(Alle Sampol-artikels, behoudens die van de laatste 6 nummers, worden hier integraal beschikbaar gesteld. Geen overname zonder bronvermelding.)

In Brussel kiezen we pas echt in 2019

1 JAAR VOOR DE LOKALE VERKIEZINGEN

oktober 2017
Corijn Eric
2017

In Brussel zijn de echte lokale verkiezingen pas voorzien in 2019. Dan wordt het beleid in het stadsgewest vastgelegd. Dan worden stedelijkheid en communitarisme tegen elkaar afgewogen. In 2018 organiseren negentien gemeenten wel lokale verkiezingen. Het gaat dan in feite slechts om districten in een kleine wereldstad.

 

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bestaat weldra dertig jaar. Het werd een lid van de Belgische deelstaten in 1989, negen jaar na de twee andere gewesten en lang na de invoering van eentalige gemeenschappen. Het gebied was ook geen deel van de gemeentelijke fusies van 1977. Ook ter gelegenheid van de Antwerpse fusie van 1983 bleef Brussel onaangeroerd.

Aldus werd de grootste stad van het land ook een groot Belgisch bestuurlijk kluwen. Want laten we meteen duidelijk zijn: het probleem Brussel is het probleem van de Belgische staatsstructuur. Die beoogt eentalige territoria in te stellen, het ideaal van het 19de eeuwse nationalisme. Alleen zijn die in België niet duidelijk af te bakenen, zodat elk van de drie gewesten op een eigen wijze meertalig is. De Duitstalige gemeenschap ligt in Wallonië en noemt zich nu Ost-Belgiën. De rand van het Brussels Gewest hoort officieel bij Vlaanderen maar kent vele gemeenten waar Vlamingen misschien wel thuis zijn maar dan wel taalkundig in de minderheid.

En Brussel? Wel, Brussel is het enige officieel tweetalige gebied. En ook dat is een misvatting. Brussel is één grondgebied waarop twee ééntalige deelstaten zelfstandig opereren, veelal zonder veel overleg. Echte meertaligheid is in België bijna onwettelijk geworden. En daardoor is ook de democratie in Brussel zeer onrechtstreeks en getrapt. Want er zijn geen tweetalige lijsten, geen meertalige verkiezingen. Voor je een politieke kleur kiest, moet je eerst van een taalrol zijn. Er zijn twee aparte kiescolleges. Daarbinnen wordt eerst een meerderheidscoalitie afgesproken, en dan worden die twee coalities paritair aan elkaar geplakt in een Brusselse regering. Zo komt het dat de Brusselse liberalen in het Vlaams kiescollege in de meerderheid zitten en in het Frans kiescollege de grootste oppositie vormen.

Niet erg leesbaar voor een gewone burger. Zeker niet uit het buitenland. Niet verwonderlijk ook dat de Brusselaars zich steeds meer afkeren van die Belgische koterij. Maar daarover straks meer.

BRUSSEL IS EEN STADSGEWEST

Want nu hebben we het over het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Dat is het niveau dat het dichtst bij de Brusselse stedelijke realiteit staat. Hoewel. Het Gewest telt nu zowat 1,2 miljoen geregistreerde inwoners. Ik zeg ‘geregistreerd’, want daarbovenop zijn er nog zowat 100.000 vaste verblijvers. Neen, niet allemaal ‘illegalen’. Zo is Brussel de grootste studentenstad van het land en vele van de 90.000 hogeschoolstudenten zijn niet op hun kot gedomicilieerd. Dus 1,3 miljoen en via de demografische boom wordt dat weldra zo’n 1,5 miljoen.

