Log in

Een sociaal veiligheidsbeleid

De voorbije jaren heeft sp.a hard gewerkt aan verkeersveiligheid. Onze partij doet ook wekelijks voorstellen om de sociale veiligheid van mensen te verbeteren. Beide thema’s zijn een vast onderdeel van onze congressen en onze dagelijkse werking. Maar de veiligheid in de wijken, op straat, op het openbaar vervoer, kortom, in het dagelijkse leven, lieten we te vaak onaangeroerd. Dat was onterecht. Veiligheid is, net als elk ander thema, noch links, noch rechts. Het is bovendien een voorwaarde voor een kansrijke samenleving.

Veiligheid is een recht. En daarom een belangrijk thema. Het raakt mensen in hun leven. Socialisten moeten daarom met veiligheid bezig zijn, er een visie op ontwikkelen en duidelijke ideeën naar voor schuiven. Een correct veiligheidsbeleid erkent onveiligheid en neemt ook onveiligheidsgevoelens ernstig. Onze veiligheid is niet gediend met slogans of holle retoriek. Hieronder formuleren we een aantal uitgangspunten van onze visie op veiligheid. Op basis van die stellingen werken we aan concrete voorstellen om te komen tot een veiligere samenleving.

In een samenleving waarin mensen zich onveilig voelen, is het niet goed leven. Als je het huis niet meer uit durft, slinkt de participatie. Mensen die zich onveilig voelen, sluiten zich af van de wereld. Wie rijk genoeg is om het zich te kunnen veroorloven, bunkert zich in. Closed gate communities met privé-bewaking aan de poort zijn er het resultaat van. Mensen sluiten zich mentaal af van de wereld. Ze zijn er niet meer toe te bewegen om samen met de buren een straatfeest te organiseren en verhuizen uit wijken waar ze zich niet veilig voelen. Een onveilige samenleving is geen aangename samenleving.

Veiligheid is een recht

Een samenleving is pas sociaal als iedereen het recht heeft op sociale zekerheid. Er is pas een echt recht op onderwijs, als iedereen kan genieten van kosteloos onderwijs. Zo is ook een samenleving pas kansrijk als veiligheid voor iedereen is verzekerd. Iedereen heeft recht op (evenveel) veiligheid. Veiligheid is een basisrecht. Het gaat om de kwaliteit van het leven van elk van ons.

Om voor iedereen een gelijke veiligheidszorg te garanderen, zullen ongelijke maatregelen nodig zijn. Zo is er méér aandacht nodig voor kansarme buurten, voor de steden en - meer algemeen - voor alle plekken waar onveiligheid aan de orde is. Er zijn specifieke maatregelen nodig naar bejaarden, jongeren en migranten. Veiligheid zal dus deels een doelgroepenbeleid zijn. Het is aan de overheid om gelijke kansen op veiligheid te garanderen. En aan ieder van ons om veiligheid op te bouwen.

Veiligheidszorg is een basistaak van de overheid

Veiligheid moet worden gegarandeerd door de overheid. De overheid heeft immers de controle over de ‘gewapende macht’. Zij houdt de leiding over het veiligheidsbeleid, ook als deelaspecten van de veiligheidszorg uitbesteed worden aan privé-maatschappijen. Zo is bijvoorbeeld de regie van het cameratoezicht voorbehouden aan de politiediensten. Dat geldt ook voor de zogenaamde buurtinformatienetwerken. We zijn voorstander van dergelijke netwerken omdat ze de samenleving alert maken voor veiligheidsproblemen. Maar we willen ook dat ze nauw samenwerken met de politie en de lokale overheid. Alle overheden, van de federale staat, over de gewesten en de gemeenschappen, de provincies, de steden en de gemeenten, moeten hun verantwoordelijkheid opnemen. Maar veiligheid is géén hete aardappel die we voortdurend moeten doorspelen aan de overheid. Veiligheid is een verantwoordelijkheid van iedereen.

