Abonneer Log in

De keerzijde van politieke marketing door associatie

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 2 (februari), pagina 12 tot 14

In Samenleving en politiek (januari 2007) bepleitten de partijvoorzitters van sp.a/spirit het vormen van een open projectlijst bij verkiezingen, waarbij actoren uit het sociaalprogressieve middenveld zich contractueel verbinden met de lijst. Naar eigen zeggen doen de voorzitters dit om die actoren actiever bij de politieke beleidsbepaling te betrekken, en zo hun engagement maximaal te kanaliseren naar politieke macht. ‘Sociaalprogressieve verdeeldheid is pretentieus en contraproductief,’ schrijven ze.

Niet de vermeende verdeeldheid is echter pretentieus en contraproductief, wel de in het voorstel vervatte politieke recuperatie. Politiek draait om meer dan om partijpolitiek, democratie om meer dan om verkiezingen. Terecht wijzen de voorzitters op de veranderde politieke ruimte, waarin vandaag ook allerlei verenigingen, actiegroepen, niet-gouvernementele organisaties en geëngageerde individuen ideeën proberen om te zetten in politieke macht. Voor partijen is het aanlokkelijk om via zichtbare allianties met deze onafhankelijke actoren het eigen electorale bereik te vergroten. Voor dat middenveld wegen de mogelijke voordelen van deze tijdelijke associatie (in twee betekenissen) echter niet op tegen de nadelen. En de politiek zelf boekt hier slechts kortetermijnwinst.

Nefast voor impact van het nieuwe middenveld

In tegenstelling tot het klassieke middenveld - vakbonden, ziekenfondsen, welzijnsinstellingen - hebben de nieuwe sociale bewegingen nooit exclusieve bindingen gezocht met politieke partijen. Hun sterkte halen ze uit de ongebondenheid. Niet de politieke kleur, niet de representativiteit en zelfs niet het aantal leden, medewerkers of actievoerders bepalen hun slagkracht, wel de ideeën waarvoor ze opkomen en het feit dat ze dat doen. Hun aanhang situeert zich bij de ‘stille meerderheid’, bij een verondersteld publiek dat zich moeilijk laat tellen.
Af en toe wordt toch geteld. Toen Charta 91, Hand-in-Hand en Objectief 479.917 in het begin van de jaren negentig actie voerden tegen extreemrechts, kregen ze tienduizenden betogers op de been. Hun mobilisatiekracht maakte indruk op alle democratische partijen. Mede onder impuls van deze bewegingen ontstond een politiek draagvlak voor de anti-racismewetgeving, het cordon sanitaire of later het migrantenstemrecht. Had Charta 91 zich toen contractueel verbonden aan één partij of lijst, dan had ze veel minder gewogen op de politieke besluitvorming. Hetzelfde geldt voor de milieubeweging, bewonersgroepen, Noord-Zuidverenigingen, vrouwenrechtenorganisaties, de Fietsersbond of andere drukkingsgroepen. Net door hun weigering tot een één-op-éénverhouding met partijen speelden ze sinds de jaren zeventig een cruciale rol in de evolutie van de politiek.
Nu ook het klassieke middenveld afstand neemt van de partijpolitieke binding, is streven naar een nieuwsoortige verzuiling - hoe los-vast ook - bijna reactionair. Het haalt de voor onze democratie cruciale dynamiek, flexibiliteit en geloofwaardigheid van de nieuwe sociale bewegingen onderuit. Het geeft hen niet meer politieke macht, wel minder. Het negeert hun eigen invulling van macht, namelijk invloed.

De voorzitters van sp.a en Spirit willen zich electoraal ontdoen van het partijpolitieke carcan, maar miskennen de gevolgen van hun streven voor de positie van de partners. Dat komt omdat ze geen onderscheid maken tussen de representatieve (vertegenwoordigende) en de participatieve (deelnemende) democratie. De representatieve democratie kent één hoogdag: wanneer we gaan stemmen. Alle andere dagen worden ingevuld door de participatieve democratie, in de mate dat verkozenen daar ruimte voor creëren. Participatie is een continu proces dat ver voorbij de representatieve machtsvorming gaat. Ze vereist relativering van de representatieve democratie door de politici zelf, wat niet evident is. Wie voor eigen politiek gebruik niet-partijpolitieke initiatieven of organen mee wil laten renderen in verkiezingstijden, focust te eenzijdig op de werking van de representatieve democratie.

Wanneer je onafhankelijke organisaties volwaardig bij de besluitvorming wil betrekken, leg je als partij beter continu je oor te luister in plaats van hen tijdelijk in te schakelen in de electorale marketing. Buiten de context van die marketing is het afsluiten van verkiezingscontracten volstrekt overbodig. Vlak voor verkiezingen trekken ngo’s, sociale bewegingen en vakbonden nu al traditioneel met memoranda en charters naar verschillende partijen. Het is hun manier om concrete punten naar voor te schuiven. Partijen zelf hebben evenmin nood aan contracten om behartenswaardige aandachtspunten om te zetten in beleid. De wil daartoe volstaat.