Brussel heeft een nogal bloeiende economie. De arbeidsmarkt is er goed voor zo’n 720.000 jobs, vooral in de diensten- en zorgsector. Brussel levert de meest hooggeschoolde arbeidsmarkt van Europa. Elk jaar zet de Eurostat-ranking het gewest op de tweede of de derde plaats in strijd met Luxemburg, achter het rijkste gewest London (maar dat verdwijnt weldra uit de EU-statistieken). Die arbeidsmarkt bedient echter vooral de periferie. De meerderheid van de jobs wordt ingenomen door pendelaars, waarvan er toch velen in de grootstedelijke rand wonen. In de twee andere gewesten zeggen de Belgische statistieken. In de uitgestrekte horizontale metropool zeggen de wetenschappers. Zeg maar: het oude Brabant. Het functioneel stedelijk gebied is zeer uitgebreid. Het omvat vele andere kleinere steden en moet weldra door een gewestelijk expresnet, het GEN, worden bediend. Als de Belgische staat dat wil natuurlijk. Zoals het gebied volgens de zesde staatshervorming ook een overlegstructuur zou moeten krijgen, maar ook dat ligt sommige politici niet. Maar toch moeten wij van het stadsonderzoek rekenen met een metropool van zowat 3 miljoen mensen. Men kan niet anders dan vaststellen dat er op dat vlak nog een groot democratisch deficit is op te vullen, dat niet alleen zorgt voor aanslepende patstellingen (de geluidsnormen bijvoorbeeld) en een slechte ruimtelijke ordening, maar vooral voor een grote sociale en fiscale scheeftrekking. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest moet niet alleen de Belgische staatsstructuren bedienen maar ook de tienduizenden stadsgebruikers die er wel jobs en diensten krijgen, maar er noch belastingen betalen of stemrecht krijgen.

Laten we het maar zelf zeggen: Brussel is een institutioneel gedrocht. Een groeiende stad, versmacht door de Belgische stammentwisten.En daardoor ook vinden de grote uitdagingen en de crisisdossiers - tewerkstelling, huisvesting, onderwijs en mobiliteit - zo moeilijk een dynamisch en geïntegreerd beleid. Elke instelling heeft een eigen visie en beleid, hangt af van decreten en professionelen uit de andere gewesten, ontbreekt de ervaring van grootstedelijkheid. In België blijkt het moeilijk een grote stad dynamiek te geven.

MEERSCHALIG BELEID IS NODIG

Hoe moeten we in die context het ‘lokale’ definiëren?

De metropolitaanse schaal wordt niet geduld. Te groot voor België. Hier denkt men nog steeds dat het platteland domineert. Het Gewest zelf behoort dus niet tot de lokale verkiezingen. Daar wordt gestemd samen met de Europese en de federale niveaus.

De gemeenten dan. Negentien in getal. Of beter: één stad en achttien gemeenten. Die stad is de meervoudige hoofdstad, heeft een groot budget en is een staat binnen het gewest. Ze telt maar 180.000 inwoners. Daarvan woont slechts een derde in de historische vijfhoek en ongeveer de helft in de in 1921 opgekochte deelgemeenten Laken, Haren en Neder-over-Heembeek. Een nogal kleine hoofdstad dus. Dan zijn er de zeven gemeenten van de eerste industriële gordel: Sint-Gillis (afgerond 50.000 inwoners), Anderlecht (118.000), Sint-Jans-Molenbeek (97.000), Sint-Joost-ten-Node (27.000) en Schaarbeek (133.000), en dan in de hoogstad Etterbeek (47.000) en Elsene (86.000). In het Interbellum en na de Tweede Wereldoorlog is de tweede gordel verstedelijkt in de rijkere zuidoostelijke gemeenten Ukkel (82.000), Watermaal-Bosvoorde (25.000), Oudergem (33.000), Sint-Pieters-Woluwe (41.000) en Sint-Lambrechts-Woluwe (55.000). Die periferie bevat ook de meer middenklasse residentiële gemeenten Evere (40.000), Ganshoren (25.000), Jette (52.000), Koekelberg (22.000), Sint-Agatha-Berchem (25.000) en Vorst (56.000). De gemeenten zijn dus erg verschillend in schaal en bevolkingsaantal. Vele van de gemeenten in de eerste gordel zijn wel te vergelijken met Vlaamse centrumsteden.