Veiligheid is een zaak van iedereen

Elk recht heeft een keerzijde. Om onderwijs aan iedereen te kunnen garanderen, is er leerplicht. Om een degelijke en volledige sociale zekerheid te kunnen uitbouwen, zijn de mensen ook bereid er aan bij te dragen. Zo is een veilige samenleving maar mogelijk als iedereen daaraan meewerkt: u en ik, het middenveld, de overheid, de politie en het gerecht.
We staan voor een zorgzame samenleving. Daarom zijn respect voor elkaar, voor elkaars bezittingen maar ook voor het publieke domein belangrijke normen. Het belang van deze normen moet telkens opnieuw duidelijk gemaakt worden. We verwachten dat ouders hun kinderen duidelijk maken dat die normen moeten worden gerespecteerd. Daarnaast moeten ook het onderwijs, het middenveld en het verenigingsleven hun rol spelen.
Dat verenigingsleven kan bijdragen aan de concrete uitwerking van de veiligheidszorg. Seniorenverenigingen bijvoorbeeld kennen de specifieke problemen van ouderen en kunnen ideeën voor oplossingen aanreiken, zeker lokaal. Hetzelfde geldt voor jongerenorganisaties en verenigingen van etnische minderheden. Al deze verenigingen kunnen bijdragen aan het debat en voorstellen doen om een veiligere samenleving uit te bouwen. Zij kunnen ook hun invloed aanwenden bij hun achterban om de normen te laten naleven. Sociale controle is een belangrijk instrument om een veilige samenleving te bekomen. Sociale controle is een zaak van ieder van ons.

Veiligheidszorg vergt een integrale aanpak

Veiligheidszorg houdt veel meer in dan goed werkende politiediensten en een deugdelijk gerecht, ook al zijn dat de belangrijkste spelers. Veiligheid is ook een kwestie van een breed bestuurlijk beleid en van samenwerking met de bevolking, het middenveld en de bedrijven. Het veiligheidsbeleid moet als een rode draad doorheen alle beleidsdomeinen lopen. Veiligheidszorg speelt ook in het onderwijs (met een deugdelijk spijbeltoezicht), in de ruimtelijke ordening (de inplanting van gebouwen en de nutsvoorzieningen zoals verlichting), in huisvesting (inbraakwerende ramen en deuren) en vele andere domeinen. Elk beleidsniveau moet op elk domein oog hebben voor de veiligheidszorg.
Een breed beleid omvat ook een doelgroepenbeleid: wat voor jongeren geldt, geldt niet noodzakelijk voor ouderen en omgekeerd. Specifieke maatregelen zijn nodig en die verschillen van plaats tot plaats. Maatwerk, afgestemd op de specifieke kenmerken van straten, buurten, steden en gemeenten, is nodig. Inzake sociale huisvesting bijvoorbeeld heeft de Vlaamse overheid het initiatief genomen om opnieuw ‘huismeesters’, te vergelijken met de vroegere conciërges, aan te stellen. Op die manier wordt de sociale controle in de woonwijken versterkt.

Voorkomen is beter dan genezen

Een goede sociale controle voorkomt heel wat problemen. Maar net als bij de meer algemene inzet van preventie leidt het niet noodzakelijk tot zichtbare of kwantitatief meetbare resultaten. Toch zijn er aanwijzingen dat preventie impact heeft. Toen enkele jaren geleden de Parijse voorsteden letterlijk in brand stonden, bleef het in ons land rustig. In de strijd tegen het voetbalhooliganisme heeft een samenspel van maatregelen, waaronder stewards, resultaten opgeleverd.
Dat sterkt ons in de overtuiging dat preventie werkt. We zijn niet tegen repressie. In vele gevallen is repressie noodzakelijk, maar we moeten ook durven zeggen dat veiligheid niet gebaat is met enkel repressie. Uit onderzoek van criminoloog Paul Ponsaers blijkt dat slechts de helft van de misdrijven wordt aangegeven. Bovendien komt maar 3,4 procent van de aangegeven misdrijven voor de rechtbank. Toch zitten de gevangenissen propvol. Veronderstel nu dat we het aantal gestraften met 50 procent willen opvoeren. In het gevangeniswezen zou dat 4.500 extra personeelsleden vereisen en een stijging van het budget met 200 miljoen euro. Dat zou dan als effect hebben dat in plaats van 3,4 procent, 5 procent van de misdrijven tot een straf leiden.
In het milieubeleid vinden we het normaal dat focussen op een end-of-the-pipe aanpak weinig resultaat oplevert. Het is voor iedereen duidelijk dat het opkuisen van de rotzooi na de vervuiling de duurste en minst efficiënte aanpak is. Ook als het over criminele feiten gaat, is voorkomen beter dan genezen. De nadruk die we leggen op preventie is geen vluchtroute om het niet over repressie te moeten hebben. We denken dat repressie nodig is. Een daadwerkelijk en doeltreffend ‘lik op stuk’ beleid heeft ook een preventieve werking. Veiligheidszorg is niet gebaat met een keuze tussen repressie of preventie. De beide componenten zijn absoluut noodzakelijk om een doeltreffend veiligheidsbeleid te kunnen voeren.

