Abonneer Log in

Geen woorden, maar duurzame daden

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 8 (oktober), pagina 23 tot 27

Maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) is stilaan een begrip geworden bij het bedrijfsleven, middenveldorganisaties en overheden. Honderden consultancy- en adviesbureaus begeleiden vandaag bedrijven en overheden bij een duurzame bedrijfsvoering en duizenden bedrijven afficheren zich als duurzame ondernemingen. Toch dringt zich de vraag op of hier enkel lippendienst wordt bewezen aan een duurzamere ontwikkeling van de economie of er integendeel sprake is van gunstige ontwikkelingen op het terrein. Maatschappelijk verantwoord ondernemen is immers ook een handig reclame-instrument geworden om steeds grotere groepen ‘bewuste’ consumenten te bereiken. Bovendien moet ik me als beleidsvoerder de vraag stellen of de verschillende overheden in België, en meer bepaald de Vlaamse overheid, zich voldoende inspannen om maatschappelijk verantwoord ondernemen definitief te verankeren in het beleid? Ik stel vast dat we meer kunnen doen. Daarom wil ik stappen ondernemen om het Vlaamse aankoopbeleid - diensten, goederen en aanbestedingen - tegen 2015 voor honderd procent duurzaam te laten verlopen. Daarnaast wil ik het debat starten om ook elke Vlaamse economische steun aan het bedrijfsleven afhankelijk te maken van de MVO-inspanningen van de betrokken bedrijven en sectoren.

Hoewel het begrip Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) al meer dan een halve eeuw gebruikt wordt, is het vandaag nog steeds niet duidelijk wat er precies mee wordt bedoeld. ‘Verantwoord’ is immers een sterk subjectief en vooral moraliserend begrip dat niet meteen preciseert wat er verwacht wordt van bedrijven. De vroegste omschrijvingen van MVO (Bowen, 1953) leggen een sterke nadruk op de rol die bedrijven spelen in de samenleving. Het komt er op neer dat er geen sprake kan zijn van een wilde, liberale economie, maar dat integendeel bedrijven zich - weliswaar vrijwillig - moeten inpassen in the objectives and values of our society, de doelstellingen en waarden van onze maatschappij. Dat klinkt socialisten als muziek in de oren. De wortels van het debat rond maatschappelijk verantwoord ondernemen liggen dus in de vaststelling dat de samenleving er niet is voor de economie, maar omgekeerd. De economie moet ten dienste staan van de samenleving. En dat laatste is, zoals we allemaal weten, niet steeds het geval. De ideologische insteek mag daarmee duidelijk zijn (er is hier sprake van maatschappelijke correcties op de vrije markt), we komen helaas niet te weten welke maatschappelijke waarden er dan wel nagestreefd moeten worden.
In latere definities (Davies, 1960) komt dit thema terug en is er sprake van beslissingen die verder moeten reiken dan the firm’s direct economic and technical interest, de onmiddellijke economische en technische belangen van het bedrijf. Dit geeft opnieuw aan dat bedrijven niet lukraak hun zin kunnen doen, maar integendeel een maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben. Een recentere en verfijndere omschrijving (Wood, 1991) heeft het over het geheel van principes, processen en beslissingen die verband houden met de maatschappelijke relaties van het bedrijf. Wood stipt verder nog aan dat MVO niet enkel over het bedrijfsleven gaat, maar zich afspeelt op zowel institutioneel, bedrijfs- en individueel niveau. We kunnen de beschuldigende vinger niet enkel uitsteken naar de zakenwereld, we zijn allemaal betrokken partij. MVO heeft dus betrekking op de relaties tussen de overheid en het bedrijfsleven, op de relaties tussen en in de bedrijven, en de relaties tussen de individuele ondernemer, de werknemers en de consumenten. Dat is ook de reden waarom bedrijven die zich vandaag inzetten voor MVO, niet enkel hun aandeelhouders (stockholders) tevreden willen stellen, maar zich breder richten op de stakeholders of belanghebbenden, met name werknemers, klanten, aandeelhouders, leveranciers, werknemers, belangengroepen (vakbonden, consumentenorganisaties, de milieubeweging) en soms omwonenden of zelfs de society at large, de hele maatschappij.

