Abonneer Log in

Naar een structurele oplossing voor de werkloosheid in Brussel

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 2 (februari), pagina 23 tot 29

Werk staat vandaag bovenaan op de politieke agenda. Op Federaal en op Vlaams niveau hebben de sp.a-ministers ambitieuze maatregelen getroffen om de werkloosheidsproblematiek zo efficiënt mogelijk aan te pakken. Voldoende mensen tewerkstellen is noodzakelijk om ons sociaal systeem leefbaar te houden. Voor de werkzoekende betekent werk niet alleen een beter inkomen, maar ook zelfontplooiing en het voorkomen van sociaal isolement.

De paradox van de Brusselse arbeidsmarkt is dat onze hoofdstad enerzijds de belangrijkste werkgelegenheidspool is in België, maar anderzijds al jaren kampt met een zeer hoge werkloosheid. Ondanks het feit dat Brussel de derde rijkste regio is van Europa blijkt dat het, op Berlijn na, de Europese hoofdstad is met de hoogste werkloosheidsgraad.1 Het verschil in werkloosheidsgraad tussen de hoofdstad en de rest van het land is ook nergens in Europa groter dan in België. De regio leeft institutioneel gescheiden van haar economische hinterland, m.n. de regio Halle-Vilvoorde en een deel van Waals-Brabant. Dit zorgt voor ongelofelijke discrepanties. Zo kampt Halle-Vilvoorde, en meer bepaald de streek rond Zaventem, met een gebrek aan arbeidskrachten, terwijl Brussel een werkloosheid kent die rond de 21,3% ligt.2 Bijvoorbeeld DHL in Zaventem telt slechts 350 Brusselse werknemers op een totaal van 6.600 (5%).
De Brusselse werkloosheid treft een aantal bevolkingsgroepen duidelijk harder dan anderen. In vergelijking met de rest van het land telt het Brussels Gewest meer jonge (20% is jonger dan 25), meer laaggeschoolde3 (ongeveer 2/3) en meer allochtone (bijna 1 op 3 is afkomstig van buiten de EU) werkzoekenden. Vandaag beschikt 1 op 4 van de schoolverlatende jongeren niet over een diploma van het hoger secundair onderwijs.4 De werkloosheidsgraad bij jongeren onder de 25 jaar bedraagt dan ook 32,9%.5 Tegelijkertijd heb je wel degelijk een vraag naar beroeps- of technisch opgeleide werknemers. Het gaat o.a. over verplegers, elektriciens, mecaniciens, metselaars, koks, tuinmannen, etc. De zogenaamde knelpuntberoepen.
Deze tekst is een eerste aanzet om de vinger op de Brusselse tewerkstellingswonde te leggen. Hieronder geef ik een kort overzicht van het tewerkstellingsbeleid dat in Brussel gevoerd wordt. In het tweede deel geef ik enkele denkpistes voor een efficiënter Brussels werkgelegenheidsbeleid.

Het Brussels werkgelegenheidsbeleid

Om een antwoord te bieden op wat de Ministers Frank Vandenbroucke en Johan Vandelanotte in hun opiniestuk van 3 januari 2004 het Brusselse drama noemen , heeft de Brusselse regering, o.l.v. Minister Eric Tomas - die zowel bevoegd is voor werkgelegenheid als voor economie - een tweesporenbeleid gevolgd. Enerzijds was dat beleid gericht op het creëren van jobs a.d.h.v. gesubsidieerde banen en anderzijds op een doorgedreven antidiscriminatie discours. Op structureel vlak heeft dit beleid echter weinig verwezenlijkt.