De gemeentegrenzen zijn producten uit de geschiedenis. Er zijn zeker rijke en arme gemeenten, maar de sociale geografie van Brussel doorkruist vele grenzen. Zo kennen Anderlecht en Molenbeek naast de volkse migrantenbuurten ook meer perifere witte middenklasse buurten. De arme centrale ‘croissant’ wordt in feite gevormd door de oude industriële wijken rond het kanaal, die hun bedrijven en hun handenarbeid zijn verloren. De door wetenschappelijk onderzoek opgezette Wijkmonitor van het Gewest rekent met 118 bewoonde buurten. Daarvan zijn er ruim een derde gemeentegrensoverschrijdend. Zo ligt de Europese wijk in drie gemeenten (Brussel-stad, Elsene en Etterbeek). Om maar te zeggen dat ook de gemeenten in feite een slechte maat zijn voor ‘het lokale’.

De gemeenten zijn wel de enige volkomen democratische structuur. Hier geldt nog ‘één man (mens), één stem’ en worden de zetels gelijk toegewezen. Daarom ook dat de Franstaligen die autonomie niet willen inruilen voor de getrapte verkiezingen van het gewest en de paritaire bovenbouw. Ze wijzen - en niet helemaal onterecht - op de zware oververtegenwoordiging van een kleine minderheid. Willen die Vlaamse partijen in hun pleidooi voor een fusie van de gemeenten ook hun pariteit ter discussie stellen? En hoe worden dan de rechten van de minderheden, en misschien niet alleen van de Vlaamse, in dat éne stadsgewest geregeld? Die kwesties worden in de Vlaamse media onaangeroerd gelaten in de (terechte) roep om een institutionele vereenvoudiging. En daar draait het om: de gemeenten hervormen, betekent meteen ook de gemeenschappen herzien. Daar blokkeert het debat. Zodanig zelfs dat de Franstaligen die opkomen voor institutionele vereenvoudiging zelfs overwegen dat eenzijdig te doen. Zo is de voorzitster van het Franstalig parlement in Brussel voorstander van het afschaffen van die instelling en van de overdracht van die bevoegdheden aan het Gewest. Zoals in Vlaanderen zou je dan een regering hebben met zowel regionale als gemeenschapsbevoegdheden. Maar de VGC (Vlaamse Gemeenschapscommissie), die in tegenstelling tot de COCOF (Franse Gemeenschapscommissie) geen wetgevende bevoegdheden heeft en dus afhankelijk blijft van Vlaanderen, kan niet meegaan in zo’n beweging.

Ik zei het al: een institutioneel kluwen waarin iedereen om vereenvoudiging schreeuwt maar niemand eigen bevoegdheden wil opgeven. En dus zal het nog wel een tijd zo blijven.

DE REALITEIT ZET ZICH DOOR

En toch is er de laatste paar jaren heel veel veranderd in de hoofdstad. En dat op verschillende vlakken.

Laten we beginnen met de grondstroom: Brussel valt gewoonweg niet meer op zijn Belgisch te vertellen. In diezelfde dertig jaar van staatshervormingen is die stad van een industriële hoofdstad van België een postindustriële kosmopolitische hoofdstad van Europa geworden. In de jaren 1970 was, tegen de Antwerpse en Luikse schijn in, Brussel nog de stad met de grootste secundaire sector: zowat 170.000 mensen werkten er in de vele middelgrote bedrijven, vooral rond het kanaal. Die industrie, en meteen ook die tewerkstelling, is verdwenen. Die structurele werkloosheid is tot vandaag nog niet opgevangen en daarom blijft de werkloosheid hoog, vooral in de volkse buurten. Onder impuls van de internationalisering is de economie nu vooral in diensten en zorg actief. Ruim 90% van de tewerkstelling zit in die sectoren. Een stuk daarvan heeft met de Europese Unie te maken. De eerste ambtenaren van de eerste EEG kwamen met zo’n 300 nogal toevallig in Brussel terecht (De zes hadden nagelaten in Rome een centrum vast te leggen. Toen Charles de Gaulle in 1958 ervan uitging dat dat Parijs zou worden, zaten de anderen in een afwijzingsfront. Omdat België met een B begint en dus de eerste voorzitter van de Raad werd, kwamen de eerste paar ambtenaren voorlopig in Brussel terecht). Vandaag zijn er zo’n 40.000 ambtenaren aan de slag bij de vijf belangrijkste instellingen die vanuit Brussel opereren. Tel daar de 4.000 NAVO-ambtenaren bij. En bereken de vele logistieke spin-offs. Brussel is de wereldhoofdstad van de lobbyisten. Er zijn ruim 300 regionale vertegenwoordigingen. Er zijn internationale bedrijven, juridische diensten, internationale pers. Kortom: zo’n 120.000 jobs zijn rechtstreeks verbonden met de internationalisering. Met verwanten loopt dat snel op tot zo’n 200.000 mensen.

