Abonneer Log in

Tony Blair aan de vooravond van een moeilijke keuze

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 2 (februari), pagina 30 tot 39

Is New Labour over zijn hoogtepunt heen?

Een drietal jaar geleden vond het programma van New Labour veel aanhangers in Europa. Gerhard Schröder publiceerde samen met Blair in juni 1999 een manifest, waarin zijn Neue Mitte geassimileerd werd met deze van New Labour. José Maria Aznar, de eerste minister van Spanje, vond de politiek van New Labour een goede synthese tussen een liberaal en een sociaal beleid. Ook Guy Verhofstadt had woorden van lof over voor het beleid van Tony Blair.
Sindsdien is deze geestdrift enigszins bekoeld. De stelselmatige oppositie van de Britten tegen maatregelen om de Europese Unie te verstevigen heeft bij vele regeringsleiders kwaad bloed gezet. Schröder werd reeds op het congres van de SPD in december 1999 teruggefloten. Men herinnerde hem eraan dat in Duitsland de medezeggenschap van de werknemers in de bedrijven een verworven recht was en dat Blair hiervan in Engeland niet wou weten (EP, 5 dec. 1999, p. 4). In Engeland zelf groeide binnen de Labourpartij het verzet tegen een beleid dat met socialisme weinig gemeen had (EP, 1 juli 1999, p. 3). Bij de parlementsverkiezingen van juni 2001 behaalde de Labourpartij 40,7 pct. van de stemmen en 413 zetels tegen 44,4 pct. van de stemmen en 418 zetels bij de vorige verkiezingen in 1997. De Labourpartij beschikt nog over een comfortabele meerderheid, maar ze kan niet voorhouden dat ze het grootste deel van de bevolking vertegenwoordigt (TAR, 1997, p. 19 en KHA, juli 2001, p. 401). Haar parlementaire meerderheid heeft ze te danken aan de combinatie van twee factoren. Het Britse kiesstelsel voorziet in elk kiesdistrict slechts één zetel die toegekend wordt aan de kandidaat met het grootste aantal stemmen en de oppositie is verdeeld tussen de conservatieven en de democratische liberalen. Van die twee partijen is de conservatieve op verre na de grootste. In haar schoot heerste evenwel grote verdeeldheid tussen voor- en tegenstanders van aansluiting van Groot-Brittannië bij de euro. Haar leider William Hague was een overtuigd tegenstander en maakte van de oppositie tegen de euro het voornaamste punt van zijn verkiezingsprogramma. De overtuigde conservatieve voorstanders van de euro bleven ofwel thuis of stemden voor de democratische liberalen, die zes zetels wonnen ten opzichte van 1997. Door deze verdeeldheid kon Labour de meeste zetels inpikken ondanks een geringer aantal stemmen dan bij de vorige verkiezingen. Het ziet er niet naar uit dat de conservatieve partij de eenheid in haar rangen vlug zal herstellen. Na zijn verkiezingsnederlaag nam William Hague ontslag en ontstond er een harde strijd voor zijn opvolging tussen de pro-Europese gewezen kanselier van de schatkist Kenneth Clarke en een uitgesproken anti-Europeaan, nl.Iain Duncan Smith. Deze laatste won het pleit en nam weinig aanhangers op van Clarke in zijn schaduwkabinet. Hij verwijdert zich hierdoor van de commerciële en industriële ondernemers, die bang zijn hun afzetmogelijkheden in de EU te verliezen indien Groot-Brittannië de Unie verlaat of wordt uitgesloten (FT, 15 sept. 2001, p. 9). Blair maakt dus een goede kans om ook de volgende parlementsverkiezingen te winnen. Hij mag evenwel door een te conservatief beleid de traditionele Labourkiezers niet zo ontmoedigen dat ze bij de volgende verkiezingen thuis blijven. Bij de Europese verkiezingen van 10 juni 1999 stemde slechts 23 pct. van de Britse stemgerechtigden. De Labourpartij bekwam amper 28 pct. van de stemmen en 29 zetels tegen 35,8 pct. en 36 zetels voor de conservatieven (TAR, 1999, p. 22).
Het is evenwel niet gemakkelijk de traditionele Labourkiezers tevreden te stellen met grotere uitgaven voor onderwijs, gezondheidzorg en andere sociale voorzieningen zonder de belastingsdruk te verhogen en verzet uit te lokken bij de leden van de diverse lagen van de middenstand. Alle mooie retoriek van Blair over ‘de toekomstmaatschappij’ ten spijt, blijven er klassentegenstellingen bestaan die moeilijk kunnen worden overbrugd.

