op de agenda stonden: de trouw van de koning, de eenheidswet, de nakende verkiezingen, de partijpolitieke heropstanding van P.H. Spaak, …

Congo sleepte België verder mee in de Koude Oorlog, en deze slagschaduw zou de komende decennia bepalend blijken. ‘Lumumbavitch’ zoals de Amerikaans ambassadeur hem noemde, werd als een duikboot van de Sovjet-Unie gezien en moest dus geliquideerd worden. Het Zaïre van Mobutu nam een centrale plaats in binnen de Afrikaanse Rollback policy van de VS en de Atlantische koers van de opeenvolgende Belgische regeringen paste zich daar zonder morren aan aan. Vandaar dat de moord op Lumumba en het afslachten van Pierre Mulele (zijn politieke erfgenaam) geen echte redenen waren om morele verontwaardiging te spuien. De Amerikaans-Belgische militaire interventies Dragon rouge/Dragon noire om blanken in Stanleystad en Paulus te ontzetten, werd opnieuw als een humanitaire noodzaak omschreven. Zoals de koning het gestipuleerd had, waren dergelijke acties alleen gericht tegen de rotte appelen in de mand terwijl ‘… ganse volksstammen geleid door eerlijke mannen, ons hun vriendschap [blijven] schenken’. In het Westen viel amper een proteststem tegen deze operaties te horen, met uitzondering misschien van wat in Keesings (11 december 1964) fijntjes omschreven werd als ‘Amerikaanse negerleiders’, zoals Martin Luther King. In 1977/78, de zogenaamde Shaba I en II oorlogen, bakten Eerste Minister Tindemans en BZ-minister Simonet het nog bruiner. In 1978 werden in Kolwezi zo’n 30 Belgen omgebracht, waarbij werd aangenomen dat dit het werk móést zijn van rebellen. Tindemans, zoals steeds in een jihad-stemming tegen het communisme, wees op Cubaanse omkadering (wat zelfs de Amerikanen was ontgaan). Toen duidelijk werd dat die moordpartij door het Zaïrese leger was uitgevoerd, precies om een tussenkomst af te dwingen, bleef het oorverdovend stil op het morele front.

Een tweede punt was dat het politieke eenheidsfront uit elkaar viel langs diverse breuklijnen. Eerst was er een toenemende generatiekloof binnen de partijen. Sommigen hadden nog op de barza een apéro tot zich genomen, terwijl nieuwe generaties minder emotionele banden hadden. Premier Edmond Leburton had (achter de schermen) met Mobutu een contract voor ACEC bedongen rond Inga, en nodigde de eenheidspartij MPR uit op het BSP-congres. Luid protest steeg op uit de rangen van de Jongsocialisten, waar Luc Van den Bossche het hoge woord voerde. Binnen de CVP waren de tegenstellingen tussen de generaties minder uitgesproken: voor wat Zaïre betreft zaten Tindemans (de premier die in Kinshasa vergast werd met ‘viva bomma, patatten met sossisen’) en Martens (‘Ik hou van dit land…’) alvast op één lijn. Hier waren het vooral (jongeren) van ACW en MOC-strekking die voor dissonante geluiden zorgden. Tussen de politieke families werd de afstand ook groter. Dit werd pas echt duidelijk toen deze zich herorganiseerden in een Vlaamse en een Franstalige vleugel, later partij. Vooral de Vlaamse socialisten distantieerden zich van het Mobutu-regime en legden meer de nadruk op mensenrechten, strijd tegen corruptie dan op het ten allen prijze bewaren van de ‘bevoorrechte band’. Het werd duidelijk dat Mobutu wel naar Boudewijn opkeek als naar een vaderfiguur, maar dit respect niet opbracht voor de politici wat voor toenemende irritatie zorgde.

