Abonneer Log in

Innovatiebeleid en duurzame ontwikkeling

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 2 (februari), pagina 45 tot 54

Als Paul Zeeuwts het innovatiebeleid van de Derde Generatie bepleit1 - terecht overigens -, dan kan men tegelijk overwegen om dit beleid een centrale plaats te geven in de beleidsplannen rond duurzame ontwikkeling. Terwijl de context duurzame ontwikkeling aan het innovatiebeleid een kader van maatschappelijke doelstellingen en waarden kan geven, levert dat innovatiebeleid een proces om die doelstellingen te concretiseren.

Er circuleren vele definities van duurzame ontwikkeling, maar meestal grijpt men terug naar die van de Brundtland Commissie: ‘Duurzame ontwikkeling is een ontwikkeling die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generaties, zonder de behoeftebevrediging van de komende generaties in het gedrang te brengen.’ 2 Deze commissie had zeker geen enge materialistische kijk op de behoeften. Feit is evenwel dat de materiële aspecten van de behoeftebevrediging, vandaag en op langere termijn steeds meer ernstige problemen met zich meebrengen: milieuproblemen zeggen sommigen, maar de schaarse watervoorraden zijn mede oorzaak van het Israëlisch-Palestijns conflict. De toegang tot olie- en gasvoorraden is een belangrijke verklaring voor het imperialistisch gedrag van Bush en co. ‘Milieuproblemen’ is dus iets te zacht uitgedrukt.
De wereldbevolking zal nog toenemen met meerdere miljarden en de minstbedeelden hebben zeker recht op meer materiële welstand. Als men al die bekommernissen in rekening brengt dan zal er fors gesleuteld moeten worden aan de productie en consumptie, tenminste wanneer men de draagkracht van de planeet wil respecteren.
De belangen van de toekomstige generaties worden wel eens herleid tot een stel ecologische criteria, verwijzend naar het belang van het ‘natuurlijk kapitaal’ dat ze zullen erven. De kwaliteit van hun erfenis mag echter niet tot de kwaliteit van het natuurlijk kapitaal verengd worden. Het maakt immers een groot verschil als je naast wat schamele resten fossiele brandstoffen ook een operationeel systeem van hernieuwbare energiebronnen erft. Er is ook een verschil tussen kernafval mét een budget voor het beheer daarvan, en kernafval zonder dergelijk budget. Wat onze nakomelingen erven is een technologisch systeem dat niet of wel toereikend is en al dan niet op efficiënte manier omspringt met de schaarse natuurlijke hulpbronnen. En dat systeem moet niet op papier staan, maar operationeel zijn, of minstens in volle ontwikkeling. Vandaag hebben de optimistische beloften inzake zonne-energie en waterstoftechnologie waarmee de multinationals uitpakken veeleer als effect dat ze een snelle uitputting van fossiele brandstoffen verantwoorden. Concrete toepassingen zijn alsnog marginaal en men kan de technologisch optimistische sfeer gemakkelijk bederven met rapporten die nog tal van technische problemen signaleren.