De New-Labourfilosofie en Blairs beleid tijdens zijn eerste regeringsperiode

Anthony Giddens wordt algemeen beschouwd als de voornaamste theoreticus van de nieuwe Labourideologie. Hij meent dat geen enkel land het dynamisme en de zin voor renovaties van het kapitalisme kan missen zonder een ernstige daling van zijn welvaart. Men mag evenwel niet vervallen in neoliberalisme, d.w.z. denken dat de vrije markt een rechtvaardige maatschappij zal scheppen en de rol van de staat tot een minimum moet herleid worden. Een sterke regering is noodzakelijk om de waarden van links nl. de solidariteit, de maatschappelijke rechtvaardigheid en de bescherming van de zwakkeren, zoveel mogelijk binnen de vrijemarkteconomie te realiseren (A. Giddens, 2001, p.70-71). Volgens M. Frieden heeft het onderscheid tussen New en Old Labour vooral betrekking op de houding ten opzichte van de staat. Zoals de meeste sociaaldemocraten waren de aanhangers van Old Labour geneigd de bevoegdheden van de overheid regelmatig uit te breiden. New Labour daarentegen wil die beperkt houden. Blair sluit op dit gebied aan bij de Britse traditie van wantrouwen tegenover de staat (M. Frieden, jan-maart 1999, p. 43-44). David Rubenstein, een professor aan de Franse universiteit van Boulogne-sur-Mer, ziet integendeel weinig verschil tussen Old en New Labour. Hij houdt voor dat New Labour de voortzetting is van de traditionele Labourfilosofie zoals ze na de Tweede Wereldoorlog in praktijk werd gebracht door Clement Attlee en Harold Wilson. In navolging van die leiders van de Labourpartij poogt Blair, volgens Rubinstein, een beleid te voeren dat niet alleen aantrekkelijk is voor de arbeiders maar ook voor een groot deel van de middenstand. Dat de middelen die Blair gebruikt om dit doel te bereiken enigszins verschillen van die van zijn voorgangers is volgens Rubinstein het gevolg van de gewijzigde sociale en economische situatie. De arbeidersklasse vormt niet langer een meerderheid van de Britse bevolking, zodat Blair meer dan zijn voorgangers rekening moet houden met de belangen van de verschillende groepen binnen de middenstand. Zoals Harold Wilson is Blair een opportunist. Hij voelt zich niet gebonden door ideologische richtlijnen, maar voert een beleid dat in de gegeven omstandigheden van aard is de welvaart van het land te verhogen. Het succes van Blair zou voortspruiten uit de mentaliteit van de grote meerderheid van de Britten. Ze houden er een praktische levenshouding op na en besteden weinig aandacht aan politieke en economische theorieën (D. Rubinstein, sept. 2000, p.161-162). Het artikel van Rubinstein lokte reacties uit. De Britse professoren Stephen Driver en Lake Martell traden de visie van Rubinstein bij. Volgens hen is de term New Labour misleidend. Reeds vóór Blair was de meerderheid van de partijleden gewonnen voor een reformistisch beleid, waarbij de vrijemarkteconomie grotendeels behouden bleef. Het belangrijkste onderscheid tussen Old en New Labour is dat Blair rechtse ideeën verdedigt maar niettemin links handelt, terwijl onder Old Labour men links sprak maar rechts handelde (S. Driver en L. Martell, feb. 2001, p.48).
Van dit links handelen is in de eerste regeringsperiode van Blair evenwel niet veel gebleken. De materiële ongelijkheid die toegenomen was onder de conservatieve regeringen van Margaret Thatcher en John Major (zie hierover H. Siebert en H. Klodt, 1999, p. 142) is onder Blair verder gestegen (P. Larkin, feb. 2001, p.51). De kloof tussen het gemiddeld inkomen in de drie rijkste streken van Engeland nl. Londen, Oost-Anglia en het Zuidoosten en de drie armste nl. Noordoost Wales, Yorkshire en Humberside is sedert 1997 toegenomen met 30 pct. (TE 15 dec. 2001, p.32). De bekende Britse journalist Michael Prowse stelt dat Blairs beleid in feite een voortzetting is van het Thatcherisme. Net als bij Thatcher is zijn politiek erop gericht buitenlandse investeringen aan te trekken door een lage belastingsdruk, een geringe inflatiegraad en lagere lonen dan in de meeste Europese staten (M. Prowse, FT, 16-17 juni 2000, p. XXIV). Blairs beleid mag evenwel niet afgedaan worden als volledig conservatief. Hij nam enkele maatregelen die gericht waren op het verbeteren van de levensvoorwaarden van de minder bemiddelde Britten, zoals speciale training voor jongeren met het oog op hun tewerkstelling en het opleggen van minimumlonen aan de bedrijven (TE, 9 juni 2001, p.47). Daarenboven werd het met de gunstige conjunctuur van de jaren 1999-2000 mogelijk om meer geld te besteden aan onderwijs en gezondheidszorg. Om het vertrouwen van de traditionele Labourkiezers terug te winnen voorzag de kanselier van de schatkist, Gordon Brown, dat de uitgaven voor gezondheidszorg en onderwijs tijdens de volgende drie jaar zouden verhoogd worden met 6 pct. per jaar en die voor vervoer met 11 pct. (FT, 8 maart 2001, p.6). Of die belofte zal gehouden worden zonder de belastingsdruk te verhogen is evenwel twijfelachtig. Blair wenste in zijn verkiezingsprogramma de belofte op te nemen de belastingen niet te verhogen. Gordon Brown, die als economist vreesde dat de hoogconjunctuur niet eeuwig zou duren, heeft hem hiervan weerhouden (TT, 6 sept. 2001, p.2). Nu een recessie zich aftekent, staat Blair voor een moeilijke keuze: of zijn traditionele kiezers ontgoochelen of aan de conservatieve partij de gelegenheid bieden hem te verwijten het tax and spend-gedrag van Old Labour opnieuw in te voeren. Hij heeft het in ieder geval moeilijker om de gunst van de industriële en financiële kringen te behouden. Want er dringt zich een overheidstussenkomst op in de spoorwegen. En dat wordt door de leidende figuren van de City met argusogen gevolgd.