Ten derde waren de economische relaties tussen onze bedrijven en Congo volkomen veranderd. Vooral met de Zaïrisering en de radicalisering was het goed fout gelopen. Het patrimonialisme holde de economische dynamiek uit, en Belgische bedrijven zochten voor grondstoffenbevoorrading en afzetmarkten andere horizonten op. Dit had uiteraard consequenties voor de politieke klasse die nu minder de druk voelde om kost wat kost aanwezig te blijven. Begin jaren 1990 was het niet overdreven om te gewagen van een marginalisering van de economische banden met ons land. Eén van de steunberen van de koloniale uitbating, de Société Générale, zou het einde van de eeuw ten andere niet halen. Symbolischer kan haast niet.
Ondertussen was er binnen België, zoals in zovele andere Westerse landen, een belangrijke ngo-wereld ontstaan. Hoewel ze onderling concurrentieel en ideologisch versnipperd waren, hadden ze één ding gemeen: ze eisten het monopolie op voor wat de ethiek aanging. Het Zaïrese regime werd aan de schandpaal genageld en de 11.11.11.-koepel was vernietigend voor de persoon van Mobutu. Hoewel ze zelf niet vrij waren van paternalistische trekjes vis-à-vis hun ‘partners in het Zuiden’, spaarden ze de roede niet voor de Belgische politieke top die ze - vaak niet ten onrechte - hypocrisie aanwreven. Een terugkerend verwijt was dat men de mond vol had van ethische overwegingen, maar die opborg wanneer ‘echte’ belangen bedreigd werden. Je kreeg een haast a-symmetrische relatie: Vlaamse ngo’s die én Mobutu uitspuwden, maar tezelfdertijd als ‘Baflamands’ van Congo hielden, op morele gronden.

Toen de muur viel was het strategisch belang van Congo verdampt. In Brussel - waar nu ook de koning Mobutu op afstand hield - zocht men een aanleiding om de staat-tot-staat-verhoudingen op een laag pitje te zetten. Gaandeweg was men de verhoudingen gaan ‘normaliseren’, nu kon men een stap verder gaan: misschien is het overdreven in de moordpartij op de campus in Lubumbashi (1990) enkel een welkome aanleiding te zien voor een breuk. Maar, men kon niet ontkennen dat men in het verleden voor grotere misdaden tegen de menselijkheid de ander kant had opgekeken. Wat overbleef aan band was in eerste instantie een gemeenschap-tot-gemeenschaprelatie en conditionaliteit van coöperatie. Oudgedienden als een Decroo, Van den Boeynants, Tindemans en Simonet zagen dit als de uitverkoop van onze nationale belangen, waardoor België internationaal terugviel op het niveau van Luxemburg.
Toen Mobutu de éénpartijstaat verving door de georchestreerde chaos viel men in Brussel uit de lucht. In het kader van de conditionalité passive had men met Washington en Parijs een ad hoc groep - de troika - gevormd om op één lijn te zitten. Dat België nu aandacht gaf aan de zogenaamde ‘Afrikaanse dimensie’ en voor de oplossing van problemen de zaak uitbesteedde (Nyerere, Mandela, de ‘African Crisis Response Force’) was een doordachte strategie, maar getuigde ook van Afrika-moeheid, of alvast een aarzeling om nog in Congo te investeren. In de hectische periode van ‘nationale conferenties’ en gelijktijdige regeringen verloor Brussel de kijk op Oost-Congo en was de herrijzenis van Kabila een totale verrassing. Kundig gestuurd stonden zijn troepen zonder tegenstand in Kinshasa. Het was het einde van een tijdperk, maar de rebellen in Oost-Congo en de eerste Afrikaanse oorlog die erop volgde, toonden aan dat dit niet impliceerde dat de loper voor de betere toekomst uitgerold werd. Brussel behield een afstand t.o.v. het regime en de nieuwe president werd in onze hoofdstad koeltjes ontvangen en níet uitgenodigd op het paleis.