Naast de belangrijke arbeidsmigratie vanaf de jaren 1970 - de migranten - is er dus ook de internationalisering - de expats. En die processen zorgden voor een grondige ombouw van de stad. Een derde van de bevolking heeft geen Belgische identiteitskaart. Daarvan vormen de 62.000 Fransen de grootste groep. Maar bij de Belgen heeft ongeveer de helft buitenlandse roots. De overgrote meerderheid van de Brusselaars heeft dus geen Belgo-Belgische referenties. En ook de twee nationale gemeenschappen blinken niet uit in chauvinisme. De Franstalige Brusselaars zitten dan wel in de Communauté Française de Belgique, meer dan de taal hebben ze niet gemeen met de Walen. Een Fédération Wallonie-Bruxelles is dan wel een instelling, het is zeker geen voorbode van een land. ‘Et pour les Flamands la même chose’. Je hebt ongetwijfeld de Brusselse Vlamingen, verbonden met de Vlaamse zaak. Maar je hebt evenveel Vlaamse Brusselaars, waarvan er steeds meer zichzelf Nederlandstalige Brusselaars noemen. Die hebben geen deel aan de politiek in het Vlaamse Gewest, ook al wordt die in de media veralgemeend tot ‘Vlaanderen’. Dat wordt steeds duidelijker: Brussel behoort niet tot Wallonië, maar ook niet tot Vlaanderen.

DE INSTELLINGEN VERBRUSSELEN

Als er al gemeenschappen zijn in de stad dan zijn er dat veel meer dan alleen Vlamingen en Franstaligen. De Vlaamse gemeenschap, geen 100.000 mensen sterk maar met een budget voor 300.000, heeft zich snel gericht op die veelheid. De instellingen werden een vroege drager van interculturele verstedelijking. De Franse gemeenschap gaat in principe niet om met de ‘communautés’ en werkt alleen naar individuele burgers, maar dan wel vanuit een zeer sociale en egalitaire visie. In beide gevallen zijn er enerzijds de instellingen en de decreten en anderzijds de stedelijke gemengde werkelijkheid.

Alle identitaire discussies ten spijt, is het werkelijke beeld van Brussel er één van vermenging. Nemen we de resultaten van de taalbarometer waarin Rudi Janssens al drie keer het werkelijke taalgebruik in kaart bracht. Dan zien we dat het Frans nog het meest gebruikt wordt, maar slechts in zo’n 48% van de gevallen. Het Engels is al de tweede taal. Dan komt het Nederlands, vormen van Arabisch en vele andere talen. Dat komt ook tot uiting als je vraagt naar de talenkennis. Dan blijkt het Frans voor 88% van de Brusselaars duidelijk de lingua franca, opnieuw voor het Engels en het Nederlands. Maar het meest opmerkelijke is de groeiende meertaligheid. Gevraagd naar de thuistaal dan is die bij slechts 5,5% van de huishoudens uitsluitend Nederlands en bij slechts 33% uitsluitend Frans. In 61% van de Brusselse huishoudens worden dagelijks meerdere talen gesproken, soms Frans-Nederlands (15%) of Frans met een ander taal (15%) of in ruim een derde van de gevallen twee of meer andere talen. Niet te verwonderen dat de roep naar meertalig onderwijs of multiculturele infrastructuur in Brussel toeneemt, maar dat wil België niet.