Factor 4, 10 of 20

Om de technologische uitdaging kort samen te vatten worden wel eens de codewoorden ‘factor 4’ of ‘factor 10’ gebruikt. Factor 4 is het resultaat van volgende berekening:
- willen we alle mensen in de wereld een redelijk comfort aanbieden dan moet het globale aanbod van goederen en diensten (welvaart) verdubbelen;
- tegelijk moet de druk op het milieu (gebruik van grondstofgebruik, emissies …) gehalveerd worden.
De eco-efficiëntie van productie- en consumptie (milieudruk per eenheid ‘welvaart’) moet dus met een factor 4 toenemen (de milieudruk moet dus met 75% dalen). Sommigen komen uit bij een factor 10 en nog anderen bij een factor 20, wanneer ze iets preciezer gingen berekenen met hoeveel de eco-efficiëntie in de rijke landen moet toenemen als men een duurzame wereld wil realiseren. Dat is dus een reductie van de milieudruk met 90 tot 95 procent, binnen een termijn van pakweg 50 tot 100 jaar.
Dit wil niet zeggen dat woningen tien maal kleiner moeten worden. Soberheid kan helpen, maar met een langere levensduur van producten en meer hergebruik of recyclage komt men ook al een heel eind op weg.
Waar vele ingewijden het wel over eens zijn is dat men een factor 10 in heel wat sectoren zoals energievoorzieningen, transport en huisvesting, niet kan realiseren zolang men blijft steken in het optimaliseren van de gangbare praktijk. Ze pleiten dan voor ‘systeeminnovatie’, waarbij technologische ontwikkeling niet langer gereduceerd wordt tot een probleem voor ingenieurs, maar veeleer beschouwd wordt als een onderdeel of afgeleide van een breder sociaal-cultureel proces.
Het maatschappelijk systeem dat technologie kiest en maakt moet ‘bijgestuurd’ worden. Weliswaar voegt men daar direct aan toe dat dit maatschappelijk systeem uiterst complex is en dat de sturing dan ook niet gebaseerd moet zijn op een simplistische blauwdruk. Men kan wel de term ‘sturen’ handhaven, in de zin dat men wel een doelgericht beleid wil blijven voeren. Het doel wordt evenwel niet gedefinieerd zoals de utopieën van weleer waarin alles min of meer gedetailleerd werd vastgelegd. Het doel is duurzaamheid en dat wordt hooguit nader omschreven middels een aantal sociale, ecologische en economische criteria en ambities die men nastreeft. Maar hoe de wereld er dan precies uit gaat zien, dat zal pas binnen 20, 50 of 100 jaar duidelijker worden. Weliswaar kan men vandaag schetsen maken van mogelijke uitkomsten, duurzame werelden, maar men laat best de verschillende utopieën naast mekaar bestaan, wetende dat het streven naar consensus kan uitmonden in een eindeloos debat over geluk, vrijheid en solidariteit, de verhouding privaat-publiek, etcetera…Het is niet verstandig om te wachten op een consensus terzake, zo weten de filosofen.
Als men echter verschillende utopieën (eindbeelden) naast mekaar behoudt, dan kan men daaruit wel een beleid destilleren dat in eerste instantie gericht is op het openhouden van alle mogelijke duurzame opties (het wenselijke in al zijn variaties mogelijk maken en houden). Duurzame ontwikkeling houdt dus in dat men de corridor bewaakt waarbinnen men een weg kan zoeken naar een of ander compromis tussen de geschetste utopieën, een compromis dat we echter vandaag niet kennen. Naarmate kennis evolueert kunnen overigens nieuwe utopieën opduiken, andere afgekeurd worden of zullen utopieën gecombineerd worden.3
Het bewaken van de corridor kan bijvoorbeeld bestaan uit de bestrijding van monopolievorming of machtsconcentraties. Democratie zowel in de politiek als in de economie is essentieel. Soms kan de bescherming van de corridor ook een technisch concrete invulling krijgen. Stel bijvoorbeeld dat de meeste duurzame eindbeelden een energiesysteem delen waarin fotovoltaïsche zonnecellen een belangrijke rol moeten spelen. Die technologie is vandaag nog relatief duur, maar men weet dat die op termijn mogelijks een stuk goedkoper wordt. In elk geval kan men de woning die vandaag wordt gebouwd voorzien van een vlak (muur of dak) - gericht op het zuiden - waar later panelen op gemonteerd kunnen worden. Of die panelen er dan komen en zo ja wanneer, mag alsnog onbeantwoord blijven, maar de piste ligt dus wel open.

Toekomstverkenningen

Uit bovenstaande mag blijken dat het bewaken van de corridor ondersteund moet worden door toekomstverkenningen. Niet alleen om een overzicht te krijgen van alle gewenste opties (utopieën), maar vooral om na te gaan welke ontwikkelingen de corridor openhouden en welke ontwikkelingen ons in een niet-duurzame piste vast rijden. Het gaat dus om normatieve toekomstverkenningen, verkenningen die onderzoeken middels welke paden men maatschappelijk gewenste ontwikkelingen mogelijk maakt. Men zal dus niet alleen bepalen welke ontwikkelingen waarschijnlijk zijn (‘voorspellingen’), maar evenzeer nagaan welke gewenst en mogelijk zijn. Belangrijk is ook dat de toekomstverkenningen niet alleen aandacht hebben voor de technologie, maar ook voor de culturele en maatschappelijke context waarin bepaalde technologische ontwikkelingen al dan niet kunnen gedijen.