Naar een nationalisering van het spoorwegnet?

Blair had in zijn verkiezingsprogramma geen nationalisering van het spoorwegnet voorzien. Hij meende dat de staat geen uitvoerende economische taken op zich moet nemen. Hij moet slechts controleren of de geprivatiseerde bedrijven geen misbruik maken van hun monopolies om de verbruikers uit te buiten. Na de Tweede Wereldoorlog werden de spoorwegen genationaliseerd, maar in 1992 heeft Margaret Thatcher ze opnieuw geprivatiseerd. Het bezit van de infrastructuur werd toevertrouwd aan een privé-maatschappij (Railtrack) en de exploitatie van de lijn aan 25 verschillende regionale vennootschappen (TE, 21 okt. 2000, p. 47). De beheerders van Railtrack hadden geen inventaris opgemaakt van de toestand van het net. Die bleek veel slechter dan was verondersteld. Railtrack beperkte zich hoofdzakelijk tot de uitbating van het oude net. Er werd haar verweten dat ze de nodige investeringen uit de weg ging om dividenden te kunnen uitkeren (TE, 13 okt. 2001, p. 39). Ernstige ongevallen (in Southall in 1997, Paddington in 1999 en Hatfield in 2000), waarbij in het totaal 42 reizigers werden gedood en meerdere honderden gewond, overtuigden er de Britten van dat de privatisering van de spoorwegen een vergissing was geweest (TAR 1999, p.25 en TE 21 okt. 2001, p.47). Volgens een onderzoek zijn 70 pct. van de Britten voorstander van een nationalisering van het spoorwegnet (TE, 9 juni 2001, p.49). Na het ongeval in Hatfield dat veroorzaakt werd door een gebroken rail, kwamen de beheerders van Railtrack met een plan tot heraanleg van het net. In afwachting van de hernieuwing van de rails in trajecten waar ze duidelijk tekenen van sleet vertonen, werd aan de exploiterende maatschappijen de verplichting opgelegd de treinen trager te laten rijden op die plaatsen. In november 2000 was de snelheid beperkt tot 32 km per uur op ongeveer 500 onderdelen van het net. De reizigers worden regelmatig geconfronteerd met vertragingen en het hele spoorwegverkeer is een grote chaos. Velen verkiezen voortaan zich met de auto te verplaatsen, hetgeen aanleiding geeft tot meer auto’s op de reeds overbezette wegen en vele dodelijke ongevallen (TE, 25 nov. 2000, p.55). Railtrack werd niet alleen geconfronteerd met grote uitgaven voor de vernieuwing van het net maar ook met veel eisen tot schadevergoeding van de exploiterende maatschappijen en vanwege reizigers, die gekwetst werden bij ongevallen of grote vertragingen hadden opgelopen. De verliezen stapelden zich op en de maatschappij was verplicht subsidies ten bedrag van £ 1,5 miljard aan de regering te vragen om een faillissement te voorkomen. Op 5 oktober 2001 deelde de transportsecretaris Stephen Byers aan de beheerders van Railtrack mee dat de staat niet bereid was zo’n subsidie toe te staan en ook aan Railtrack niet de £ 360 miljoen zou betalen, waartegen die maatschappij het spoorwegnet had aangekocht en voor de financiering van die aankoop aandelen had uitgegeven voor hetzelfde bedrag (FT, 11 okt. 2001, p.12 en 23 okt. 2001, p.12). Railtrack werd als maatschappij in faling onder het beheer gebracht van een beheerraad met vertegenwoordigers van de regering, van de Confederation of British Industry en van de vakbonden en zal voorlopig functioneren als een Non-profit Organization. Een nieuwe maatschappij zal worden opgericht, die de infrastructuur zal overnemen en de schuldeisers betalen. Of de aandeelhouders van Railtrack iets zullen ontvangen voor hun aandelen zal afhangen van het resultaat van de liquidatie. Wie uiteindelijk bezitter zal worden van het spoorwegnet is nog onduidelijk. Zoals bij elk faillissement kunnen diverse kandidaat-overnemers een bod doen. Het is dan ook niet uitgesloten dat maatschappijen die een deel van het net exploiteren, het bezit over de infrastructuur van dit deel wensen te verwerven. De oprichting van een