De gesubsidieerde banen

Maar liefst 75% van het huidige Brusselse gewestbudget voor werkgelegenheid gaat naar gesubsidieerde banen. Het budget voor deze tewerkstellingsprogramma’s werd tijdens deze legislatuur met 39% verhoogd. Op deze manier werden er in 2003 ongeveer 7.100 banen gesubsidieerd door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.6
Bij dit beleid kan men een aantal bedenkingen maken. Het is allerminst duidelijk op basis van welke criteria banenplannen worden toegewezen, waardoor het beleid in de praktijk veel weg heeft van een sinterklaaspolitiek en er te weinig oog is voor een duurzame tewerkstelling. In de praktijk komt dit beleid neer op de subsidiëring van betaalbare werkkrachten voor gemeenten en non-profitorganisaties. Vooral voor de non-profitorganisaties is een beroep doen op deze gesubsidieerde banen vaak de enige manier om personeel te kunnen aanwerven. Zij hebben echter vooral nood aan gekwalificeerd personeel, waardoor men voorbij gaat aan de eerste doelstelling van de gesubsidieerde banen, m.n. laaggeschoolden aan werk helpen. Bovendien is het systeem vanuit werkgelegenheidsperspectief weinig efficiënt. Van het beschikbare budget staat nu 75% in voor 7.000 banen. Met 25% van het budget heeft de Brusselse regering dus nog 80.000 werklozen te gaan. Het hoeft dus niet te verbazen dat de begeleiding van werkzoekenden tekortkomt.

Strijd tegen de discriminatie bij aanwerving

Het beleid heeft geprobeerd een antwoord te bieden voor de duidelijke achterstelling van allochtonen op de arbeidsmarkt. Er werd een informatie- en klachtenloket opgezet bij de Brusselse Gewestelijke Dienst voor de Arbeidsbemiddeling (BGDA). Dit loket is toegankelijk voor alle Brusselse werklozen die het slachtoffer zijn geworden van discriminatie in hun zoektocht naar werk. Daarnaast organiseert de BGDA opleidingen rond ‘gelijke kansen op de arbeidsmarkt’ voor haar consulenten. Samen met de werkgeversorganisaties en vakbonden worden er eveneens sensibiliseringsacties georganiseerd.7&8 Of deze al bij al zeer vrijblijvende initiatieven echt resultaten hebben opgeleverd, is op dit ogenblik niet duidelijk, maar valt ook sterk te betwijfelen.
Ook op parlementair niveau werd de discriminatie aangepakt. Op initiatief van de Brusselse sp!aga-fractie werd beslist om de Brusselse gewestelijke administratie open te stellen voor niet-Belgen. Ondertussen werd die maatregel ook uitgebreid naar de Brusselse gemeenten en intercommunales. Maar deze maatregel alleen zal de administratie niet representatiever maken. Daarvoor moet er werk gemaakt worden van een actief aanwervingsbeleid, gericht op evenredige participatie.

Naast de twee hierboven geschetste beleidssporen, werden er nog een aantal initiatieven genomen. Zo werd op het vlak van opleiding een eerste stap gezet in het opzetten van beroepsreferentiecentra, waarbij de overheid en bedrijven samen een antwoord proberen te bieden op de vraag naar beroepsopleidingen. Het is de bedoeling om, door een beroep te doen op de beroepssectoren zelf, opleidingen te kunnen aanbieden die aansluiten bij de noden van bedrijven. Zowel de VDAB als Bruxelles Formation9 worden hierbij betrokken en het is de bedoeling dat tweetalige beroepsopleidingen worden ontwikkeld. Op dit ogenblik is er nog maar 1 beroepsreferentiecentrum opgericht, namelijk in de metaalsector.
Om de coördinatie van het Brussels werkgelegenheidsbeleid - met zijn verschillende actoren10 en ingewikkelde bevoegdheidsverdeling tussen gemeenten, gewest en gemeenschappen - te verbeteren werd een elektronisch netwerk van werkgelegenheidsplatformen opgezet. Het initiatief voor het realiseren van het netwerk dateert al van begin 2000. Momenteel zijn slechts 20 van de 130 partners effectief aangesloten. Dit is vooral te wijten aan de ingewikkelde toetredingsprocedure, de strakheid waarmee de BGDA de teugels vasthoudt11 en de onderschatte kostprijs van het project. Het oorspronkelijke budget van ongeveer 2,48 miljoen euro werd verhoogd tot meer dan 6 miljoen euro. Hoewel zo’n netwerk onontbeerlijk is om een efficiënte tewerkstellingspolitiek te garanderen, kan men zich de vraag stellen of er geen fundamenteler probleem is, m.n. de versplintering van bevoegdheden en het groot aantal instellingen en organisaties die in Brussel op het vlak van werkgelegenheid actief zijn.
Om de sociale economie op gang te trekken, werd een samenwerkingsakkoord gesloten tussen de federale overheid en het gewest, waarin een aantal gemeenschappelijke doelstellingen werden geformuleerd en een federale financiering voorzien. Aangezien een algemeen kader voor de ondersteuning van de sociale economie in Brussel vooralsnog ontbreekt (een ordonnantie is in de maak, maar laat op zich wachten), werden de beschikbare middelen in een fonds voor microkredieten gestopt. We kunnen dus stellen dat het geld niet ten goede gekomen is aan sociale economieprojecten en buurtdiensten, waar het samenwerkingsakkoord voor bedoeld was.
In Brussel bleek de invoering van de dienstencheques een moeizame opdracht omwille van de strenge voorwaarden en de administratieve rompslomp om erkend te worden. Dit staat in schril contrast met de uitvoering van dit systeem in Vlaanderen, waar reeds 2.549 jobs gecreëerd werden. Om de uitvoering van het systeem te vergemakkelijken, gebeurt nu zowel de erkenning van de bedrijven, als de volledige financiering van het systeem op federaal niveau. Het is van essentieel belang dat de Brusselse overheid deze keer haar kans grijpt om aan jobcreatie te doen.