Experimenten

Wat gebeurt er dan binnen de corridor? Er wordt vooral geëxperimenteerd. Om een juist beeld te schetsen van wat een ‘experiment’ is, lijkt mij de biologische landbouw een goed voorbeeld. De mensen die in deze sector werken hebben hun ‘utopie’ en proberen die te verwezenlijken, met vallen en opstaan. Ze zijn klein begonnen, maar hebben de afgelopen decennia geen slechte resultaten geboekt. Niet alleen is hun technologie goed ontwikkeld, maar evenzeer hebben ze de noodzakelijke marketinginstrumenten ontwikkeld, waarbij het Biogarantie-label (en verwante keurmerken in andere regio’s en landen) een cruciale rol speelt. Hiermee beschikken zij over een eenduidig en betrouwbaar ‘teken’ waarmee de consument hun producten kan onderscheiden van de rest. De sector kan ook bewijzen dat hij op ecologisch vlak belangrijke meerwaarden creëert en omdat alles op transparante en verifieerbare wijze gebeurt, kunnen overheid en ethische beleggers hem ook ondersteunen.
De sector lijdt weliswaar nog onder een te lage productiviteit (hoge distributiekosten vanwege kleine omzet), maar er wordt middels ketenbeheer aan gewerkt. De populariteit van zijn producten bij het publiek stijgt. Belangrijk is wel dat deze sector op geen enkel manier andere ontwikkelingen in de landbouw in de weg staat. Ze doen hun ding en hinderen niemand. Juist dat laatste kan de ggo-business (het andere experiment met genetisch gemanipuleerde organismen) niet hardmaken.
De biologische sector is een prachtig en (deels) geslaagd experiment, maar men zou wel eens een grote fout kunnen maken als deze technologie wordt uitgeroepen tot de enige ware duurzame land- en tuinbouw. Van dan af wordt het een monopolie en dat willen we juist bestrijden. Wie monopolies aanvaardt, moet er rekening mee houden dat het monopolie gebaseerd had kunnen zijn op monocultuur, ggo’s en pesticiden (ook allemaal utopieën).
De overheid kan de biologische sector dus wel steunen, omdat hij meerwaarde creëert op transparante en verifieerbare wijze, maar vooral omdat de sector geen monopolie vormt dat andere opties verstoort. Men is overigens vrij om zich als boer of consument aan de criteria van het Biogarantie-label te onderwerpen.
De vegetarische keuken is een ander experiment, waar overigens blijkt dat men aansluiting kan zoeken vanuit verschillende motieven (sommigen hebben veel erbarmen voor beesten, anderen vinden het gezonder en nog anderen focussen op de energieverspilling die met vleesproductie en -consumptie gepaard gaat). Zolang het vegetarisme niet verplicht wordt, blijft het - zoals biologische producten - een verrijking. Jammer genoeg hebben niet alle consumenten dit begrepen, maar de vegetarische keuken verbreedt dus wel degelijk hun opties, zoals ook de Italiaanse, Chinese en Turkse keuken onze dis heeft verrijkt. Niemand zegt dat men alle dagen vegetarisch moet eten. Maar wie het nooit doet, beperkt zijn mogelijkheden. Vegetarisme hindert andere opties niet. Diegenen die verwachten dat vegetarisme door de staat als ultieme utopie verkozen moet worden, riskeren opgezadeld te worden met een andere monopolie (het frietkot bijvoorbeeld).

