Log in

Patrick, voer ons aan, verlos de maatschappij

Patrick Janssens is misschien wel de auteur van het eerste politieke boekje sinds de burgermanifesten dat kritisch gerecenseerd wordt. Niets liet vermoeden dat Over de grenzen een andere plaats zou innemen in de boekenkast van politieke geschriften die geen andere ambitie hebben dan er gewoon te zijn. Een stukje in het journaal, een paar redacteurs die de persmap overpennen, een paar voordrachten in kleine zaaltjes en de zaak kan alweer in de ramsj. Het is dus goed dat iemand de uitnodiging voor ‘een boeiend gesprek over wat ons bindt en wat ons scheidt’ opgenomen heeft. Bij een eerste lectuur van het artikel van Jan Blommaert zat ik overigens vaak instemmend te knikken. Al beken ik dat ik altijd veel sympathie gehad heb voor olifanten in porseleinkasten.

Zo legt Blommaert terecht de vinger op de zeer sterk arbeidsmarktgerichte visie op onderwijs. Bij Janssens klinkt het nog als ‘een diploma is een rendabele investering. Wie een hoger diploma behaalt, verdient doorgaans meer.’ Dat is in ieder geval een eind verwijderd van het linkse discours dat ooit werd gevoerd ten voordele van een overheidsfinanciering van hogere studies. Net om te vermijden dat studieleningen en hoge inschrijvingsgelden verantwoord werden door het latere persoonlijke rendement van zulke investering, pleitte o.m. de linkse studentenbeweging voor een visie waarbij de gemeenschap investeert in (hoger) onderwijs als publiek goed. Aangezien goed onderwijs op alle niveaus naast een arbeidsmarktfinaliteit ook en vooral een democratische noodzaak is die inwoners tot mondige burgers kan promoveren. Maar in dat pleidooi voor gratis onderwijs stond daar dan ook tegenover dat er geen grond was om de maatschappij nog eens te doen betalen onder de vorm van een buitensporige vergoeding voor de prestaties van iemand die op hun kosten had kunnen studeren. Toegegeven, met de massificatie van het hoger onderwijs is de band tussen diploma en rijkdom vrij dun geworden. Die argumentatie vormt ongetwijfeld het andere extreem, maar een beschrijving van studies als een persoonlijke investering met het oog op een welbetaalde job kan hooguit voor een pilotenopleiding nog passen (en met de sociale drama’s die we er nu bij kennen) maar is op z’n minst onvoorzichtig in het licht van een discours over democratisch onderwijs.
Het is in het belang van de democraten om het beste onderwijs te hebben. Om via politieke en economische democratie een progressief project waar te maken, is een geëman­ci­peerde bevolking nodig. Dit vereist een continu proces van vorming en infor­matie waarbij mensen worden aangezet te denken over wat ze doen en laten, over hun rol in de wereld... Of het onderwijs momenteel die rol vervult is nog maar de vraag. Aan de deelnemers aan Big Brother kun je niet direct herkennen dat ze er 12 jaar leerplichtonderwijs op zitten hebben. En er zijn overigens ook genoeg universitairen waarvan je kunt vermoeden dat ze hun diploma gewonnen hebben bij aankoop van een doos cornflakes.

Het moet me verder van het hart dat ik die vermeende ‘discussie’ rond de middelen wat beu begin te worden. Het is ondertussen al van 1991 geleden dat Louis Tobback afscheid nam van zijn stiefzoon en ik heb sindsdien nog weinig Vlaamse politici voor naastingen horen pleiten. Wellicht met de uitzondering van Mieke Vogels die nu de Vlaamse Zorgkas als overheidsinstelling keihard promoot tegen de private zorgkassen van ziekenfondsen en verzekeringsmaatschappijen. En bij de PS is het minder duidelijk of ze nu het overheidsinitiatief dan wel de eigen belangen in die structuren verdedigen. Als onderscheid tussen een antiek en een modern socialisme lijkt me dit nog nauwelijks als criterium hanteerbaar. Waarmee ik niet wil beweren dat Patrick Janssens niet ergens in een bejaardenhuis nog iemand ontmoet heeft met heimwee naar de commandoposten van de economie.