Denkpistes voor een efficiënter Brussels werkgelegenheidsbeleid

Een efficiënt tewerkstellingsbeleid veronderstelt dat de verschillende overheden die er actief zijn, hun verantwoordelijkheid opnemen. Het beleid moet gericht zijn op een structurele aanpak van het probleem, op meer samenwerking voor een maximale begeleiding van de werkzoekenden en op een innovatief arbeidsmarktbeleid, gericht op evenredige participatie.

Een actief beleid dat de werkloosheid structureel aanpakt

Naast een grondige evaluatie en hervorming van de Brusselse banenplannen zou een structurele aanpak volgende acties moeten omvatten.

. Arbeidsbeleid en economisch beleid beter op elkaar afstemmen
Het valt op dat er geen link wordt gemaakt tussen het economisch beleid en de doelstellingen op het vlak van werkgelegenheid, zeker als je weet dat beide beleidsdomeinen onder de bevoegdheid van eenzelfde minister vallen. Zo ontbreekt er vandaag een visie over welke sectoren in Brussel nog een werkgelegenheidspotentieel voor de laaggeschoolde Brusselaars kunnen aanbieden. Een gewestelijke prospectiecel die constant op zoek gaat naar tewerkstellingsniches zou hier een oplossing kunnen bieden. Een echt economisch ondersteuningsbeleid zou ook betekenen dat we de creativiteit beter stimuleren en ondersteunen. Naar Vlaams voorbeeld kan er gedacht worden aan een Talentenbank. Zo zou Brussels talent en creativiteit sneller ontdekt worden en zou men hiervoor durfkapitaal kunnen vinden.
Daarnaast moet de interregionale mobiliteit ondersteund worden. We kunnen de werkgelegenheid voor de Brusselaars niet enkel binnen de grenzen van het eigen gewest zoeken, maar moeten integendeel maximaal de werkgelegenheidskansen in de directe omgeving benutten. De rand heeft nu een van de laagste werkloosheidscijfers van het land. In Vlaams Brabant was slechts 4,5% van de mensen in 2001 werkloos. De openstaande vacatures worden er met moeite ingevuld.12&13 Deze jobs worden bijna nooit door Brusselaars ingenomen. De belangrijkste redenen hiervoor zijn de beperkte kennis van het Nederlands, de slechte informatiedoorstroming tussen de VDAB en de BGDA14, de moeilijke bereikbaarheid van de bedrijvencentra in de rand met het openbaar vervoer. Vooral de twee laatste problemen zijn relatief gemakkelijk op te lossen. Nu verloopt de relatie tussen Brussel en Vlaanderen echter veel te stroef. Het belang van de Brusselse werkzoekenden zou hier voor beide partijen echter voorop moeten staan. Een samenwerkingsakkoord tussen het Vlaams en het Brussels Gewest dringt zich hier op.