De kip en het ei

Weliswaar kan de overheid ook voor de biologische landbouw en vegetarisme onderzoek en ontwikkeling ondersteunen, zoals dat in andere sectoren het geval is, maar deze technologieën moeten uiteindelijk wel zelf bewijzen dat ze economisch leefbaar en sociaal acceptabel zijn.
De fiscaliteit moet rechtvaardiger worden, en dat wil zeggen dat die niet alleen groener wordt maar ook nog verder gaat in herverdeling van welvaart.
Men moet evenwel opletten voor de beruchte kip en haar ei. Wat komt er eerst: een groenere fiscaliteit die vervolgens de biologische landbouw aanzwengelt, of een slagkrachtige biologische landbouw die draagvlak creëert voor de vergroening van de fiscaliteit? Geen van beide. Biologische landbouw en groene fiscaliteit versterken mekaar. Daarom is het zo belangrijk om alles uit de kan te halen wat de biologische sector kan versterken, zonder zich blind te staren op het mirakel ‘internalisering van de milieukosten’, waarop men wel eens lang kan zitten wachten.
Wellicht is de verstandigste optie om een algemeen programma ter verduurzaming van de fiscaliteit te lanceren, waarin bijvoorbeeld wordt aangekondigd dat heffingen op milieugebruik een steeds groter deel van de overheidsinkomsten zullen verzekeren, terwijl de belasting op arbeid afneemt. Men kan bijvoorbeeld aankondigen dat het aandeel inkomsten uit milieuheffingen jaarlijks toeneemt met 0,5%. Daarmee weten alle actoren dat gebruik van water, bodem, energie en grondstoffen duurder kunnen worden. Het effect van de heffingen vergroot omdat de consument nu weet dat elke vorm van milieugebruik potentiëel voorwerp kan worden van een heffing. Omdat de heffingen geleidelijk worden ingevoerd blijven de sociale effecten klein. De duurzame consumenten en producenten krijgen de tijd om te anticiperen en door wijziging van gedrag de heffing ontwijken.
Er zijn nog andere maatregelen waarmee biologische landbouw geholpen kan worden: het openbaar aankoop- en aanbestedingsbeleid, ethisch beleggen, sociale economie, multifunctionele boerderijen (landbouw, natuurbeheer, toerisme, educatie,…), betere marketing en iets meer engagement bij de grotere distributieketens…en tenslotte: de consument. Laatste wordt vaak een heel rationele homo economicus als de prijs van biologische producten ter sprake komt, maar vijf minuten later valt hij/zij wel voor het ‘betere merk’ dat vanzelfsprekend duurder mag zijn. Is Biogarantie geen beter merk?
Men moet die consumenten - waartoe ik behoor - niet teveel gelijk geven.

Normen

Het feit dat de overheid niet beslist wat ‘duurzaam’ is, met andere woorden niet dé utopie kiest, wil nog niet zeggen dat de overheid geen normen of regels hanteert. Er moet evenwel een verschil gemaakt worden tussen normen waarover men een consensus kan bereiken en normen die afgeleid zouden worden van het begrip ‘duurzaamheid’.
De normen waarover men een consensus kan bereiken zijn meestal gebaseerd op objectief of intersubjectief vastgestelde fatsoensgrenzen (geen olie in kippenvoer), ofwel op datgene wat vandaag of op korte termijn haalbaar is, gegeven de sociaaleconomische context. De lat ligt daar vaak laag, dat is onmiskenbaar juist. Dit wil echter niet zeggen dat men ze binnen de kortste keren naar het niveau ‘duurzaam’ moet willen tillen. Duurzaamheid is in elk geval een evenwichtsoefening waarbij sociaaleconomische en ecologische ambities moeten verzoend worden. Maar die oefening moet niet gedaan worden rond een tafel waaraan ondernemers, vakbonden en milieubeweging zetelen. Die oefening moet op het terrein gebeuren, letterlijk op het veld…zoals de biologische landbouw dat doet. Middels experimenten moet men tot de oplossing komen. Naarmate die experimenten succes opleveren zal dan het draagvlak vergroten om de minimumnormen op te krikken (of de fiscaliteit bij te sturen) en dat vergroot weer de slagkracht van de duurzame experimenten.
Het middenveld kan wel een belangrijke rol spelen bij toekomstverkenningen. Betrokken organisaties hebben vaak veel kennis in huis die het inzicht in waarschijnlijke, mogelijke of gewenste ontwikkelingen kunnen vergroten. Hoewel er geen deugdelijke consensus mag verwacht worden over wettelijke afdwingbare normen die afgeleid zijn van het criterium duurzaamheid (streefwaarden) kan het middenveld wel werk maken van de ontwikkeling van benchmarks, een verzameling van indicatoren met langetermijnstreefwaarden, die de experimenterende actoren op het terrein helpt bij het bepalen van aandachtspunten in hun acties (duurzaamheidskompas). Tenslotte mag ook gesteld worden dat de vrije associaties die op duurzaamheid gerichte innovatieprojecten op poten zetten, er meestal alle belang bij hebben om het middenveld erbij te betrekken als raadgevers (stakeholders).