Anderzijds, gaat socialisme niet vooral over de centrale rol van de politiek in de samenleving? Over het feit dat we over mechanismen moeten beschikken waarbij we o.m. de economische en financiële ontwikkelingen onder democratische controle moeten krijgen. De gelijkstelling tussen politieke macht en overheidsoptreden is terecht in vraag gesteld. Maar de ontmanteling van de lokale overheidsmonopolies en de privatisering van de overheidsbedrijven werd niet gekoppeld aan nieuwe hefbomen om de samenleving vorm te geven, integendeel. De essentie van de kritiek van Blommaert op Over de Grenzen is uiteraard nog fundamenteler. De voorzitter wordt niet min of meer verweten een socialisme te ontwerpen voor een ‘rijk en verstandig cliënteel dat verontwaardigd is over hoe slecht anderen het hebben, maar dat vergeet verontwaardigd te zijn over hoe goed ze het zelf hebben.’ Ik denk dat die analyse juist is. Janssens weerlegt ze ook niet in zijn repliek alhoewel de titel die discussie wel aankondigt. De vraag is of het anders kàn. Noem het maar het dilemma van de goedmenende sp.a-voorzitter: hoe kan je in een regio met statistisch het laagste armoedepeil van de wereld nog een massapartij van de armen zijn?
België heeft een van de laagste armoedecijfers van de Westerse wereld. Slechts 7% van de Belgische huishoudens is arm.1 België zelf staat 10de op de ranglijst van het bnp per hoofd van de bevolking, na voornamelijk fiscale paradijzen. Het gemiddeld netto belastbaar inkomen van de Belgen steeg in 1999 met 3,9%. Daar de inflatie 1,1% bedroeg, namen de reële inkomens met 2,8% toe. De Belgen zijn in 1999 dus opnieuw een beetje rijker geworden. Vlaanderen gaat er bovendien nog iets sterker (+4,1%) op vooruit dan Wallonië en Brussel (beide +3,5%). Wel zeggen deze gemiddelden niets over de groeiende kloof tussen arm en rijk binnen Vlaanderen. Maar het spiegelbeeld is wel dat de overgrote meerderheid van onze bevolking zich geen zorgen hoeft te maken over de confituur op de dagelijkse boterham. Een beetje afhankelijk van wat de definitie is van arm (alles is relatief) is de doelgroep van een partij van de armen en zwakkeren in dit land nog hooguit 15 à 20% van de stemgerechtigde bevolking. Moet het programma van een socialistische partij dan niet radicaal de belangen van die sociaal zwakkeren dienen? Natuurlijk wel, maar electoraal moet ze daarbij noodgedwongen appelleren op de stemmen van hen die het béter hebben. Het dilemma is ook dat als je iets wil doen voor wie werkloos, gepensioneerd of ziek is, je als partij ook de mensen moet aanspreken die (nog) niet in die situatie zitten. En dat heeft de oude SP al eens verzuimd. Socialist moest je blijkbaar worden als arbeider uit eigenbelang of als middenklasser uit morele keuze.2 Het eigenbelang van die middenklasse was irrelevant. Voor pensioenen, werkloosheidsverzekering en gezondheidszorg lukt het aantonen van de universaliteit van die stelsels redelijk, omdat iedereen beseft dat dit het lot van elkeen kan worden. Maar om elke Vlaming een leven lang te laten betalen voor de zorgverzekering die momenteel hooguit 80.000 mensen bereikt, is al véél moeilijker om uit te leggen. En hoewel er vele kromme redeneringen zijn neergepend om iedereen in loondienst een arbeidersbewustzijn aan te praten (om nog te zwijgen van de ‘zelfstandige arbeiders’) is de socio-culturele realiteit dat weinig werknemers nog de blauwe kiel aantrekken. Een partij die zich zoals in het verleden zou profileren als de belangenverdediger van de minstbedeelden zou wel eens voor het Volksunie-probleem kunnen komen te staan: bij het bereiken van de doelstellingen is de achterban verdwenen.