Verschraling van de ideologische politiek

Die wil ontbreekt vaak. Eind september 2006 bleek uit een studie dat grote partijen het winnen van verkiezingen en het in meerderheden geraken belangrijker vinden dan ideologische consistentie.1 Achter deze spanning tussen machtsstreven en ideologie schuilt een logica. Hoe groter de partij wil worden, hoe meer ze haar toevlucht moet nemen tot strategisch zwijgen over heikele onderwerpen of tot het tolereren van inhoudelijke spreidstanden. Noodgedwongen volgen open lijsten of kiesverenigingen deze logica. Wie op ‘alle’ sociaalprogressieve stemmen mikt, mag geen te scherpe keuzes aanbieden. Men moet dus de-ideologiseren.
Een manier om het keuzerisico uit de weg te gaan, is het marketen van een subjectieve sfeer in plaats van een ideologie. Essentieel daarbij is het claimen van vage maar positieve begrippen (adjectieven vaak). De christendemocraten zetten in op degelijkheid en ‘goed bestuur’. De premier schuift optimisme en durf naar voor; zijn partijvoorzitter progressiviteit. Het kartel sp.a/spirit mikt op de monopolisering van het ‘sociaalprogressieve’, wat alvast zowel de sociaaldemocratie als het links-liberalisme lijkt te omvatten.

Bij positieve communicatie hoort ook de suggestie van vernieuwing en openheid. Niet toevallig kaderen beide voorzitters hun verbredingsoperatie in een opengooien van de klassieke structuren. Ze uiten kritiek op de klassieke partijwerking, die te verengend zou zijn. Partijen zijn te veel een ‘doel op zich’. Partijleden zijn mensen die ‘als het ware een soort geloofsbelijdenis afleggen’. Wie niet toetreedt tot de projectlijst zit vast in het ‘eigen grote gelijk’. Enzovoort. De antipolitieke suggestie is niet ver weg: partijen zijn te veel bezig met zichzelf. Slechts wie contracten afsluit met buitenstaanders getuigt van breeddenkendheid en souplesse.
Zich associëren met niet-partijpolitieke individuen of organisaties wordt bijgevolg een belangrijk element in de nieuwe openheid. Derden met het juiste profiel reclame laten maken voor je politieke project, maakt de marketing van dit project niet alleen geloofwaardiger, het is ook een bijkomende manier om te de-ideologiseren. Als partij of politicus hoef je zelf geen kleur te bekennen, anderen doen dat voor jou. Tijdens de voorbije verkiezingscampagne deelde de sp.a politieke zendtijd uit aan vooraf geselecteerde verenigingen. De gebrachte boodschappen leverden geen inzicht in het politieke project van de partij, niemand herinnert zich nog welke verenigingen het gehaald hebben - maar de sfeerschepping bleef. Hun imago straalde af op de partij.
Belangengroepen rond een bepaald standpunt een contract laten afsluiten met een projectlijst hoort bij de associatieve marketing. Voorstellen kunnen worden gescreend op uitstraling, op haalbaarheid, op mogelijke impact in de media, op complementariteit met elkaar - om een breed spectrum te bestrijken. De lat kan laag gelegd worden, het voorstel symbolisch gehouden, terwijl tegelijk toch de volledige expertise, de street credibility en misschien zelfs de radicaliteit van de partner als keurmerk worden meegenomen.
In pre-electorale tijden zien we altijd een toename van eerstesteenleggingen en (in)huldigingen, waarbij politici en partijen vooral zichzelf in de kijker plaatsen. Het mediatieke afsluiten van contracten met herkenbare bewegingen en verenigingen is daar een equivalent van. Hoeveel persaandacht zal er, na de verkiezingen, overigens nog zijn voor het eventuele intrekken van de steun? Want ook dat maakt deel uit van het vrijblijvende ‘contract’.

Verkrampte openheid

Partijen die het nieuwe middenveld contractueel aan zich willen binden: het getuigt veeleer van monopolievorming dan van openheid of van vertrouwen in de eigen werfkracht en groeimogelijkheden. Losse samenwerkingsverbanden blijken niet langer gewenst. Wie geen exclusief partnerschap aangaat, verzwakt de som van de delen en maakt zichzelf misschien wel overbodig - zo klinkt het. Onafhankelijke opstellingen worden gelijkgeschakeld met macht afstaan aan de politieke overzijde.

Het zijn typische conclusies ontstaan vanuit een … partijpolitiek carcan. Nieuwe sociale bewegingen hebben geen partijpolitieke doeleinden, ijveren niet voor electorale winst van specifieke partijen. Wel willen ze hun thema’s en strijdpunten onder de aandacht brengen van overheden. Een te hechte band met één partij ondergraaft dit streven.
Voor een duidelijk politiek debat en dito beleidsvoering hebben we geen nood aan strategische berekeningen in functie van electorale winst, wel aan partijen die geloven in zichzelf, klare standpunten durven brengen en hun energie investeren in de uitwerking van een eigen toekomstproject in plaats van in het recupereren of hypothekeren van anderssoortige toekomstprojecten. Dat laatste genereert te veel negatieve energie, wat haaks staat op de zelfverklaarde openheid.

Manu Claeys
Essayist en lokaal actief in diverse Antwerpse bewonersgroepen 2

Noten
1/ Dit was een onderzoek uitgevoerd door zeven Belgische universiteiten, met de steun van Dexia en het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek.
2/ o.a. BorgerhouDt van Mensen, stRaten-generaal, Antwerpen aan ‘t Woord en de Ploeg - een samenwerkingsverband van acht buurtcomités. Manu Claeys stond eveneens op de Antwerpse lijst Groen! voor de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 2006.

projectlijst - kartels - middenveld

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 2 (februari), pagina 12 tot 14