gemengde maatschappij met als aandeelhouders de staat en één of meer privé-maatschappijen is waarschijnlijk. Reeds in de lente van 2000 gaven meerdere exploiterende maatschappijen te kennen dat ze graag een deel van de infrastructuur zouden overnemen. Ze waren woedend omdat naar hun mening Railtrack haar opdracht niet vervulde (TE,17 maart 2000, p.39). De institutionele beleggers (verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen), die in het bezit zijn van aandelen van Railtrack, zijn niet tevreden met de oplossing die de regering gekozen heeft. Langs hun groeperingen The Association of British Insurers en The National Association of Pension Funds gaan ze onderzoeken of het mogelijk is een klacht in te dienen tegen de overheid. Ze houden voor dat ook weinig bemiddelde personen geld in de aandelen van Railtrack belegden. Ze meenden dat de overheid nooit een maatschappij zou laten failliet gaan die instaat voor het onderhoud van het spoorwegnet (TE,13 okt. 2001, p. 19). Voor hen schenen die aandelen een veilige belegging voor de oude dag. Hierop antwoordt de staatssecretaris dat het niet opgaat personen die aandelen kochten tegen wat ze beschouwden als een gunstprijs, te vergoeden met geld van de belastingsbetalers (FT,10 okt. 2001 p.10). In de City wordt de beslissing van staatssecretaris Byers slecht ontvangen. Men beweert dat ondanks de geleden verliezen, de aandelen van Railtrack op de beurs nog £1,4 miljard kapitaal vertegenwoordigden en dat afgezien van een tekort aan liquiditeiten, het bedrijf leefbaar bleef. Voor Blair is de hele zaak een tegenslag, want tot heden stond zijn beleid in de City goed aangeschreven. Sommige observatoren stellen evenwel de vraag of het oordeel van de zakenlieden en financiers bij verkiezingen veel invloed uitoefent (FT, 22 aug. 2000, p.10). Doorgaans wordt aangenomen dat ze een belangrijk deel van de pers beheersen en zo de publieke opinie beïnvloeden. Van de elf leidende dagbladen in Groot-Brittannië werden er bij een enquête vijf door de grote meerderheid van de ondervraagden als uitgesproken conservatief aangeduid, nl. The Telegraph, The Times, The Express, The Mail en The Sun. Drie andere nl. The Independent, The Daily Star en Today werden door een lichte meerderheid als conservatief beschouwd. Slechts drie kranten, nl. The Guardian, The Mirror en The Columnist werden als uitgesproken Labourbladen aanzien. Uit het onderzoek bleek verder dat in 1997 één derde van de lezers van een conservatieve krant voor Labour had gestemd. De keuze van een krant wordt niet overwegend bepaald door de politieke opinie van de lezer maar door andere motieven zoals in hoeverre de krant de sportgebeurtenissen volgt, een rubriek voor vrouwen voorziet of de bioscoopprogramma’s weergeeft. Veel mensen lezen bijna nooit politieke artikelen. De krant kan niettemin invloed uitoefenen op het stemgedrag door de selectie van feiten en commentaar die ze publiceert. Soms past ze haar politieke visie aan die van de meerderheid van haar lezers.Toen in 1996 het duidelijk werd dat de Labourpartij de volgende verkiezingen zou winnen werden de commentaren in de Sun gunstiger voor Labour. Er wordt aangenomen dat de invloed van de pers slechts 4 à 5 pct. van de kiezers van mening doet veranderen. In Groot-Brittannië is dit in veel kiesdistricten evenwel genoeg om de balans te doen omslaan (K. Newton en M. Brysion, juni 2001, p. 269). Blair kan zich dus moeilijk veroorloven de macht van de zakenwereld en de met haar verbonden persorganen volledig te verwaarlozen. Om zijn populariteit in die middens te verhogen doet hij beroep op twee acties. Enerzijds werpt hij zich op als een premier die Groot-Brittannië een belangrijke rol doet spelen in de Europese Unie en anderzijds beklemtoont hij de solidariteit met de Verenigde Staten in de strijd tegen het terrorisme van de moslim-integristen.