Omgekeerd is het evenmin evident om een écht socialistisch programma te ontwerpen voor een welvarende natie. Het is gemakkelijker dat een kameel door het oog van de naald gaat, dan dat een rijke socialist wordt.3 Tenzij we de definitie van socialist wat aanpassen natuurlijk. De term sociaalvoelend helpt ons dan toch een héél eind op weg, maar ook van het rechte linkse pad af. Het lijkt me niet abnormaal dat een partij met ambitie haar programma verruimt tot iets dat een grotere groep van de bevolking potentieel kan aanspreken. Dat de sp.a op dat vlak op zoek moet naar een nieuw programma komt eigenlijk door haar succes in het verleden, tenminste als de doelstelling van de socialisten niet het omverwerpen van het kapitalistisch systeem maar de materiële vooruitgang van de werkende klasse was. De oorspronkelijke gelijkstelling van beide doelstellingen hebben we in praktijk al honderd jaar verlaten. Ik behoor dus niet tot de kameraden die vinden dat de strijd gestreden is en dat we hem verloren hebben. Het scorebord van de klassenstrijd bijhouden is oneindig veel ingewikkelder en hangt er niet in het minst van af wàt die doelstelling nu eigenlijk was. Het kapitalisme hebben we duidelijk niet omvergeworpen, al hebben de socialisten in West-Europa het 19de-eeuwse kapitalisme toch wel in een keurslijf gedwongen. Wie nog steeds vindt dat de revolutie het doel is (en niet een in de vorige eeuw geformuleerd middel) onderschat het aanpassingsvermogen van dat kapitalisme. Een aanpassingsvermogen dat we misschien nog zullen kunnen gebruiken nu we aan de andere kant van de klassenstrijd staan. Maar het verlaten van het oorspronkelijke programma houdt ook het grootste gevaar in voor onze identiteit. Het Vlaams-nationalisme van de VU, de christendemocratie van de CVP heeft plaats geruimd voor…wat eigenlijk ? Het vervangen van het etiket trekt er eigenlijk meer dan ooit de aandacht op dat de inhoud smaakloos geworden is. De eigenheid van het socialisme was wel degelijk zijn programma als partij van de armen. De mensen van onze oude achterban zijn nu echter middenklassers geworden en hun bekommernissen gaan zeer klassiek over minder belastingen betalen, vlotter bouwvergunningen krijgen, sneller kinderopvang vinden,…. Zaken waar klassieke socialisten doorgaans mee worstelen om ze tot het partijprogramma te rekenen en waar de andere partijen van de middenklasse een quasi gelijkaardig aanbod doen. Partijen zoeken het centrum niet omdat het zo gemakkelijk is, maar omdat er zoveel volk staat. Die zoektocht naar de grootste gemene deler, naar het standpunt waar zo weinig mogelijk mensen tegen zijn en zoveel mogelijk mensen voorstander van zijn, verzwakt al vrij lang elke profilering. Omdat je altijd meer kopers zult hebben voor Jonge Gouda dan voor een stukje Roquefort. Vandaar dat politiek minder dan ooit om ideeën en méér dan ooit om personen en macht gaat. Het is niet meer het boegbeeld dat de ideeën van zijn partij vertolkt, maar de woorden van het boegbeeld die de partij vormen. Anciaux is Spirit, Van Hecke is NCD, Rossem was Rossem, wat die mensen ondertussen ook als standpunt mogen verkondigen. Je zal maar een godvrezende katholiek zijn en je partij om electorale redenen alles horen verdedigen, van het homohuwelijk tot playboymodellen.