People, planet, profit

MVO is de laatste jaren voor een stuk synoniem geworden met ‘duurzaam ondernemen’, wat aanvankelijk het milieuaspect in het debat wilde brengen, hoewel duurzaamheid breder kan worden geïnterpreteerd en bijvoorbeeld ook duurzame relaties met de werknemers omvat. Een veelgebruikte definitie van duurzaamheid komt uit het Brundtland Report (1987) en stelt dat duurzaamheid betrekking heeft op die ontwikkeling ‘that meets the needs of the present, without compromising the ability of future generations to meet their own needs’. Of zoals een vaak geciteerde Nederlandse definitie het stelt: ‘Duurzame ontwikkeling is het op gang brengen van ontwikkelingen waarbij sociaaleconomische, ecologische en culturele aspecten in dynamisch evenwicht zijn, met als resultaat dat na ons komende generaties dezelfde kansen hebben om in hun behoeften te voorzien als de huidige’. In dat licht streeft Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen naar een evenwichtige balans tussen de zogenaamde drie P’s: People, Planet, Profit (Elkington, 1997).

Zoals gezegd zijn heel wat bedrijven voorzichtig tot ingrijpend bezig met MVO. Ze doen dat onder meer op het vlak van intern management, met allerlei verbeteringen die betrekking hebben op de werknemers, zoals het opnemen van specifieke doelgroepen in directiecomités (zoals stakeholders), het opstellen van gedragscodes, het verbeteren van de arbeidsomstandigheden, het transparanter maken van bedrijfsbeslissingen (increased accountability), het installeren van een ombudsdienst, of ook het steunen van goede doelen, milieu-investeringen, het opstellen van maatschappelijke en ecologische voorwaarden waaraan toeleveranciers moeten voldoen, of het betrekken van consumenten bij de bedrijfsvoering via de zogenaamde goede-doelen-marketing (waarbij winst wordt gemaakt door klanten te betrekken bij het goede doel dat het bedrijf steunt). Denk maar aan alle mogelijke acties waarbij de klant via logo’s of reclame aangemoedigd wordt een product te kopen omdat een deel van de opbrengst naar een goed doel gaat.
Het begrip Planet wordt in de drie P’s meestal geïnterpreteerd als de ecologische pijler van MVO. Ik zou er toch op willen wijzen dat maatschappelijk verantwoord ondernemen ook rekening houdt met de moeilijke Noord-Zuidverhoudingen. Met Planet bedoelen we ook dat de arbeidsomstandigheden op de hele planeet moeten voldoen aan de minimumvoorwaarden die door de internationale vakbewegingen naar voor worden geschoven. MVO heeft ook te maken met een fair loon, een veilige werkomgeving, opleiding en scholing en een goede sociale zekerheid.

Nieuw economisch model

De vaststelling vandaag is dat MVO zich bij de betrokken bedrijven nog iets te veel toespitst op aparte actieterreinen, zoals ofwel goed werkgeverschap, ofwel milieu, ofwel maatschappelijke betrokkenheid. Dit terwijl de verschillende componenten samen aangepakt moeten worden. Maar over het algemeen stijgt de aandacht voor MVO. Bedrijven voeren steeds meer MVO-acties uit. Die toegenomen aandacht heeft verschillende oorzaken. Niet alleen wordt het verschillende ondernemingen vanuit de prille ervaring duidelijk dat MVO kan lonen, ze merken ook een toegenomen publieke belangstelling door bijvoorbeeld de klimaatshype van Al Gore en de groei van de wereldwijde informatietechnologie die de effecten van globalisering aan de andere kant van de planeet op enkele minuten tijd op televisie kan brengen.
Daarnaast wordt MVO ook een element van reputatiemanagement. Bedrijven kunnen zich profileren door in te spelen op thema’s die bij de publieke opinie gevoelig liggen. Enkele maanden na de lancering van An Inconvenient Truth stuurden de meeste grote automerken reclameboodschappen de ether in die duidelijk moesten maken dat hun merk de laagste CO2-emissie garandeert. Uit de voorbeelden blijkt al dat het niet steeds duidelijk is of de MVO-profilering van bedrijven voortkomt uit hun wil om maatschappelijke verantwoordelijkheid op te nemen. Soms gaat het om een brutaal misbruik van MVO voor reclamedoeleinden, soms is het een poging om de botsing tussen winstmaximalisering en milieuproblemen te verdoezelen. Dat kan vanzelfsprekend niet de bedoeling zijn. Maatschappelijk verantwoord ondernemen mag geen nevenproduct zijn van een rauw kapitalisme dat botst met duurzaamheid. Het moet de voorloper worden van een nieuw economisch model dat stoelt op duurzame grondbeginselen. Het is daarbij niet de bedoeling dat bedrijven hun duurzaamheid enkel gaan inkopen zonder in hun eigen business stappen vooruit te zetten.