Beleid

Het gangbare beleid is reeds tientallen jaren bezig met het geleidelijk opkrikken van de minimale normen en de optimalisatie van verschillende beleidsdomeinen (mobiliteit, onderwijs,…) in de actuele sociaaleconomische context. Als men naast dit gangbare beleid ook nog eens een beleid duurzame ontwikkeling wil voeren dan zou dit laatste zich kunnen toespitsen op toekomstverkenningen, corridorbewaking en duurzame experimenten die gesteund worden door transversale samenwerking van verschillende beleidsdepartementen op verschillende beleidsniveau’s (EU, België, Vlaanderen, gemeente).
Er is dan al heel wat werk aan de winkel: de experimenten zullen niet alleen moeten uitwijzen wat duurzame landbouw wordt, maar ook duurzame mobiliteit, duurzaam wonen, duurzame elektriciteitsproductie, duurzaam toerisme, enzovoort, enzovoort. Bovendien moeten ze op zo’n tempo en in voldoende omvang plaatsvinden dat ze binnen pakweg 50 tot 100 jaar een vergroting van de eco-efficiëntie met factor 10 opleveren.
Wat is het alternatief, ten opzichte van deze experimentele zoektocht? Een blauwdruk, waarvan de uitvoering door de staat wordt gedirigeerd? Elke poging om dat soort blauwdrukken te produceren eindigt bij een plan duurzame ontwikkeling waarin wat extra acties op sociaal, economisch en milieuvlak worden opgesomd. Daarvoor heeft men het concept duurzame ontwikkeling niet nodig en kon men die evengoed in de regeerverklaring schrijven. Evenmin zal de integratie van milieucriteria in andere beleidsdomeinen tot duurzaamheid leiden. Als elk minister in zijn besluitvorming rekening houdt met milieuaspecten, dan kan dat weliswaar milieuwinst opleveren - en daarom moeten ze dat ook doen - maar geen factor 10.
Om de experimentele zoektocht succesvol te laten verlopen is het evenwel noodzakelijk om de innovaties die men daar nastreeft - want daar gaat het om - met een innovatiebeleid van de tweede en derde generatie aanpakt, zoals Paul Zeeuwts die bepleit. Ik ga de uiteenzetting van Zeeuwts hier niet herhalen, maar koppel zijn beleidsvoorstellen aan het duurzame transitiemanagement dat zich richt op een pluralistische korf van eindbeelden (utopieën).4 De hele theorie en het institutioneel kader dat beide met mekaar verbindt moet wellicht ook al tot stand komen via een leerproces waaraan de experimenten zullen moeten bijdragen. In elk geval is het dus wel noodzakelijk dat alle beleidsdepartementen hier hun inbreng hebben en elk op hun manier de duurzame experimentele zoektocht ondersteunen.