Maar terug naar het boek. In de polemiek gaat het over nog een aantal zaken die m.i. non-issues zijn. Emotie en analyse kunnen toch perfect samengaan. Wat heeft de arbeidersbeweging doen bewegen? Bij De Man klinkt het al: ‘wat de arbeider tot de klassenstrijd brengt is niet het eenvoudige rationele proces van de erkenning van winstbelangen, maar is het veel ingewikkelder, veel dieper in het gevoelsleven wortelende psychologische feit van het sociale minderwaardigheidscomplex’.4 Waar Blommaert dit fenomeen nog braafjes omschrijft als ‘emotie’, zou ik dit veeleer als ‘socialisme van de afgunst’ durven bestempelen. Een afgunst die overigens perfect verantwoord was gelet op de enorme inkomensongelijkheid in de prille industriële samenleving. Het is die afgunst die perfect gekanaliseerd werd in een analyse (de klassenstrijd), en richting werd gegeven rond een aantal middelen (algemeen stemrecht, nationaliseringen, sociale zekerheid). En waar de strategische keuze tussen reformisme en revolutie oorspronkelijk flinterdun was. De inkomensongelijkheid van toen is wellicht goed vergelijkbaar met de huidige verschillen tussen Noord en Zuid. In 1880 werkte een arbeider bij ons 12 uur per dag voor een gemiddeld loon van 7 Eurocent (2,85 frank) voor de mannen en 4 Eurocent (1,50 frank) voor de vrouwen.5 In 1998 werden in de ‘speciale economische zones’ in China lonen uitbetaald die rond de 13 dollarcent (12 Eurocent of 5 frank!) per uur lagen.6 Of 120 jaar de Internationale zingen in praktijk gebracht. In 1999 bedroeg het bnp per hoofd 32.700 dollar in Luxemburg en 530 dollar in Sierra Leone. Als ‘afgunst’ in de 19de eeuw een legitieme basis was voor het stichten van een socialistische beweging, inclusief een revolutionaire aanpak, dan zijn de materiële voorwaarden daartoe a fortiori vervuld in de Derde Wereld. Indien het Noorden hoopt om tot in de eeuwigheid een dergelijke scheeftrekking vol te houden, kan het eventueel advies vragen aan de Romanovs.
Wordt het dan geen tijd dat we het internationale herverdelingsvraagstuk eens op scherp stellen?
Het gemiddelde bnp per hoofd van de bevolking voor de hele wereld werd voor 1994 berekend op 5800$. Laat ons met egalitarisme redeneren: dit betekent dat de inwoner van Sierra Leone zowat 10 keer meer moet krijgen, en de Luxemburger het met 6 keer minder zou moeten stellen. Of is het onze bedoeling om de hele wereld op te trekken tot ons welvaartsniveau? Graag, maar dan moeten we eens kijken wat het ecologisch effect is van 1,3 miljard Chinezen die élk een auto (graag 2), een koelkast en een DVD willen. Maar ik geef toe, ‘iedereen rijk’ is een iets comfortabeler gedachte dan het idee dat de Derde Wereld het in zijn hoofd zou halen het geld te halen waar het zit. Is het niet geruststellend dat de antiglobalisten als voornaamste eis de Tobintaks op speculatieve muntbewegingen hebben? Ik heb immers zelf nog nooit gespeculeerd, dus dat zit wel snor.

Kan een politieke partij in zo’n discussie het intellectuele voortouw nemen? Voer ons aan, verlos de maatschappij? Ik merk dat er tot op heden weinig of geen voedingsbodem is voor een dergelijke standpunt. Agalev heeft dat in haar beginjaren nog geprobeerd, maar heeft het economisch congres van 1985 dezelfde avond al bij monde van haar kopstukken ten grave gedragen. Omdat anders gaan leven iets is dat een ander maar moet doen. De vraag is dan toch of we die intellectuele keuze voor een andere manier van leven, produceren, consumeren op tijd gaan maken. Of zoals gebrui­ke­lijk, pas wanneer de crisis al volop toeslaat en het dus al te laat is. Hoe praat je dat de gemiddelde Belg aan: ‘verande­ring’? Kan je derhalve van een partij verwachten dat ze een zeer ingrijpende maatschappelijke discussie opstart, waar zo goed als niemand op dit ogenblik duidelijke voorstellen doet voor wat Blommaert ook omschrijft als ‘de wereldwijde herverdeling van de rijkdom’. Excuseer me als ik iets gemist heb, maar zijn wij niet de rijken in dit verhaal?