Tony Blairs acties op het Europese plan

De financiers en de meerderheid van de zakenlieden wensen dat Groot-Brittannië lid wordt van de euro. Want dat kan zorgen voor een uitbreiding van het continentaal cliënteel van de beurzen, de verzekeringsmaatschappijen en de andere financiële instellingen van de City. De meeste Britten vrezen evenwel dat hun parlement te veel bevoegdheden moet afstaan aan de Europese beleidsorganen. Zo zouden ze minder vat hebben op de politieke beslissingen. Uit een enquête van begin 2001 bleek dat minder dan 30 pct. van de Britten het lidmaatschap van de EU als voordelig beschouwt voor hun land, tegen gemiddeld 45 pct. in alle lidstaten. Slechts 22 pct. van de Britten verklaarde dat ze vertrouwen hadden in de acties van de Europese commissie (TE, 24 maart 2001, p.43). Blair tracht dit negativisme te overwinnen door de indruk te wekken dat hij in het cenakel van de Europese ministers een leidende rol speelt. Hij heeft uit de nederlaag van de conservatieven bij de verkiezingen van juni 2001 afgeleid dat de oppositie tegen de euro niet zo sterk is als veelal wordt gedacht. In een speech op 5 november 2001 voor de leden van de Confederatie van de Britse industrie in Birmingham bepleitte hij dat een éénheidsmunt van aard is de handelsbetrekkingen onder de lidstaten te bevorderen en dus een essentieel element vormt van de Europese eenheidsmarkt (FT, 6 nov. 2001, p.10). Hij herhaalde zijn belofte een referendum te organiseren over de toetreding van Groot-Brittannië tot de euro tijdens zijn tweede regeringsperiode. De kanselier van de schatkist Gordon Brown is veel omzichtiger. Hij is ervan overtuigd dat de weerstand tegen de euro nog groot blijft. Een afwijzing zou voor de Britse economie ernstige gevolgen hebben. Vele multinationale maatschappijen zouden ervoor terugdeinzen in Groot-Brittannië te investeren, uit vrees voor een uitsluiting van dit land uit de Europese markt. Een opinieonderzoek in oktober 2001 gaf Brown gelijk. Ongeveer 60 pct. van de ondervraagden verklaarde zich tegenstander van de toetreding (TT 5 nov. 2001, p 1). Het invoeren van de euromunten in twaalf lidstaten van de EU heeft evenwel bij sommige Britten een gevoel van onbehagen gewekt. Ze voelen zich uitgesloten en menen nu dat Groot-Brittannië tot de euro moet toetreden. De minister van buitenlandse zaken M. Straw, die bekend stond als een EU-scepticus, deelde aan de journalisten op de conferentie te Laken mee, dat hij nu een voorstander is van het invoeren van de euro. De Britten - meende hij - zullen door hun talrijke reizen op het Europese continent inzien dat een gemeenschappelijke munt veel voordelen biedt (TT,15 dec. 2001, p.20). G. Brown heeft een rapport laten opmaken dat hij begin november aan het Britse parlement heeft voorgelegd. Daarin wordt aangetoond dat nog geen duurzame convergentie werd bereikt tussen de evolutie van de Britse economie en die van de landen van de eurozone. Slechts als zo’n parallellisme is verwezenlijkt mag volgens Brown Groot-Brittannië tot de euro toetreden. Hij voorziet dat die situatie ten vroegste over twee jaar bereikbaar is en dan een referendum kan ingericht worden (FT 6 nov., p.10). Blair is ontevreden over de houding van zijn kanselier. Maar hij kan hem de laan niet uitsturen want Brown wordt in de City gewaardeerd als een verantwoordelijke beheerder van het economisch en financieel beleid van de Labourregering door zijn voorzichtig beleid tijdens de voorgaande regeringsperiode. Het succes van deze regering is voor een groot deel toe te schrijven aan de combinatie van de politieke intuïtie van Blair en het strategisch inzicht van Brown. Die twee hebben elkaar nodig en bijgevolg moet Blair Brown ontzien (FT, 15-16 dec. 2001, p.V).