. Tewerkstelling in de sociale economie en de buurtdiensten
Sociale economie en buurtdiensten in Brussel hebben nog een groot groeipotentieel. Zo is de dienstensector de sector bij uitstek om duurzame tewerkstelling te creëren voor kansengroepen. Sociale economieprojecten creëren ook een maatschappelijke meerwaarde die positieve effecten kunnen genereren voor de leefbaarheid van de stad (bv. door creatie van kinderopvang, bejaardenzorg, renovatie en onderhoud van verloederde buurten, bevorderen van het veiligheidsgevoel, enz.). Mogelijkheden om een sociale economiebeleid in Brussel uit te werken bestaan er genoeg. Zo zijn er verschillende federale kapstokken om een degelijk sociaal inschakelingsbeleid uit te werken binnen de sociale economie. Het gaat bijvoorbeeld om de activeringsprogramma’s (activa en sine), de lastenverlaging en de tewerkstelling in het kader van de OCMW-wetgeving. Ook de dienstencheques kunnen hiervoor aangewend worden. Maar om vooruitgang te boeken is er dringend nood aan een duidelijk kader voor de sociale economie, dat erkenning en subsidiëring regelt op basis van concrete maatschappelijke projecten.

. Werk maken van onderwijs en opleiding
In Brussel zijn gelijke onderwijskansen verre van gerealiseerd. Op dit moment heeft 1 op 4 van de Brusselse schoolverlaters zelfs geen diploma van het hoger secundair onderwijs. Dit betekent dat we minstens 25% van de Brusselse schoolverlaters met weinig toekomstperspectieven de arbeidsmarkt opsturen. Daarom is er nood aan een betere financiering van scholen met een kansarme bevolking. Hier moeten de Gemeenschappen hun verantwoordelijkheid nemen. Aan Vlaamse kant werd een eerste stap gezet met het decreet Gelijke onderwijskansen (GOK). Maar dit decreet maakt maar 1,3% van het globale onderwijsbudget vrij voor de strijd tegen ongelijkheid in het onderwijs. Om echte resultaten te boeken zou het volledige onderwijsbudget in functie van gelijke onderwijskansen verdeeld moeten worden, op basis van objectiveerbare verschillen zoals de schoolgrootte, het opleidingsniveau van de ouders, de thuistaal van de leerlingen en het levensbeschouwelijke aanbod. Het financieringssysteem moet zo opgebouwd worden dat leerlingen uit de zogenaamde ‘risicogroepen’ zwaarder doorwegen voor zowel de loonkosten als voor de werkings- en de investeringsmiddelen van de school.15
Naast een betere financiering, moeten onderwijs en opleiding ook beter aansluiten bij de noden op de arbeidsmarkt. In Brussel bestaan er op dit moment een groot aantal knelpuntberoepen, d.w.z. beroepen waarvoor werkgevers hun vacatures niet krijgen ingevuld. Heel wat van deze beroepen zijn technisch van aard. De gemeenschappen zouden in Brussel hun technisch- en beroepsonderwijs beter op deze knelpunten moeten laten aansluiten. Dit geldt zeker voor het Nederlandstalig onderwijs in Brussel, dat op dit ogenblik zeer weinig technisch- en beroepsonderwijs aanbiedt. Wanneer wij in Brussel een technisch- en beroepsonderwijs willen organiseren dat maximale kansen biedt op tewerkstelling, dan gebeurt dit best in samenwerking met de bedrijven zelf. Zij weten namelijk als geen ander wat hun noden zijn, wat de nieuwe ontwikkelingen zijn op het vlak van materiaal en technieken, enz.
Om de Brusselaars meer kansen te bieden op de arbeidsmarkt, zullen we ook moeten werken aan hun tweetaligheid. De Franse Gemeenschap en de Vlaamse Gemeenschap zullen werk moeten maken van een beter taalonderwijs en van een groter aanbod aan taalcursussen. Wij pleiten hier voor een gezamenlijke actieplan dat zoveel mogelijk het beleid van de twee gemeenschappen op elkaar afstemt en versterkt. Zo zou het taalonderwijs in Brussel een nieuwe impuls kunnen krijgen door het uitwisselen van leerkrachten, door de uitwisseling van pedagogische kennis en door het opzetten van gezamenlijke tweetalige projecten.