Als het over Noord-Zuidverhoudingen gaat is het natuurlijk bijzonder moeilijk, tot zelfs onmogelijk om als progressieve partij van het Noorden een eisenplatform van het Zuiden op te stellen. Op de recente bijeenkomst van de WTO in Katar bleken de vertegenwoordigers van de ontwikkelingslanden maar matig opgezet met het eisenpakket van de antiglobalisten. Nog los van het feit dat een aantal regimes ginds enkel bestaat dankzij het trouw verdedigen van westerse belangen, heeft men in het Zuiden er niet steeds vertrouwen in wiens belangen eigenlijk gediend worden met bepaalde voorstellen. Door de grenzen te sluiten voor producten die niet kosjer zijn, hebben we nog niet zoveel gedaan voor de lokale ontwikkeling. In De Morgen van 25 november 2001 doet Professor Tandon het verhaal hoe uitgerekend het ‘sociale Europa’ op de WTO-conferentie in Doha meehielp om de ontwikkelingslanden te bedreigen met het verminderen van hun ontwikkelingshulp.7 Het is nét het feit dat ontwikkelingshulp niet verplicht is en door het Noorden naar eigen goeddunken wordt gegeven en ontnomen, dat het tot een instrument van onderdrukking maakt. De jarenlange en systematische repressie van elke syndicale en sociale zelforganisatie in het Zuiden zou ons ooit wel zuur kunnen opbreken omdat we geen gesprekspartners hebben, laat staan een eisenplatform om over te onderhandelen. Wat meestal tot explosieve situaties leidt. Het voorbeeld van 11 september kan een paar mensen op het idee gebracht hebben dat er vrij eenvoudige manieren zijn om de aandacht van de hele wereld op je probleem te trekken, en iets efficiënter dan jezelf in een pizzeria in Tel Aviv op te blazen. Wie niets te verliezen heeft dan zijn ketenen, heeft er sinds kort een interessant actiemiddel bij om de economie van de vijand te verlammen en de politieke agenda van de halve wereld te bepalen.
Het klinkt wat pervers, maar er is een uniek moment aangebro­ken om de (Vlaamse) bevolking aan te spreken over de Noord-Zuidproblematiek. Tot nu toe was ontwikkelingssamenwerking een ietwat abstract gegeven waar sommigen zich uit caritas of solidariteit voor interesseerden. Voor het overgrote deel van de bevolking bleef het echter een ver-van-mijn-bedshow. Alle redenen waren goed om te weinig te doen: de problemen ginds te groot, de corruptie dito, en hier zijn er zoveel uitgaven te doen dat die 0,7% er echt niet meer af kan.
Nu komen we echter langzamerhand op het moment dat de bevol­king van het Noorden aan den lijve zal gaan voelen welke gevol­gen de niet-ontwikkeling van het Zuiden ook voor haar mee­brengt. Het wordt tijd dat we ‘s lands bevolking een aantal dingen duidelijk maken: dat er geen goede argumenten voorhanden zijn om aan de bevolking van de Derde Wereld de welvaart te ontzeggen die we voor onszelf voorbehouden; dat geen grens hermetisch genoeg kan afgesloten worden om een echte stroom migranten tegen te houden. En dat zelfs met charters vol je ze niet allemaal zal kunnen terugsturen; dat als we dus toch zo graag ‘onder ons’ willen blijven, we er beter voor zorgen dat de andere 4 miljard mensen van de wereldbe­volking in eigen streek de kansen krijgt die het Noorden creëerde, voor een niet onaardig deel op de kap van het Zui­den. We moeten er voor strijden om structurele oplossingen te geven aan de Noord-Zuidproble­ma­tiek. Dit overstijgt veruit een campag­ne voor het vrij­wil­lig (en vrijblijvend?) engage­ment om 0,7% te besteden aan samenwer­king of voor een per definitie uitdovende Tobintaks. We moeten de rechten van het Zuiden op ontwikke­ling, eerlijke prijzen en vrije toegang tot onze markt voor hun producten laten erken­nen. En beseffen dat dit voor het Westen een kost zal zijn. Dit betekent evenwel dat er ook voor gezorgd moet worden dat de arbeiders in de Derde Wereld stevige sociale rechten krijgen: af­schaffing van kinderarbeid, veilige werkomstandigheden, syndicale rech­ten en dergelijke. Zoniet organiseer je met je vrije wereldhandel het failliet van onze onderne­min­gen die nooit kunnen optornen tegen de concurrentie van lagelonenlanden. De twee actiepunten dienen dus samen te gaan. We citeren daarbij Koen Raes: ‘Gedwongen solidariteit - zoals wij die kennen in ons stelsel van sociale zekerheid - mist de morali­teit van het motief, wordt vaak tot automatisme. Maar zij wint het in moraliteitstermen van het effect. Zij realiseert soli­dariteit waar de intenties te kort schieten of onvoldoende permanent blijken. Het gaat er niet om gedwongen solidariteit ten koste van spontane solidariteit af te dwingen, het gaat er om wie nood heeft institutioneel verankerde rechten toe te kennen.’ 8 Onze verhouding tot de rest van de wereld dient een vorm van gedwongen solidariteit te worden, net zoals we dit voordien gedaan hebben inzake sociale zekerheid bij ons. Omdat geen enkel land het recht heeft niet solidair te zijn met de rest van de wereld.