Ethische hoogconjunctuur

Met paars aan het roer stonden voluntarisme en moraal hoog in het vaandel geschreven. Louis Michel opteerde voor een actieve politiek gebaseerd op ethische principes. ‘Loulou’ was binnen de regering een stuwende kracht (de Lumumba-commissie, de top in Durban, steun aan de interim-regering) en Verhofstadt bood de historische verontschuldigingen in Kigali aan. Maar er waren ook minpunten. En een gebrekkige inschatting van de Belgische machtspositie binnen de EU en de VN was er één van (men gunde ons geen voortrekkersrol, om nog maar eens een cliché van stal te halen). Bedenkelijker was dat Michel erg begripvol bleef voor Paul Kagame, Joseph Kabila en andere Museveni’s wat het vermoeden staafde dat de ethische serenades een realpolitik libretto hadden. En ten slotte was er de overtuiging dat, wil je democratie een kans geven, je de economische heropbouw moet stimuleren en ergo de private sector moet ondersteunen. Dat klopt, maar er zijn een aantal randvoorwaarden die niet noodzakelijk sporen met ethisch vendelzwaaien.

Gezien de Mobutu-periode, waar georganiseerde roof de regel was, is het niet verwonderlijk dat vele Congolese zakenlui/politici er een speciale gedragscode op na houden (article 15). Het gevaar dat buitenlandse partners dit uitlokken of besmet worden door deze mentaliteit is reëel. Je moet de vraag stellen of je sowieso zaken kan doen indien je níet buiten de lijntjes kleurt. Er zijn nog een aantal Belgische klassieke ondernemingen actief als Orgamon (Damseaux), Sucraf (Kronacker), Texaf, maar er zijn tevens vele nieuwe spelers die (nog) minder scrupules hebben en een soort Bonanza-kapitalisme aanhouden. Neem nu een figuur als George Forrest, die steunt op twee pijlers: ‘George Forrest International Europe’ (GFIE), met hoofdzetel in Waver (waar de Michels thuis zijn) en ‘George Forrest International Afrique’ met hoofdzetel in Lubumbashi. Vader en zoon Forrest hebben probleemloos een bocht genomen van Tsjombe naar Mobutu, naar Kabila Sr. en Jr.. Vooral in de periode toen Désiré Kabila zijn troepen moest financieren, werden mijncontracten afgesloten die voor de buitenlandse partner erg voordelig waren. Zowel de studie van de W.B. International Mining Consultants (2003) als de conclusies van de commissie Lutundula (2006) en de Commission de Revisitation des Contracts Miniers (2007), kwamen tot dezelfde conclusie: doordat het beheer van de joint ventures bij de private partner lag, haalden die de krenten uit de koek, overdreven de kosten, speelden ze onderaanneming door aan dochterbedrijven en lichtten de meest winstgevende operaties uit het totaalpakket. De studie die door Fasken, Martinen en Dumoulin werd uitgevoerd om ‘Kinross Forrest’ (later Katanga Mining Lim.) door te lichten kwam tot gelijklopende conclusies. Dit kan weinig verwondering wekken gezien de bevindingen van een expertenbureau van de VN Veiligheidsraad (2000), dat het bestaan van complexe netwerken tussen politici, rebellenleiders en haast alle zakelijke milieus blootlegde.
Forrest was ook op andere terreinen actief, bijvoorbeeld productie van munitie. In 1988 vestigde FN/Herstal zich in Eldoret (Kenia) en spoedig daarna opende de ‘New Baron & Lévêque’ - een Forrestbedrijf - er eveneens haar deuren. Zowel IANSA (International Network on Small Arms), IPIS, en Human Rights Watch kloegen aan dat deze ondernemingen lokale conflicten uitdiepten. De strengere EU gedragscode die erop volgde kon Forrest niet ontmoedigen. In 2003 - de export-licenties voor militair materiaal waren ondertussen geregionaliseerd - deed hij een aanvraag tot vestiging in Mwanza (Tanzania) van zijn munitiefabriek ‘New Lachaussée’. Oorspronkelijk - met de beperkende EU regulaties i.v.m. export naar de DRC in het achterhoofd - haalde de Waalse regering bakzeil. In 2005 zette de nieuwe minister van de Franse Gemeenschap, M.D. Simonet (cdH), het licht op groen, met de steun van J.-C. Marcourt (PS-minister van Economische Zaken én ex-juridisch raadgever van de firma) en Armand Dedecker (MR-minister van Ontwikkelingssamenwerking). Teneinde alle linguïstische misverstanden te vermijden: Forrest had evenzeer een band met Pierre Chevalier. Als staatssecretaris voor Buitenlandse Handel had deze Forrest het statuut van ‘Adviseur Buitenlandse Handel’ bezorgd terwijl hij zelf in de Raad van Bestuur zetelde en later Gedelegeerd Bestuurder van GFI werd. Minister-president Van Cauwenberghe moest onder internationale druk terugkrabbelen, maar niet zonder dat de Waalse Regering een 5,2 miljoen euro compensatoire lening verschafte en de Delcredere zo’n 8 miljoen euro schadeloosstelling wou uitkeren (die beslissing werd opgeschort).
In deze affaire liep het ethisch vlaggenschip dat Louis Michel heette flink wat averij op. Het feit dat hij, getooid met een gele bedrijfshelm van Forrest in de pers kwam, liet er weinig twijfel over bestaan hoe hij tegenover firma en persoon stond. Michel haalde de klassieke konijnen uit de hoed: afgunst, nergens op gesteund, een partijtje België jennen, enz. Ook Karel De Gucht viel Forrest niet af door hem op een parlementaire vraag van Ecolo, te omschrijven als een ‘achtbare man met een onbesproken staat van dienst’. Dat zowat alle Forrest-bedrijven offshore en geregistreerd op belastingsparadijzen zijn, mag in deze geen argument zijn: waarom zou an honourable man die de Congolese staat pluimt de Belgische belastingen niet tillen?