Veiligheidszorg moet concrete doelstellingen nastreven

Het begrip veiligheid is een vlag die vele ladingen dekt. Daarom moeten we duidelijk afbakenen wat we precies willen aanpakken en hoe we dat willen doen. In het verleden heeft dat in het domein van de verkeersveiligheid resultaten opgeleverd. In het debat over onveiligheid worden we te vaak geconfronteerd met de ‘arrogantie van de onmacht’. De overheid zegt dat ze de verzuchtingen van de mensen begrijpt, maar legt er zich vervolgens bij neer dat ze niets kan doen. Om een efficiënt veiligheidsbeleid te ontwikkelen moeten we daarom (zoals vroeger al met verkeersveiligheid) met concrete doelstellingen werken. Eén van de doelstellingen is: 50 procent minder inbraken binnen tien jaar. Daartoe hebben wij een concreet actieplan uitgewerkt. Zo willen we onder meer (1) bij nieuwbouw en (grondige) renovatie van woningen inbraakwerende ramen en deuren verplichten. (2) Het techno-preventief toezicht van de politie moet worden omgevormd naar ‘tupperware-avonden’ over inbraakbeveiliging. (3) Er moet aandacht voor veiligheid zijn in de opleiding architectuur (sloten, omgevingsfactoren, ruimtelijke ordening, e.d.). (4) De bestaande fiscale aftrek voor veiligheidsinvesteringen moet worden herdacht.

Een halve hervorming

Het waren sp.a-mensen die de politiediensten hervormd hebben. We mogen zeggen dat deze hervorming grotendeels gelukt is. Op het terrein levert de politie goed werk. Uiteraard kan het altijd beter. Het blijkt echter dat onze burgemeesters met het huidige politiestatuut een goedwerkend korps kunnen uitbouwen dat afgestemd is op de noden van hun gemeente.
Zo worden er in Sint-Niklaas MO (maatschappelijke overlast)-teams opgericht. Deze éénmanspatrouilles dijken de maatschappelijke overlast op specifieke plaatsen in. Ze zijn snel ter plaatse als er ergens in de stad een probleem opduikt. Ze hebben ook de tijd om ‘zachte informatie’ te verzamelen. Het zijn zij die bijvoorbeeld melden dat een restaurant dat nooit klanten heeft toch blijft bestaan. Het zijn ook deze patrouilles die ontdekken waar er een illegaal mini-stort is of waar de bushalte altijd vuil is.
Sint-Truiden heeft met succes een experiment burenbemiddeling (een neutrale wijkbewoner bemiddelt tussen ruziënde buren) opgezet. De provincie Limburg veralgemeent dit nu.
In Oostende slaagt men er in om in de uitgaansbuurt altijd politie op straat te hebben. Door wijkagenten ook tijdens de weekends in te zetten, kan men hen premies geven die de relatief lage basiswedde aanvullen. Op die manier zijn ook jonge mensen, die aan het begin van hun carrière staan, gemotiveerd om bij de wijkpolitie te gaan. Dat is een cruciaal element om een goede wijkpolitie uit te bouwen. Het is belangrijk om de wijkagent te herwaarderen. Verschillende van onze lokale beleidsmakers zorgen ervoor dat mensen hun wijkagent kennen en hem of haar (bijvoorbeeld via de gsm) kunnen bereiken.
In Antwerpen lukt het om een dienst op te zetten die zich specifiek met criminele jongeren bezig houdt. Die dienst speelt informatie door naar alle geledingen van de politie. Men experimenteert op verschillende plaatsen met administratieve medewerkers om het bureauwerk te doen. Politieagenten horen op straat te zijn.
In steden waar we verantwoordelijkheid nemen, voeren we een open beleid over veiligheid, criminaliteit en de werking van de politie. Jaarverslagen zijn toegankelijk, net als de criminaliteitscijfers. Dat hoort zo. Mensen hebben recht op inzicht in de werking van politie.
Deze voorbeelden geven aan dat de politiehervorming de nodige flexibiliteit biedt aan lokale verantwoordelijken. Het globale beeld is dat de politiehervorming gelukt is. Er zijn wellicht wat méér middelen nodig voor de kleinere gemeenten maar de materiële omkadering in de steden is voldoende. Uiteraard zijn verbeteringen mogelijk. Zo moet de administratieve belasting van de politiediensten worden teruggedrongen. Het kan echt niet dat het parket de politie gebruikt als veredelde postbode. De zogenaamde kantschriften moeten worden afgehandeld door de postdiensten.