Onze sociale zekerheid is ook stelselmatig opgebouwd op het tempo van onze stijgende productiviteit en welvaart. Aangezien de toepassing van soci­ale minimumnormen in de lagelonenlan­den, daar tot een verminderde groei kan lei­den, zullen deze landen hiervoor moeten gecompen­seerd worden door grotere financiële stromen vanuit de indus­trielanden. Zou het niet moge­lijk zijn een begin te maken met een internationaal stelsel van sociale zekerheid? De multila­terale organisaties (IAO, VN) richten dan een fonds op waarop ontwik­kelingslanden sociaal ge­conditioneerde trekkings­rechten zouden kunnen uitoe­fenen ten behoeve van hun kersverse sociale be­schermingssys­te­men. Enkel wie de sociale minimumnor­men respec­teert, kan uit dit fonds putten voor de financiering van - in eerste instantie - pensioenen en medische verzorging. Hoe hoger de sociale bescher­ming, hoe hoger de trekkingsrech­ten.Het fonds wordt gefinancierd vanuit een bijdrage vanwege elk land in functie van zijn bnp. Een land dat economisch ontwik­kelt, zal dus metter­tijd méér bijdragen. De bedoeling moet zijn, zoals in ons nationaal stelsel van sociale zekerheid, om het inkomen per hoofd van de bevolking te nivelleren. De 0,7% ontwikkelingssamen­werking die momenteel in verspreide slagorde en zonder strate­gie wordt uitgegeven, niet in het minst ten eigen bate, vervangen we door een controleerbare bijdrage aan het internationaal stelsel van sociale zekerheid.
Aangezien er hierdoor koopkracht wordt gecreëerd in die lan­den, ontstaat er een binnenlandse markt die uiteindelijk ook voor ons nieuwe per­spec­tieven biedt. Zodat een en ander geen permanent verarmingsscenario hoeft te betekenen voor het Noorden. Net zo min als de bevolking er globaal is op achteruitgegaan door de vroegere nationale herverdelingsscenario’s. Een degelijke sociale bescherming zal ongetwijfeld op middellange termijn al posi­tieve gevol­gen hebben op de demografische ontwikkelingen en op de migratie­stromen.

Maar hiermee zitten we al een eindje verwijderd van onze grenzen. En dat is net het verschillend perspectief van de sp.a-voorzitter en van de professor Afrikanistiek. De tekst die Blommaert van Janssens verwacht kan een partijvoorzitter vandaag niet schrijven. Omdat hij zich dan met zijn partij te ver buiten het conventioneel denken zou plaatsen. Er zijn overigens nauwelijks intellectuelen die dat wél doen. En in de tweede plaats omdat een Vlaamse partij de wereld niet kan verbeteren.
Janssens kan die tekst wél schrijven als lid van de Europese Socialistische Partij (PES), en als lid van de Socialistische Internationale. Maar laten we ons daar ook niet al te veel romantische illusies over maken. De Noord-Zuidbreuk loopt keihard door de Internationale, en de nationale belangen primeren veruit boven de socialistische verbondenheid binnen de PES. En nu ik er aan denk, sp.a en PS vormen ook niet direct één strijd, één front.