Het systeem

Cruciaal is steeds de ‘systemische’ benadering en het inzicht dat de duurzame technologie die men zoekt het product is van een sociaal systeem (interactie tussen publieke en private actoren, producenten en consumenten). Om het te illustreren met huisvesting: duurzaamheid bereikt men niet alleen door technische bijsturingen van de huidige bouwpraktijk. Men moet niet alleen de bouwmaterialen in vraag stellen, recycleerbaarheid bevorderen en andere bouwtechnische aspecten viseren, maar tegelijk ook de hele wooncultuur. Het technisch systeem dat woningen voorbrengt is een complexe interactie van consumenten, architecten, ondernemers, overheid, enzovoort. Het is het ‘gedrag’ van dat systeem dat men moet verduurzamen. Zonder die systemische aanpak (waarin dus ook culturele en institutionele parameters moeten worden geviseerd) kan men geen win-winsituatie creëren waarbij milieuvriendelijk kan samengaan met betaalbaar. Als men de huidige bouwcultuur eco-efficiënt wil maken, dan stuit je effectief op een financiële barrière en in het ergste geval verzeilt men in eindeloze discussies over ecotaxen en ecoboni. Duurzaam wonen zal het resultaat zijn van een sociaal, economisch en ecologisch performant ‘bouwend systeem’ en dat bestaat uit vaardige mensen die goed kunnen samenwerken. Sociale, economische en ecologische aspecten zijn even belangrijk, en de algemene performantie zal niet groter zijn dan de zwakste poot.
Het systeem is in elk geval ingebed in een cultuur en dat is eveneens een belangrijk aspect waaraan men moet werken. Passend is bijvoorbeeld een kritiek op de vermeende waarheid: ‘Vlamingen hebben een baksteen in hun maag.’ Dit is niet juist. Vele Vlamingen worden zenuwachtig als ze moeten verbouwen en zien het als een noodzakelijk kwaad. Evenmin dromen alle Vlamingen van een villa in het groen. Dat meerdere Vlamingen graag een woning in eigendom hebben en dat zien als een ‘zekerheid’ mag kloppen, maar evenmin veralgemeend worden.
Er zijn nog concepten die men kan bestrijden: ‘het huis voor het leven’ bijvoorbeeld. Waarom zou men niet eerst in een kleiner huis wonen, vervolgens - met de kinderen - in een groter woning, om - als de kroost het huis uit is - te verkassen naar een flat op maat van een koppel dat het grasmaaien ondertussen beu is geworden? Velen doen dat nu al, al wordt de laatste fase vaak lang uitgesteld, waarschijnlijk omdat men denkt dat een huis ‘voor het leven’ moet zijn. Soms verhuist men niet omdat men niet weg wil gaan uit de wijk. Daarop moet men beleidsmatig reageren door het ontwikkelen van wijken met een mix van grotere en kleinere woningen. In wijken met jonge gezinnen kan weliswaar een school worden ingeplant, maar als de kinderen weg zijn moet men die school eventueel een andere functie kunnen geven.
De ‘open woning’, de villa - waar sommigen van dromen - zou iets vaker geprofileerd mogen worden als een woning met uitzicht op twee andere ‘open woningen’ die zes meter verder staan. Het uitzicht reikt dus niet veel verder dan die van een rijwoning. Men heeft dan nodeloos geïnvesteerd in buitenmuren, buitenschrijnwerk en sparren waarmee de confrontatie met de buren wordt toegedekt. Ik hoor al lezers zuchten die de optie ‘villa’ willen openhouden. Die optie mag openblijven, maar men moet de mensen ook niet wijsmaken dat ze hun ding in een open ruimte met veel groen zullen kunnen doen, zoals in de lifestyle-magazines. Dergelijke verkavelingen zijn uiterst schaars en duur. Overigens mag hier bevestigd worden dat neoliberalisme niet verzoend kan worden met duurzame ontwikkeling. Laten we dan ook niet onze tijd verspillen aan de hypothese dat er een lineair verband is tussen geluk en het aantal buitenmuren.
Overigens moet duidelijk zijn dat naast de open woning nog tal van andere opties bestaan, opties die veel aantrekkelijker kunnen zijn dan de klassieke straat met rijwoningen. Het concept ‘begijnhof’ bijvoorbeeld: woningen rond een verkeersvrij binnenplein.
Zoals blijkt, leiden culturele overwegingen al snel tot beleidsvoorstellen op sociaal-organisatorisch vlak. Innovatie is dus niet noodzakelijk ‘technische vernieuwing’ (in enge natuurwetenschappelijke zin). Overigens, nogal wat gesubsidieerde prototypes van duurzame woningen die her en der worden neergepoot en vooral de klemtoon leggen op het technische, geven totaal verkeerde signalen. Men heeft dan de neiging om die woningen ook een heel apart uitzicht mee te geven, waardoor meer consumenten worden afgeschrikt dan er worden overtuigd. Ik pleit hier niet voor eenheidsworst, maar de boodschap dat ecologisch ook ‘gewoon’ kan zijn is belangrijk. Andere foute boodschap is bijvoorbeeld de focus op het fotovoltaïsche zonnepaneel. Vraagt de consument: wat kost dat? En ja hoor: duur. Waaruit vele consumenten concluderen: duurzaam bouwen is duur?
Maar deze zonnecellen zijn voorlopig enkel goed voor autarkische zielen die tot het uiterste willen gaan - wat ik kan appreciëren. Die zonnecellen moet je dus niet noodzakelijk aanbevelen bij het ‘doorsnee’ gezin dat zich beter eerst concentreert op die duurzame dingen die niet duur zijn en heel vaak zelfs goedkoper (een trap uit Noord-Europees naaldhout bijvoorbeeld, i.p.v. mahoniehout).
Het is altijd productiever als men huizen in groep kan bouwen. De verhoogde productiviteit kan ruimte creëren om de lat hoger te leggen op ecologisch vlak. Er zijn organisaties die focussen op ‘groepsprojecten’ en de verhoogde productiviteit niet alleen vertalen in lagere kosten, maar ook in kwalitatieve meerwaarden.5 De tendens om sociale woningen te laten aankopen door hun bewoners, om vervolgens de kluiten in nieuwe projecten te investeren, opent hier interessante perspectieven.
Om het hele ‘bouwende systeem’ en de duurzame ontwikkeling daarvan te beschrijven zou een nummer van Sampol niet volstaan. Men zou de rol van banken moeten belichten, het ethisch beleggen, publiek-private samenwerking (third party financing), mobiliteit, ruimtelijke ordening, demografische ontwikkelingen, de energievoorziening (warmtekrachtkoppeling, …) …en last but not least: de bouwmaterialen en bouwtechnologie.
Op vele terreinen zullen overigens verschillende visies circuleren inzake de betekenis van bepaalde deelaspecten en de rol die ze kunnen/moeten spelen in het duurzaam innovatiebeleid. Alleen experimenten op het terrein kunnen daarover uitsluitsel geven. Ook inzake bouwmaterialen is het Vlaams Instituut voor Bio-Ecologisch Bouwen (VIBE)6 slechts een bepaalde ‘school’ die naast andere het begrip ‘duurzaam’ hanteren. Terzake heeft VIBE zeker een verdienste, maar sommigen gaan te ver wanneer ze duurzaam bouwen gelijk stellen met de implementatie van de normen en/of waarden die VIBE zichzelf heeft opgelegd. VIBE is een vrije associatie van actoren die een bepaalde bouwmethode propageren en toepassen. Door samenwerking vergroten zij hun slagkracht en versnellen zij de innovaties die ze beogen. Hoewel op ecologisch vlak VIBE misschien tot de beteren behoort, moet men voorkomen dat een beleid dat duurzaam bouwen nastreeft zich gaat fixeren op de universalisering van de normen die VIBE zichzelf heeft opgelegd. VIBE is juist kunnen ontstaan in een context waarin er geen ‘ware’ bouwnormen bestaan. En dat moeten we zo houden.