Het gerecht is echter niet hervormd. De veiligheidsketen is maar zo sterk als zijn zwakste schakel. Het heeft geen enkele zin om een politie-inspecteur vaststellingen te laten doen als die vervolgens geseponeerd worden. Mensen worden woest als criminelen vroeger terug thuis zijn dan de slachtoffers die aangifte deden. Ze hebben groot gelijk. Het gerecht neemt geen - of in elk geval onvoldoende - actie om diverse vormen van overlast en kleine(re) criminaliteit kordaat af te handelen. Onder meer op vraag van de gemeenten is een alternatief systeem op poten gezet: de Gemeentelijke Administratieve Sancties. Maar in de parketten leeft er een relatief groot verzet om dit nieuwe instrument daadwerkelijk kansen te geven. Zo’n mentaliteit is niet te tolereren. Men kan niet klagen over ‘te veel feiten met te weinig mensen’ en ondertussen obstructie plegen tegen een systeem dat het parket ontlast.
Er is gewoon nood aan een degelijk en doeltreffend alternatief voor de klassieke strafrechtelijke afhandeling van misdrijven. Bestuurlijke handhaving moet alle elementen van een ernstig en verantwoordelijk beleid in zich dragen, zoals inspraak voor de burger, tegensprekelijk debat, ingebouwde bemiddeling tussen dader en slachtoffer en een ruimer scala aan ‘sancties’ naast de geldboete (zoals werkstraffen). Dat instrument moet trouwens nog verbeterd worden. Op dit moment is het niet mogelijk een Gemeentelijke Administratieve Sanctie aan jongeren onder de 16 op te leggen. Er is nood aan reflectie over die maatregel. Er zijn uiteraard bezwaren tegen het verlagen van de leeftijdsgrens, maar anderzijds moet voor ogen gehouden worden dat lokale besturen de leeftijdsgrens ontwijken door de GAS te vervangen door een retributie (de zogenaamde combi-tax, graffiti-tax, en andere). Dat heeft het nadeel dat de rechten van de verdediging ernstig geschonden zijn.
De Gemeentelijke Administratieve Sanctie is uiteraard een aanvulling op de klassieke strafrechtelijke afhandeling van misdrijven. Het is er geen alternatief voor. We willen daarom luid en duidelijk herhalen dat het gerecht moet worden hervormd. Naast een ééngemaakte politie is ook een ééngemaakt parket een noodzaak. Op sommige plaatsen moet het gerecht trouwens gewoon harder werken. Er zijn té grote verschillen tussen de parketten. Een objectieve werklastmeting - iets wat in andere sectoren al enige decennia is ingeburgerd maar in justitie blijkbaar niet lukt - is slechts een begin van de noodzakelijke hervorming.

Caroline Gennez
Voorzitter sp.a

veiligheid - sociale bescherming - criminaliteit - sp.a

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 6 (juni), pagina 4 tot 8