De mogelijkheid voor Belgische politici om de samenleving te reguleren is véél beperkter geworden dan pakweg 50 jaar geleden. Ongetwijfeld had politiek toen ook zijn limieten, zeker in een klein land als België. Gedurende 50 jaar zijn steeds meer bevoegdheden formeel of informeel ontnomen aan de Belgische overheden en berusten nu bij allerlei internationale of supranationale instellingen. Maar méér nog is beslissingsmacht ontglipt aan het politieke niveau an sich. Steeds vaker beslissen economische en financiële processen over de vormgeving van deze wereld. Het is zeer de vraag of zelfs een politieke revolutie op Europese schaal op zich voldoende is om andere Noord-Zuidrelaties tot stand te brengen. In die zin is zowel de strijd voor Vlaams federalisme of separa­tisme of voor Belgisch unitarisme irrele­vant geworden. Terwijl er binnen de Belgische staat nog getouwtrek is om de bevoegdheden, worden van bovenuit belangrijke bevoegdheden weggetrokken uit de nationale staat. We mogen gaan kiezen voor de provincieraad, maar hebben niets te zeggen over de Europese Commissie. Als je voor iets kan kiezen, is het wellicht niet meer belangrijk. Op een moment dat het economisch en financieel systeem meer dan ooit te voren internationaal, mondiaal georganiseerd is, zou het bijzonder kortzichtig zijn om terug te plooien op steeds kleinere nationale staten en deelstaten, om daar een illusie van macht te koesteren.
Binnen België gaat ‘beleid’ steeds meer over ‘bestuur’, waarbij als politieke keuzes enkel nog de uitvoeringsmodaliteiten van supranationale richtlijnen resteren. Of het verwerken van evoluties waar klassieke politiek al lang geen vat meer op heeft. Wat meteen verklaart waarom er zo weinig politiek debat is in het parlement: 80% van het werk is de technische omzetting naar nationaal recht van reeds eerder en hogerop besliste zaken. Waarbij ‘accentverschillen’ weliswaar zeer relevant, maar zelden zeer politiek zijn.

Conjunctuur is een begrip dat enkel van pas komt als het slecht gaat, tijdens een hoogconjunctuur is het de regering die de werkloosheid deed afnemen en de bedrijven een gunstig ondernemingsklimaat bezorgde. Er is dan ook een perfecte verstandhouding tussen de media en de politiek ontstaan. Net zoals de lokale reporter nauwgezet de persmededelingen van de lokale burgemeester verslaat, of een sportjournalist een uitspraak van de keeper van Racing Heirnis in dikke kapitalen in zijn krant zet, wordt het Belgische politieke gebeuren verslagen alsof het telkens om zéér belangrijke zaken gaat. Waarbij de sigaren van Van den Bossche méér kolommen krijgen dan de hervormingen in de sociale zekerheid van Vandenbroucke. Omdat noch de pers, noch de politici enig belang hebben bij een relativering van hun bedrijf. Aangezien een Europees commissaris, de voorzitter van het IMF of de manager van Microsoft slechts zeer uitzonderlijk binnen het bereik liggen van een doorsnee journalist, wordt het nieuws gemaakt waar de Belgische kranten het zélf kunnen vinden.
Dit heeft twee belangrijke gevolgen wat betreft het politiek personeel zelf. Aangezien de boodschap, het ‘Grote Verhaal’ steeds minder relevant wordt in het bestuur van het land, wijzigt ook langzamerhand de perceptie van de burger over de politici. Mensen voelen gewoon dat veel van hun volksvertegenwoordigers er voor spek en bonen bijlopen. En dus kan je evengoed voor een toffe pee stemmen dan voor een groot staatsman. De uitwisselbaarheid tussen politieke figuren en mediafiguren wordt steeds groter, en loopt merkwaardig genoeg in beide richtingen. Van de baas van je bedrijf wordt niet verwacht dat hij het goed doet bij Geena Lisa. En weinig werknemers zouden het overigens appreciëren dat hun patroon daar rondloopt. Anderzijds, moeten de bazen niet verkozen worden.