High Tech

In de voorbeelden die hierboven zijn aangekaart werden technologieën zoals biologische landbouw en vegetarisme aangekaart, omdat dit zaken zijn die de meeste lezers allicht kennen. Het is evenwel noodzakelijk om te beklemtonen dat een duurzame maatschappij gebouwd zal worden op heel veel ‘high tech’ en dat er dus geen gebrek zal zijn aan biotechnologie, nanotechnologie, nieuwe materialen, automatisering en geavanceerde informatie- en communicatietechnologie.
Essentieel is echter wel de vaststelling dat het niet alleen gaat om ‘high tech’, maar dat het evengoed kan gaan om ‘simpele’ dingen en in sommige gevallen herwaardering van traditionele technologie. Nogal wat ingewijden verwachten dat verduurzaming gepaard zal gaan met de ontwikkeling van een diensteneconomie, waarin men bijvoorbeeld niet langer een PC koopt, maar huurt (de service bestaat dan uit regelmatig ‘upgraden’ van het apparaat, zodat de levensduur van (de onderdelen) van een PC verdubbelt tot verviervoudigt (factor 2 tot 4).
Evenmin kan men bij voorbaat kiezen tussen kleinschalige of grootschalige productie. Per product of dienst kunnen voor- en nadelen van beide opties tot andere keuzen leiden. Overigens is het moeilijk om vooraf te kiezen, omdat men eigenlijk geen zicht heeft op de ontwikkeling van de verhouding tussen de mensen en hun arbeid. Blijven ze ‘vervreemde’ loonslaven? Belangrijk is de vaststelling dat het vooral gaat om de innovatie van maatschappelijk relaties en cultuur en de visie op arbeid zal daarin een belangrijke factor zijn.
Tenslotte moet nog een potentieel misverstand worden opgeruimd: er wordt al eens opgemerkt dat een beleid rond duurzame ontwikkeling, dat zich volledig toespitst op het transitiemanagement (systeeminnovatie van landbouw, huisvesting, mobiliteit, …) , toch wel ambitieus is en ook kan falen. Is het dan niet gevaarlijk om daar alle energie in te stoppen? Ten eerste moet worden opgemerkt dat dit transitiemanagement niet in de plaats komt van alle andere gangbare beleid. Het is een complementair - transversaal -beleid. Voorts mag er worden op gewezen dat de focus op productie en consumptie wel eens best gecombineerd zou kunnen worden met een bijzondere aandacht voor de ontwikkelingen van systemen die eerder een geografische entiteit vormen (stad, rivierbekken,…). Duurzame huisvesting of duurzaam wonen is weliswaar het resultaat van een verbeterde en gereorganiseerde productie- en consumptieketen, maar de ruimtelijke component is even doorslaggevend. En dat geldt voor vele technologieën.