De Gucht was onder paars II reeds minder eloquent in het woordgebruik dan zijn voorganger. De verhoudingen met de Congolese leiding en vooral met Kabila Jr. waren niet wat je noemt ‘cordiaal’ maar leken op een gestrompel van de ene crisette naar het volgende incident. Vooral insinuaties rond de niet-Congolese roots van Kabila en kritiek geuit in Kigali, schoten in het verkeerde keelgat. Onder Leterme zette die attitude zich alleen maar verder door en gingen de media met zijn allen de perceptietour op. It ain’t what you say, it’s the way that you say it, met psychologische analyses van het ‘ijskonijn’ erbovenop. Bij een bezoek in april 2008 liep het grondig uit de hand. De driekoppige ministeriële delegatie werd zonder veel honneurs bejegend en de uitspraken van De Gucht rond goed bestuur en corruptie deden de Congolese politieke elite steigeren. President Kabila verklaarde dat België moest beslissen wat het wilde: een volwassen relatie of een meester-slaafverhouding. De Gucht riposteerde op RTL dat België gezien de 200 miljoen euro ontwikkelingsgelden ‘de morele plicht had te zeggen wat er misliep in de DRC’. Kinshasa riep de ambassadeur Mutumba voor overleg terug, annuleerde het consulaat in Antwerpen en beval de sluiting van de Belgische consulaten in Bukavu en Lubumbashi. Zoals het Chinese persbureau Xinhua opmerkte, was er een ernstige diplomatieke storing tussen Congo en wat geamuseerd omschreven werd als its former colonial master (29/05/2008).