MVO-conferentie

Hoewel in Vlaanderen al heel wat bedrijven reeds op de MVO-trein zijn gestapt, moeten we toch vaststellen dat duurzaam ondernemen nog te weinig structureel is ingebed. Omdat MVO grotendeels stoelt op vrijwilligheid - bedrijven engageren zich immers om veel verder te gaan dan de regelgeving - is het van het allergrootste belang dat de sociale partners zich achter de doelstellingen van MVO scharen. Het afgelopen jaar hebben werkgevers en werknemersorganisaties een proces doorlopen om hun schouders onder het nieuwe economische model te zetten. Maar er bestaat nog heel wat koudwatervrees. Zowel de werkgevers als de werknemersorganisaties waren nog onvoldoende overtuigd van de win-win-situatie die ontstaat bij duurzaam ondernemen. Vakbonden vreesden dat de bereikte sociale verworvenheden uitgehold zullen worden en werkgevers waren bang dat MVO als een last op hun schouders zal wegen.

Een belangrijke stap is echter de MVO-conferentie die de Sociaal-Economische Raad voor Vlaanderen (SERV) op 5 oktober organiseerde. De verschillende partners van de SERV - Boerenbond, UNIZO, VCSPO, Voka-VEV, ABVV, ACLVB en ACV - spraken hun leden in een gezamenlijke campagne aan over de voordelen van duurzaam ondernemen. Als signaal is deze conferentie niet te onderschatten. Het is immers de eerste keer dat er in Vlaanderen op deze manier steun wordt verleend aan MVO. Vandaag zijn de middelen - methodieken, managementmodellen en networking - bekend om tot duurzaam ondernemen te komen, ze moeten echter nog structureel in de praktijk worden omgezet. De wil om tot een duurzame economie te komen, is onvoldoende: die nieuwe economie moet voor iedereen zichtbaar worden en de standaard zijn in het bedrijfsleven. Geen woorden, maar duurzame daden. Dat betekent dat bijvoorbeeld enkel duurzame productieprocessen en duurzame vervoersmiddelen worden gebruikt, producten worden aangeboden die op verantwoorde wijze tot stand kwamen, banken enkel investeren in duurzame bedrijven, bedrijven het evident vinden dat iedereen een potentiële werknemer is (ongeacht leeftijd, geslacht of afkomst) en dat elke economische opportuniteit gescreend wordt op basis van ecologische en sociale parameters. Daar zijn we nog lang niet. Maatschappelijk verantwoord ondernemen is meer dan de optelsom van verschillende MVO-acties, maar impliceert interdisciplinair overleg, networking en samenwerking tussen actoren die in het verleden vaak tegenover elkaar stonden. De Sociaal-Economische Raad voor Vlaanderen (SERV) kan in de toekomst het MVO-draagvlak verder helpen uitbouwen.

Een actievere overheid

De rol die de overheid in het debat kan spelen, moet niet onderschat worden. Voorlopig beperkt ze zich tot het sensibiliseren en het faciliteren van sommige MVO-acties via regelgeving of financiële ondersteuning. Maar als het ons menens is met MVO, dan moeten we meer doen. Véél meer. MVO moet horizontaal ingebed worden in alle Vlaamse beleidsdepartementen, zoals economie, wetenschap en innovatie en werkgelegenheid. Er is ook een bijzonder belangrijke rol weggelegd voor het departement onderwijs. Het onderwijs is immers de toeleverancier van de toekomstige generatie jonge ondernemers én consumenten. Het lijkt me dan ook evident dat MVO structureel wordt ingebed in het onderwijscurriculum, zowel in het secundair als het hoger onderwijs.
Maar als overheid kunnen we ook een directe impact hebben, omdat de overheid een belangrijke klant is van het bedrijfsleven. Als het inderdaad zo is dat een van de finaliteiten van MVO erin bestaat dat aangeboden producten duurzaam geproduceerd worden, dan is het ondenkbaar dat de overheid haar eigen aankoopbeleid daar niet op zou afstemmen. Vandaag kopen heel wat overheden al duurzame producten aan, maar dat beperkt zich dikwijls tot fair trade koffie en frisdrank. Hoe goed bedoeld ook, het is vaak niet veel meer dan windowdressing. Het hele aankoopbeleid van de overheid - alle overheden - moet in de toekomst duurzaam worden. Vlaanderen hinkt hier wat achterop, zeker als we ons vergelijken met bijvoorbeeld Nederland. Daar engageerde de rijksoverheid zich al in 2005 om vijf jaar later het volledige inkoopbeleid duurzaam te laten verlopen. In 2010 moet dus honderd procent van al hun inkopen en aanbestedingen - 40 miljard euro op jaarbasis - duurzaam zijn. Voor de Nederlandse provincies, gemeenten en waterschappen is dat 50 procent. Om deze omslag te maken, heeft de rijksoverheid het duurzaamheidsprincipe opgenomen in haar inkoopprocessen. Het moet duidelijk zijn dat het over meer gaat dan het inkopen van koffie en sapjes. Alle aankopen, zowel producten, diensten als werken moeten voldoen aan de duurzaamheidscriteria. Het gaat dus zowel over kantoormeubelen, informatica, papier, catering, dienstwagens, gebouwen, aanleg en onderhoud van het publieke domein, groenvoorziening, enzovoort.
Ik wil nu stappen zetten om ook het Vlaamse aankoopbeleid tegen 2015 voor de volle honderd procent duurzaam te maken. De Vlaamse overheid moet immers het goede voorbeeld geven en gedurfde statements maken. Ik heb het niet enkel over goederen, maar ook over de aankoop van alle goederen, diensten en werken die de Vlaamse overheid betaalt. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor het public-private partnership waarin de Vlaamse overheid participeert. We moeten daarom spoedig komen tot een ‘Masterplan Overheidsopdrachten en Aankoopbeleid’ dat de krijtlijnen van een verantwoord aankoopbeleid uittekent.