In de schoot van de ministerraad van de EU heeft Blair weinig successen kunnen behalen, maar de conferentie in Laken is in zijn voordeel verlopen. Hij had een goede verhouding met de Belgische voorzitter van de ministerraad Guy Verhofstadt, maar ze streven tegengestelde doeleinden na. Guy Verhofstadt tracht als overtuigd federalist de macht van de Europese organen uit te breiden. Hij wenst o.m. een harmonisatie door te voeren van het fiscaal beleid. Blair is hier een heftig tegenstander van want hij wil verder gebruik maken van de lage belastingen in Groot-Brittannië om buitenlandse investeringen aan te trekken. Bovendien vreest hij dat voorafhoudingen op interesten uitgekeerd op obligaties de uitgifte van dergelijke schuldbewijzen op de Londense markt zal afremmen. De nieuwe obligaties zullen dan veeleer geplaatst worden op markten gevestigd in landen waar zo’n voorheffing niet voorkomt. Blair had zich op het congres in Nice de wrevel van de voorzitter van de Europese commissie op de hals gehaald door een herziening van de statuten te weigeren, waarbij beslissingen inzake fiscale aangelegenheden zouden genomen worden met een gepondereerde meerderheid, m.a.w. hij wil geen afstand doen van zijn vetorecht in deze aangelegenheid. De ambtenaren van de Europese Commissie verwijten hem zijn verzet tegen alle voorstellen om de Europese Commissie en het Europees parlement meer bevoegdheden toe te kennen. Een van hen verweet hem een No-man te zijn. Hij zegt altijd no. Zelfs als u hem goede morgen wenst zal hij ‘no’ antwoorden (TE,24 maart 2001, p.43).

Blair vreesde dat de Fransen en de Duitsers met de steun van de meeste kleine staten in Laken zouden aansturen op een hervorming van de organen van de EU in federalistische zin en indien hij dit niet wou aannemen ze Groot-Brittannië zouden uitsluiten van een hechtere vorm van samenwerking onder de lidstaten. Chirac bleek evenwel geen voorstander van een vergaande overdracht van bevoegdheden aan de EU en Verhofstadt moest de federalistische projecten schrappen in zijn oorspronkelijk ontwerp. De verklaring van Laken is nu meer een opsomming van de te regelen problemen dan een project voor de toekomst. Blair is erg gelukkig met deze evolutie. Hij is voorstander van hervormingen in de EU-organisatie om de toetreding van de Oost-Europese staten te vergemakkelijken. Maar hij wil dit bereiken zonder een belangrijke uitbreiding van de bevoegdheden van de organen van de EU. In de zomer van 2001 liet hij tijdens een redevoering voor zakenlieden in Sao Paulo in Brazilië horen dat een hervorming van de EU noodzakelijk is, maar vooral betrekking moet hebben op een liberalisering van de financiële diensten en een hervorming van het landbouwbeleid. Hij wenst deze aangelegenheden op de dagorde te plaatsen van de vergadering van de ministerraad in Barcelona in maart 2002. (FT,31 juli 2001, p.1). Blair weet dat de Spaanse premier Maria José Aznar tijdens de eerste helft van 2002 voorzitter zal zijn van de ministerraad van de EU en ook niet veel voelt voor een overdracht van bevoegdheden aan de EU-organen. Hieruit blijkt het dubbelzinnig karakter van Blairs geestdrift voor de integratie van zijn land in de EU. Hij wil meer vat krijgen op de aangelegenheden die voor de Britse economie belangrijk zijn, nl. de concentratie van de financiële en verzekeringsoperaties in de City in Londen en de vermindering van de overmatige uitgaven voor de Europese landbouw, maar dit zonder concessies inzake de overdracht van bevoegdheden. Waarschijnlijk zal Blair niet al zijn doeleinden bereiken. Alexander Lamfalussy, een bekend economist, ontwierp een project om een gemeenschappelijke financiële markt tot stand te brengen. Verschillende regeringen kwamen op tegen zijn voorstel en in het Europees parlement werd het afgekeurd (TE, 3 nov. 2001, p. 68). Wat de afbouw van de landbouwsubsidiëring betreft, daar willen de Fransen, gesteund door meerdere andere lidstaten, niet van horen. Dit verklaart waarom Blair ondanks zijn pro-Europese retoriek aansluiting zoekt bij de Verenigde Staten. De actie van Bush tegen de Taliban geeft hem de gelegenheid zijn trouw aan de Amerikaanse-Britse samenwerking te bewijzen.

De oorlog tegen de Taliban - een middel om de aandacht van de binnenlandse problemen af te leiden?