Meer coördinatie voor een maximale begeleiding van de werkzoekende

. Een éénloketsysteem op lokaal niveau: de lokale werkgelegenheidscentra.
De werkzoekende heeft het recht om te worden opgevangen in een laagdrempelig trajectmodel waarbij men hem een samenhangend pakket van opleiding en werkervaring aanbiedt en waarbij tegelijkertijd wordt bemiddeld naar werk. Het elektronisch uitwisselingssysteem dat nu in Brussel op poten is gezet, is een stap in de goede richting, maar is onvoldoende. Er moet een echt transparant systeem komen, waarbij de werkzoekende zich slechts op één bepaald punt dient aan te melden, zoals dit in Vlaanderen het geval is met de Werkwinkels. Dit veronderstelt een goede samenwerking tussen BGDA, VDAB, FOREM, OCMW’s, lokale besturen en opleidings- en tewerkstellingsactoren. Het begeleidingsaanbod moet zo ruim mogelijk bekend zijn. Hiertoe is een lokale verankering cruciaal.
Brussel zou ook een verhoogde aandacht moeten hebben voor haar schoolverlaters zonder of met nauwelijks werkervaring. Alle schoolverlaters die na zes maanden nog geen werk hebben gevonden zouden door de BGDA opgeroepen moeten worden om een sollicitatietraining of een opleiding op de werkvloer te volgen die hen uitzicht geeft op een job. Tijdens hun opleiding zouden ze kunnen genieten van een uitkering en een premie.16 Een verhoogde begeleiding zal ongetwijfeld een positief effect hebben op de ‘zoekmoeheid’ die bij sommige langdurige werklozen optreedt. Begeleiding brengt ook een grotere controle met zich mee. Want tegenover het recht op werkloosheidsuitkeringen staat ook een verplichting. Een werkloze moet beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt en moet ook een inspanning doen om de arbeidsmarkt te betreden. Federaal Minister Frank Vandenbroucke heeft aangekondigd dat hij de controles op langdurige werklozen wil verhogen. Het is dan ook de plicht van de overheid om voor een degelijke begeleiding te zorgen, zodat de werkwillige werkzoekende alle kansen krijgt om een job te vinden.

Een innovatief arbeidsmarktbeleid, gericht op evenredige participatie

. De voorbeeldrol van de overheid
Wanneer het gaat over de werkgelegenheid van de Brusselaars, moeten de verschillende Brusselse overheden ook in eigen boezem durven kijken. Zo werken er in heel wat Brusselse administraties en overheidsinstellingen relatief weinig Brusselaars. Voor de Brusselse gewestelijke administratie is dit bijvoorbeeld slechts 56%. Het Brussels Gewest heeft al een voorbeeldrol gespeeld door de openstelling van het openbaar ambt voor niet-EU-burgers. Maar de Brusselse overheid mag het hier niet bij laten en zou een actief aanwervingsbeleid moeten voeren om van haar administratie ook een spiegel te maken van de Brusselse samenleving. Daarbij zou de goedkeuring van een ordonnantie op de evenredige participatie op de arbeidsmarkt ons al vooruit helpen.

. Diversiteitsbeleid promoten bij bedrijven
Om de toegang tot de arbeidsmarkt voor alle bevolkingsgroepen (jong/oud, allochtoon/autochtoon, laaggeschoold/hooggeschoold) te garanderen, zullen bedrijven zelf programma’s moeten ontwikkelen om nieuwkomers te onthalen en werknemers van diverse culturele achtergronden, gehandicapten en andere doelgroepen beter met elkaar te laten omgaan. Zulke diversiteitsplannen zijn maatwerk, toegespitst op de concrete situatie van de organisatie, waarbij een brede waaier van acties denkbaar zijn: het optimaliseren van het selectie-, wervings- of onthaalbeleid; het ontwikkelen van een aangepast opleidingsbeleid voor kansengroepen; leeftijdsbewust personeelsbeleid; competentiemanagement e.d.17