Duurzaamheid is de regel

Daarnaast kunnen we onze stimulerende rol nog krachtiger laten gelden. Zo mag een overheid verwachten van de bedrijven die ze steunt dat ze maatschappelijk verantwoord ondernemen. In ruil voor de miljarden investeringssteun die de overheid verleent, moeten de betrokken bedrijven kunnen aantonen dat het hen menens is met de drie P’s (People, Planet, Profit). Ik kan me inbeelden dat de economische sector even slikt, als ze dit hoort. Niet zozeer omdat de wil om zich in te zetten voor MVO niet aanwezig is, maar omdat dergelijke maatregel aantoont dat er nu echt actief werk van moet worden gemaakt. Echt hardleerse bedrijven mogen zich zorgen maken, maar bedrijven die engagementen nemen en de juiste richting op gaan, hoeven zich geen zorgen te maken. In een eerste fase gaat het opleggen van een strakke lijst duurzaamheidvoorwaarden wellicht te ver. Wat we wel mogen verwachten, is dat elk bedrijf dat steun krijgt een MVO-dynamiek op gang brengt en nagaat welke verantwoordelijkheden ‘verder gaan dan de onmiddellijke economische en technische belangen van het bedrijf’. Cruciale spanningsvelden die bestaan tussen een bedrijf en zijn onmiddellijke omgeving, door de problematiek van historische vervuiling, moeten dan bijvoorbeeld uitgeklaard worden, wil het bedrijf nog op steun kunnen rekenen. Of bedrijven kunnen actieplannen opzetten om 50-plussers of laaggeschoolde jongeren kansen te geven op de werkvloer in ruil voor steun. De mogelijkheden zijn eindeloos. Ook de sectoren hebben er dan belang bij zich in het MVO-verhaal in te schrijven, omdat ze ondersteunend kunnen werken naar de bedrijven. Niet elk bedrijf heeft immers de draagkracht om een grondige MVO-analyse te maken om na te gaan waar ze precies een maatschappelijke meerwaarde kunnen genereren. Onze Vlaamse innovatieadviseurs moeten dan ook duurzaamheidsexperten worden waarop bedrijven een beroep kunnen doen om de omslag naar het nieuwe economische model te maken.
Met al deze doorgedreven initiatieven kunnen we er voor zorgen dat maatschappelijk verantwoord ondernemen structureel ingang vindt in het Vlaamse bedrijfsleven en bij de overheid. Zolang de morele kracht van de consument te licht blijft wegen als hefboom voor MVO is het de verantwoordelijkheid van de overheid om onomkeerbare stappen te zetten in de richting van een nieuwe en duurzame economie.

Kathleen Van Brempt
Vlaams minister van Mobiliteit, Sociale Economie en Gelijke Kansen

Bibliografie
- Bowen H.R., Social responsibilities of the businessman, Harper & Row, New York, 1953
- Carroll A.B., Corporate social responsibility - Evaluation of a definitional construct. In: Business and Society, 38 (1999), pp. 268-295.
- Wood D.J., Corporate social performance revisited. In: Academy of Management Review, 16 (1991), pp. 691-718.
- Elkington J., Cannibals with forks: the triple bottom line of 21st century business, Capstone publishing, Oxford, 1997.

duurzame ontwikkeling - maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO)

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 8 (oktober), pagina 23 tot 27