De perceptie dat het allemaal ‘hetzelfde’ is, creëert ook ruimte voor politieke avonturen. De Blok-kiezer verwacht niet eens dat zijn partij de problemen oplost, de andere partijen doen dat immers ook niet. En we mogen toch al eens lachen, zeker achter het stemgordijn.
Daarom zijn idealisten steeds meer geneigd om de traditionele politiek te laten voor wat het is, en andere kanalen te zoeken. Wanneer dit engagement over grotere politieke thema’s als internationale verhoudingen, globale economische ontwikkelingen, milieuproblemen of mensenrechten, kortom om klassieke politieke thema’s gaat, is een inzet in een internationaal vertakt netwerk van organisaties wellicht relevanter dan in een klassieke politieke partij. In de Belgische politieke programma’s wordt dit soort onderwerpen immers vaak nog louter als achtergrondinformatie bij het bestuursprogramma aangesneden zonder dat hiertegenover nog concrete initiatieven (kunnen) staan. Wie eerlijk is, moet toegeven dat internationale politiek geen kerntaak is van de Belgische politieke partijen, doodeenvoudig ook omdat er geen politieke markt voor is. Toen die er éven wel was, met de rakettenbetogingen van de jaren 80 stond de SP wél vooraan.

Het verfrissende van de democratische globalistische beweging is dat een generatie jongeren weer met grote politieke onderwerpen bezig is, en er een stuk idealisme wil in leggen. Na de generatie jongeren die enkel de vernieuwende boodschap hadden ‘ik ben jong, zet me dus hoog op uw lijstje’, is het een hele verademing dat er nu tieners op straat komen voor een idee, en niet voor zichzelf. Het is overigens opvallend dat in de moderne geschiedenis de grote politieke volksbewegingen rond internationale dossiers draaiden. Ban de Bom in de jaren zestig, de rakettenbetogingen van VAKA, en de nu kiemende globalistische beweging. Even merkwaardig is dan ook dat dit nauwelijks een thema is in de nationale politiek en zelfs Europa niet tot leven wordt gewekt in de politieke verslaggeving.
Om met die generatie een boeiend politiek gesprek aan te knopen, moet Patrick Janssens méér doen dan meestappen in de betogingen. Als voorzitter van de Vlaamse socialisten kan hij zich engageren opdat onze partij vooraan gaat lopen in het debat binnen de Europese Socialistische Partij en de Socialistische Internationale, en ervoor zorgen dat die twee internationale structuren zich voor het eerst in hun bestaan écht gaan engageren op het thema van de internationale rechtvaardigheid: geen lippendienst maar concrete maatregelen die de lat gelijk leggen. Maar de Blommaerts van dit land zullen dan ook vooraan moeten lopen in de strijd om voor zo’n politiek een draagvlak te leveren.

Noten
1. Jan Vranken e.a, Armoede en Sociale Uitsluiting, jaarboek 1999, Acco.
2. O. Debunne, Socialisten, wat ze zijn wat ze willen, Emile Vandervelde Instituut, 1977, blz. 26
3. Mattheus, hoofdstuk 10: 24 Jezus echter antwoordde opnieuw en zei tot hen: Kinderen, hoe moeilijk is het voor hen die op vermogen vertrouwen, het koninkrijk van God binnen te gaan. Het is gemakkelijker dat een kameel door het oog van de naald gaat, dan dat een rijke het koninkrijk van God binnengaat.
4. H. de Man, De psychologie van het Socialisme, Standaard Uitgeverij, 1974, blz. 89.
5. ABVV-AMSAB, Een eeuw solidariteit, geschiedenis van de socialistische vakbeweging, 1998, blz. 14.
6. Naomi Klein, No Logo, 2000, blz 212.
7. De Morgen, ‘Een catastrofe voor het Zuiden’, Catherine Vuylsteke, 26 november 2001. Zie ook De Standaard ‘Rijke landen zetten handelsconferentie naar hun hand’, 12 november 2001.
8. ‘Socialisme op de drempel van de 21e eeuw’, Socialisti­sche Standpun­ten verslagboek colloquium 22/6/91, februari 1992.

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 1 (januari), pagina 5 tot 13