Besluit

Ik ben er mij van bewust dat deze bijdrage slechts een fragmentair beeld geeft van de uitdagingen op het vlak van tewerkstelling in Brussel en ongetwijfeld diepgang mist. Ik wou vooral duidelijk maken dat er nog heel wat te doen valt, maar dat men - met een structurele aanpak en een goede samenwerking tussen de verschillende actoren - een serieuze stap vooruit kan zetten.
Zoals ik in de inleiding reeds schreef, is dit een eerste aanzet tot discussie. Die discussie moet uitmonden in de Ronde Tafel over tewerkstelling die ik op 2 maart in het Brussels Parlement organiseer. Opmerkingen zijn welkom (yamila.idrissi@vlaamsparlement.be).

Yamila Idrissi
Brussels en Vlaams Parlementslid (sp.a)

cartoon: © Arnout Fierens

Noten
1/ Toespraak van Jan Smets van 19 september 2003: Alle hens aan dek voor werk. Onze jobachterstand op Europa inhalen.
2/ Ter vergelijking: voor heel België is het werkloosheidscijfer vandaag 12,7%.
3/ Onder laaggeschoold wordt verstaan: diegenen die geen diploma van het hoger secundair onderwijs hebben (36,5%), en diegenen die een buitenlands diploma hebben dat niet door België wordt erkend (31,2%).
4/ Evolutie van de Brusselse arbeidsmarkt: tussen dynamisme en dualiteit. Brussel, BGDA, 2003, p. 92.
5/ Ter vergelijking, de werkloosheidsgraad voor dezelfde leeftijdscategorie bedraagt gemiddeld 11,6% in het Vlaams Gewest, 26,5% in het Waals Gewest en 17,1% in België.
6/ Het gaat om 1.500 Gesubsidieerde Contractuelen (Gesco’s) voor de gemeenten, 5.000 Gesco’s voor de non-profitsector en 600 jobs in het kader van Doorstromingsprogramma’s (DSP). Brussels Hoofdstedelijke Raad, Stuk A-490/4 (2003-2004), p. 326.
7/ Brusselse Hoofdstedelijke Raad, Stuk A-182/3 (2000/2001).
8/ Vraag nr. 163, Bulletin van Vragen en Antwoorden, Brusselse Hoofdstedelijke Raad, 15 december 2003, pp. 3523 - 3524.
9/ Bruxelles Formation is een publieke instelling, paritair beheerd door vakbonden en werkgevers, die instaat voor de opleiding van Franstaligen in Brussel.
10/ Het Brussels Gewest, de 19 OCMW’s, de ‘Missions locales’, vzw’s actief op het vlak van socio-professionele inschakeling, de Jobwerkbanken, Bruxelles-Formation, VDAB en een aantal vzw’s actief op vlak van opleiding.
11/ Voor de VDAB, Bruxelles-Formation en de vzw’s, die actief zijn op het vlak van opleiding, zal de toegang tot het netwerk beperkt blijven tot het domein ‘opleiding’.
12/ B.v. Drogenbos (UCB Chemicals), Zaventem (ASCO Industries, luchthaven, Rank Xerox), Machelen (Wolters Kluwer), Kapelle-op-den-Bos (Eternit), Beersel (Siemens).
13/ Steunpunt WAV, VIONA Stuurgroep Stategisch Arbeidsmarktonderzoek (2002) De arbeidsmarkt in Vlaanderen. Deel 3. Lokale arbeidsmarkten in België op de kaart gezet. Antwerpen, Garant Uitgevers.
14/ Werklozen worden nu door de BGDA nauwelijks doorverwezen naar jobs in Vlaanderen. Ook is het bijvoorbeeld onmogelijk om WIS-computers van de VDAB op Brussels grondgebied te zetten.
15/ sp.a Brussel - Standpunt onderwijs, pag.3.
16/ Dit systeem bestaat reeds in Vlaanderen onder de term JOB-kaart. JOB staat voor Jongeren-Opleidings-Baan.
17/ De diversiteitsplannen bestaan reeds in Vlaanderen.

werkloosheid - tewerkstelling - allochtonen

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 2 (februari), pagina 23 tot 29