Innovatiebeleid

Even terugkoppelen naar het artikel van Zeeuwts. Daarin stelt de collega auteur dat innovatiebeleid zich dient te concentreren op het organiseren van netwerken tussen actoren die een innovatie willen realiseren. Men kan het strategische allianties noemen, maar eerder koos ik voor de term ‘vrije associaties’ (vrijwillig maar daarom niet vrijblijvend). Van belang is wel dat men met betrekking tot een bepaalde innovatie alle noodzakelijke publieke en private actoren in het netwerk betrekt. En daarbij moet men niet alleen samenwerking beogen tussen de kennisproducenten (‘de uitvinders’) maar bij voorkeur ook met de kennisgebruikers (de potentiële gebruikers van de nieuwe technologie zowel in publieke als private sfeer). Dat laatste is eigenlijk een aanzet tot goede marketing (men werkt vraaggerichter). Betere kennis van en over de klant is een onderdeel van de interdisciplinaire kennis die men met dergelijke allianties beoogt. Een innovatiebeleid dat zich richt op deze coöperatie (networking) is innovatiebeleid van de tweede generatie.
Als Zeeuwts pleit voor een pro-actieve opstelling van alle beleidsdepartementen (innovatiebeleid van de derde generatie), dan kan dat in eerste instantie betekenen dat ze ook hun kennis inbrengen bij de innoverende netwerken, maar in het kader van duurzame ontwikkeling kan de overheid (en de politiek) in het algemeen ook drager zijn van de waarden die innovatie op langere termijn zou moeten realiseren. Ik herhaal hier niet de andere taken die Zeeuwts aan de overheid toebedeelt (netwerkregisseur, aankoop- en uitbesteding,…), maar wil er nogmaals op wijzen dat het openhouden van de ‘corridors’ voor duurzame technologische vernieuwing een essentiële taak is voor de politiek. Wat Zeeuwts overigens min of meer duidt met het tegengaan van technologische ‘lock-in’.

Walter De Jonge
Studiedienst sp.a

Noten
1/ Zeeuwts P. (2004), ‘Naar een Innovatiebeleid van de Derde Generatie’, Samenleving en politiek, jrg.11, nr.2 (feb.2004).
2/ World Commission on Environment and Development (1987), Our Common Future, Oxford University Press, Oxford.
3/ Deze ideeën zijn niet origineel en worden meestal bepleit in de literatuur over transitiemanagement. Bv.: Rotmans J. e.a. (2000), Transities & transitiemanagement: de casus van energiearme energievoorziening, ICIS/MERIT, Maastricht.
4/ Transitiemanagement en innovatiebeleid van de tweede generatie worden ook beschreven in een publicatie van het IWT: Boekholt P. (ed.) (2002), Innovation Policy and Sustainable Development: can Innovation Incentives make a Difference?, IWT-Observatory, Brussel. Enerzijds is er een artikel van Ken Guy die een helder beeld schetst van tweede generatie innovatiebeleid. Daarnaast is er een artikel van René Kemp die transitiemanagement belicht. http://www.iwt.be/obs/publicaties/obs40.pdf
Eveneens aan te bevelen is het ‘Sociaal-Economisch rapport 2003’ van de SERV, waarin een paar boeiende hoofdstukken over innovatiebeleid zijn opgenomen. Bestellen via www.serv.be of www.academiapress.be
5/ Zie bijvoorbeeld ‘Vlaanderen Bouwt’: http://www.vlaanderenbouwt.be/
6/ http://www.vibe.be

innovatie - duurzame ontwikkeling

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 2 (februari), pagina 45 tot 54