De economische vooruitzichten zijn in Groot-Brittannië minder gunstig dan een jaar geleden. De concurrentiekracht van de Britse bedrijven op de buitenlandse markten wordt ondermijnd door de te hoge wisselkoers van het pond sterling ten opzichte van de euro. De productiviteit van de Britse arbeiders is beduidend lager dan die van hun Duitse, Franse en Amerikaanse collega’s. In 1999 was de productie per arbeidsuur in Duitsland 14 pct., in Frankrijk 23 pct. en in de Verenigde Staten 26 pct. hoger dan in Groot-Brittannië (TE,14 april 2001, p.16). De weerslag van de lagere productiviteit op de kostprijzen werd gecompenseerd door het lager peil van de Britse lonen. Deze zijn evenwel in het verlopen jaar gestegen met gemiddeld 4,4 pct. tegen slechts met 3,9 pct. in de Verenigde Staten, 4,2 pct. in Frankrijk en 2,3 pct. in Duitsland (TE 15 dec. 2001, p.88). Door de sterke stijging van de koers van het pond sterling is het verschil uitgedrukt in een gemeenschappelijke munt tussen de Britse lonen en die van de industrielanden van het Europees continent bijna volledig weggewerkt. De kostprijzen van de Britse bedrijven zijn nu in de regel hoger dan die van hun concurrenten op het Europees continent. Dit leidt tot meer import en minder export, m.a.w. tot een passieve handelsbalans. Voor de periode van oktober 2000 tot september 2001 bereikte het deficit $ 47,1 miljard, terwijl Duitsland een overschot realiseerde van $ 66,1 miljard, Nederland van $ 18,3 miljard en België van $ 11,0 miljard. Van Frankrijk en Italië was de handelsbalans ongeveer in evenwicht (TE, 1 dec. 2001, p.101). Het deficit op de Britse handelsbalans wordt gedeeltelijk gecompenseerd door de inkomsten uit de financiële en andere diensten, maar er blijft een tekort over. Dit moet gedekt worden door kapitaalinvoer. Daardoor stijgen de betalingen van intresten en dividenden aan het buitenland. Op lange termijn is deze situatie niet houdbaar en zal om de betalingsbalans in evenwicht te brengen de wisselkoers van het pond sterling ten opzichte van de euro dalen. Dit is een onaangenaam vooruitzicht voor de duizenden Britse toeristen die nu tegen voordelige prijzen in hun munt mooie verlofdagen doorbrengen in de zuidelijke landen van Europa.
Ook de openbare financiën dreigen in een deficit terecht te komen. De belastingsinkomsten zullen door de huidige recessie lager zijn dan vorig jaar en de uitgaven voor de openbare diensten zullen in sterke mate toenemen. De National Health Service (N.H.S.) heeft veel meer geld nodig want hij kan niet instaan voor de stijgende vraag naar heelkundige ingrepen, geneesmiddelen en algemene verzorging. Veel patiënten, die een heelkundig ingreep nodig hebben, moeten meerdere weken wachten alvorens die kan plaatsgrijpen. Dit leidt soms tot een vervroegd overlijden. Blair liet op 27 juli 2000 een nationaal plan publiceren voor de uitbreiding van de N.H.S. Het aantal dokters en verplegers zou fel verhoogd worden (TE,29 juli 2000, p.17-18). Zo zou men niet langer regelmatig patiënten moeten verwijzen naar de privé-geneeskunde, waar de kosten die de patiënt moet dragen, veel hoger zijn. Een bezoek aan de tandarts voor het reinigen van het gebit kost in de privésector 3 à 6 maal zoveel als in het N.H.S. (TT, 6 sept. 2001, p.4). Een linkse regering kan zich moeilijk veroorloven aan de minder bemiddelden geen kans te geven om zich bij ziekte degelijk te laten verzorgen.
Om het aantal kandidaten voor de studies genees- en verpleegkunde te laten toenemen, heeft Gordon Brown beloofd hun wedden van april 2002 af te verhogen met 2,5 maal het inflatiepercentage (TT, 18 dec. 2001, p.1). Ook aan het onderwijs moet dringend meer geld worden besteed. Veel klassen in het lager onderwijs zijn overbevolkt zodat de leraars er niet in slagen al hun leerlingen degelijk te leren lezen, schrijven en rekenen. Veel arbeiderskinderen en vooral kinderen van immigranten blijven ongeletterd en kunnen met moeite rekenen. Hierdoor vinden ze later moeilijk een betrekking. Daarenboven is er een gebrek aan technisch onderwijs, waardoor teveel leerlingen slechts tot hun 16 jaar schoollopen en daarna gaan werken. Dit is één van de oorzaken van de lagere productiviteit van de Britse arbeiders. Ook de universiteiten vragen meer centen. Het aantal studenten is de laatste jaren fel gestegen, wat uiteraard aanleiding geeft tot hogere uitgaven (TE,23 juni 2001, p.43).
Journalisten beweren dat Blair en Brown ervan overtuigd zijn dat ze de belastingen moeten verhogen om al deze uitgaven te kunnen dekken (TT,18 dec. 2001, p.1). Er dreigt een situatie te ontstaan zoals in het begin van de jaren tachtig toen Margaret Thatcher geconfronteerd werd met een ernstige recessie en ze allerhande onpopulaire maatregelen nam om het budget in evenwicht te houden. De politieke observatoren waren ervan overtuigd dat ze de verkiezingen van 1984 zou verliezen. In 1982 brak evenwel de Falkland-oorlog uit. De overwinning op Argentinië bezorgde Margaret Thatcher zo’n populariteit dat ze in 1983 verkiezingen uitschreef en ze glansrijk won. Het zag ernaar uit dat Tony Blair een gelijkaardige kans zou krijgen. De aanslag van 11 september op het WTC kostte aan een honderdtal Britten het leven. Hij heeft dus een voldoende reden om samen met Bush aan de terroristen de oorlog te verklaren. De meerderheid van de Britten beschouwt het terrorisme als een bedreiging voor hun leven en hun welvaart. Ze herinneren zich de aanslagen van het IRA en wensen niet opnieuw in zo’n sfeer van vrees en onzekerheid terecht te komen. Zolang Bin Laden niet is aangehouden loopt Blair het gevaar dat veel moslim-jongeren hem als een held beschouwen. Er leven in Groot-Brittannië zo’n twee miljoen moslims, waaronder een groot aantal jongeren. Door de overbezetting van de klassen in het onderwijs blijven velen onvoldoende geschoold. Ze voelen zich gediscrimineerd inzake de mogelijkheden om werk te vinden en geviseerd als potentiële misdadigers door de politie. Ze zijn erg ontevreden en hierdoor geneigd sympathie op te brengen voor de acties van de vijanden van het Angelsaksische kapitalisme. Het gevaar bestaat dat uit hun middens nieuwe terroristen worden gerekruteerd. Door het zenden van Britse soldaten naar Afghanistan, aanvaardt Blair bovendien het risico verstrikt te geraken in uitzichtloze conflicten onder de diverse bevolkingsgroepen van dit land. Blair heeft zich dus in een avontuur gestort waarvan het einde nog niet in zicht is.