Michel Jr. benadrukte de noodzaak om private firma’s te ondersteunen om een draagvlak voor reconstructie te creëren en De Gucht onderstreepte de centrale rol van de mijnsector die de overheid de nodige financiële middelen moest bezorgen. Hier kan je niet rond de Chinese factor die met FOCAC (Forum voor China-Afrika Coöperatie) op het continent sinds 2000 een bepalende factor is geworden. In het kader van de globale Afrika-politiek van de Volksrepubliek China, op zoek naar gegarandeerde levering van energie en grondstoffen, neemt Congo een belangrijke plaats in. Zoals Nzazi Mabidi, de woordvoerder van de president zei: Ces accords [met China] … ont fait grincer… pas mal de dents du côté de Bruxelles. Er werd zelfs gealludeerd dat De Gucht bij zijn bezoek aan Beijing gepoogd had de Congolese leiding zwart te maken. Bij herhaling heeft de Minister inderdaad zijn ongerustheid getoond dat wij Belgen - ondernemers dus - er uit de markt geduwd zouden worden. Forrest moge dan geen Sint-Maarten zijn, hij is Belg (geworden) en ‘onze’ speler in Katanga. Voor hoelang nog? We gaan niet in op de gigantische aard van de samenwerking tussen Chinese overheidsbedrijven (bijvoorbeeld China Railway Engineering Cie), private ondernemingen (Shangai Pengxin Group) en de Congolese instanties. Ruggengraat is de megadeal rond Socomin, dat aan mijnexploitatie (een investering van 3 miljard dollar!) doet, en dat in ruil instaat voor infrastructuur gaande van waterkrachtcentrales, ziekenhuizen tot 20.000 sociale woningen. Voor een totaal van 9 miljard dollar (we hebben het nog niet over spoorwegrevalidering en wegenaanleg). België verzinkt daartegen in het niets, en dat hebben ze in Kinshasa prima begrepen. Wat je de Chinezen moge verwijten: hun tussenkomst zal de economie een veel grotere boost geven dan een halve eeuw Belgische ethische politiek. Europees commissaris Michel was er snel bij om een soort van ménage à trois voor te stellen en onze (ex-)ambassadeur Swinnen zag ook meer in een synergie dan in het aangaan van een strijd die bij voorbaat beslecht lijkt. De pijn van het klein zijn, is niet meer te ontwijken.

Maar, er is nog iets anders. Buitenlandse Zaken Minister Nyamwisi onderstreepte dat Congo niet op een breuk maar op een andersoortige relatie met België aanstuurt en vroeg om het opstarten van een ‘constructieve dialoog’. Zeker in de laatste jaren van het Mobutu-tijdperk moest je al van Michelbeke zijn om niet in te zien dat de staat ineengestort was en het regime in doodsnood verkeerde. In een bui van the end of history-optimisme hielden we onszelf en de Congolezen voor dat ‘verkiezingen plus markt’ voor vrijheid en vooruitgang zouden zorgen. In feite liepen de presidentiële verkiezingen uit op de vraag welke warlord er geplebisciteerd zou worden tot President. Toen - wat een titanenopdracht was - de parlementsverkiezingen (min of meer) formeel volgens het boekje verliepen, proclameerden we dat het democratisch proces op de rails was gezet. Het regime van Mobutu kon je - gezien het ontbreken van legitimiteit - probleemloos in de tang van de conditionaliteit nemen. Maar, de huidige machtshebbers worden verondersteld het volk te vertegenwoordigen en dus liggen de kaarten nu anders. De groep aan de macht ‘geniet het vertrouwen van de kiezer’ en het is tegen de oppositieleider Bemba dat een internationaal aanhoudingsmandaat loopt, niet tegen Kabila. België heeft te veel geld en moeite in deze verkiezingen geïnvesteerd om het over misrepresentation te hebben. Op 30 juni zaten Herman van Rompuy en Armand Dedecker op de eretribune in Kananga naar aanleiding van de viering van de nationale feestdag. Ze werden na het défilé, luidens een persmededeling van onze ambassade, ontvangen door de president in een ‘vrijmoedige en vriendelijke sfeer’. De plooien lijken gladgestreken. Uiteraard heeft één en ander ook te maken met de binnenlandse toestand. Met de communautaire koorts die door de Wetstraat raast en de tsunami die onze banken dooreenschudt, is Kinshasa plots weer veraf. Of, is het eerder omgekeerd: nopen de evenementen van de jongste maanden ertoe zich af te vragen of we geen goed bestuur, verantwoordelijke politici en propere handen moeten eisen in ons eigen bestel? ’t Is altijd goed in ’t eigen hart te kijken vooraleer anderen de mantel uit te vegen.

Ruddy Doom
Professor aan de Vakgroep Derde Wereld, UGent

Congo - ethiek - ontwikkelingssamenwerking

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 8 (oktober), pagina 43 tot 51