Conclusie

De hoogdagen van de New-Labourfilosofie zijn voorbij. Politieke partijen, die zoals New Labour een lage belastingsdruk willen koppelen aan gulle voorzieningen voor de minder bemiddelde sociale lagen van de bevolking komen in moeilijkheden in periodes van trage economische groei. Ze moeten de financiers en zakenlieden overtuigen dat ze verder een verantwoord financieel en fiscaal beleid zullen voeren en niettemin een politiek project handhaven dat een voldoende aantal kiezers kan bekoren (P. Burnham, juni 2001, p.128). Als de conjuncturele evolutie Labour niet toelaat via massale investeringen en zonder een fikse belastingsverhoging het onderwijs, de gezondheidszorg en de spoorwegen te verbeteren, dan dreigt ze haar parlementaire meerderheid te verliezen. Een heropleving van de conservatieve partij, die nu bij de meeste jongeren als oubollig overkomt, blijft steeds mogelijk. Het is ook niet uitgesloten dat bij de volgende verkiezingen de traditionele aanhangers van Labour zo ontgoocheld zijn dat ze aan de stemming niet deelnemen. De conservatieve partij zou dan zoals bij de Europese verkiezingen van 1999 een overwinning behalen ingevolge een geringe opkomst van de stemgerechtigden. Het blijft onzeker of Blair op lange termijn baat zal vinden bij de strijd tegen het fundamentalistisch terrorisme. Voorlopig is het een geschikt middel om de aandacht af te leiden van de binnenlandse moeilijkheden.

Bibliografie
- P. Burnham, ‘New Labour and the Politics of Depolitisation’, The British Journal of Politics and International Relations, juni 2001.
- S. Driver en L. Martell, ‘From Old Labour to New Labour- a Comment on Rubinstein’, Politics, feb. 2001.
- M. Frieden, ‘New Labour in Power’, The Political Quarterly, jan-maart 1999.
- A. Giddens, ‘Conversación entre Anthony Giddens y Will Hutton’, En el Limíte-La vida en el capitalismo global, W. Hutton en A. Giddens(Eds), Kriterios TusQuets, Barcelona, 2001.
- P. Larkin, ‘New Labour in Perspective - a Comment on Rubinstein’, Politics, feb.2001.
- K. Newton en M Brysion, ‘The National Press and Party Voting in het U.K.’, Political Studies, juni 2001.
- D.Rubinstein, ‘A New Look at New-Labour’, Politics, sept. 2.000.
- H. Siebert en H. Klodt, ‘Mondialisation de la concurrence - catalyseurs et contraintes’, L’économie mondiale de demain, O.C.D.E., Parijs,1999.

Gebruikte afkortingen
EP: El País
FT: The Financial Times.
TAR: The Annual Register, A.J. Day (Ed.) Bethesda (V.S.) 1997 en 1999.
TE: The Economist.
TT: The Times.

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 2 (februari), pagina 30 tot 39