Wat we hier illustreren is de toestand in een, weliswaar kleine, wereldstad. Een stad die niet alleen met een direct hinterland is verbonden, maar ook met de rest van de wereld. En in het geval van Brussel heeft dat hinterland een eerder vijandige voorstedelijke houding, gesteund op een combinatie van suburbane mentaliteit en nationalistisch chauvinisme. Men kijkt weg. Media en beleid kunnen blijkbaar leven met het feit dat een derde van de bevolking op of onder de armoedegrens leeft. Als de tunnels maar onderhouden worden, de invalswegen breed genoeg blijven en het Maximilaanpark en Molenbeek regelmatig ‘opgekuist’ worden. We zien in Brussel wat we in zeer vele landen zien: een toenemende spanning tussen de stedelijkheid en de nationaliteit, tussen de stad en de rest van het land. En in België is dat nog sterker het geval wanneer twee kleine buurlanden in opbouw die stad samen willen besturen.

WIJ BESTAAN!

Er is een Brussels groepsgevoel ontstaan. Laten we zeggen dat het kantelpunt in 2000 kan worden gelegd, het jaar dat Brussel Culturele Hoofdstad van Europa was. In de voorbereiding daarvan is voor het eerst de spanning tussen het Brusselse veld en de instellingen gevoeld. De artistieke sector had aan een programma gewerkt waarin stedelijkheid centraal stond en de mengvormen en interculturele interactie werden gevierd. Maar het Belgisch cultuurbeleid wilde aparte projecten, met aparte subsidielijnen en aparte ministers om de linten door te knippen. Het werd een kortsluiting. Brussel liet zich niet langer vatten in de mal van de Belgische mentale kaarten.

Vanaf 1994 was het KunstenFestivaldesArts als eerste bicommunautair project al tegen de stroom in gevaren. Brussel 2000 zag de geboorte van de Zinnekeparade, een sociaal-artistieke viering van de gemengde stad die sindsdien elke twee jaar de stad met zichzelf confronteert. En uit Brussel 2000 is in 2002 ook het Brussels Kunsten Overleg en in 2004 het Réseau des Arts de Bruxelles ontstaan. De twee in elkaar verstrengelde netwerken deden wat de overheid niet kon: samenwerken en een stedelijk cultuurbeleid uitdenken. Bijna alle artistieke huizen en projecten werden lid. Lang voor er een cultureel akkoord tussen de twee gemeenschappen was, hadden de huizen in Brussel zelf al akkoorden gesloten. In 2009 werd door de sector zelf een cultuurbeleid voor Brussel voorgesteld. Daar had men twee jaar aan gewerkt. Het middenveld deed wat de overheid niet mocht doen.

Steeds meer gemeenschapscentra, buurtwerkers, kunstenaars, leraars en andere eerstelijnswerkers botsten in hun zeer gemengde omgeving met de administratieve en institutionele aberraties. Het Brusselse middenveld is intussen meester in de schijn geworden en ook de instellingen willen het graag zo houden. De formulieren worden wel ingevuld in de gewenste taal en dan zorgen we wel dat we verstaanbaar blijven in alle talen. Maar die modus vivendi werkt wel in Brussel. Temeer daar de Brusselse politici ook wel hebben begrepen dat hun bevolking niet uit de twee nationale gemeenschappen bestaat. Er is niet alleen een communautaire pacificatie maar ook echt een begrip voor de nieuwe stedelijkheid in de Brusselse politiek. In feite is het regionalisme sterker dan het communitarisme.

Maar het wordt natuurlijk spannender als de partijen en de ‘grote’ politiek zich beginnen te moeien. Zo was er in 2006 wat spanning in het allesomvattende politieke vraagstuk van de splitsing van BHV. In het gewoel begonnen Vlamingen en Walen al plannen te maken hoe ze in een zesde staatshervorming Brussel samen zouden besturen als een soort gedeeld protectoraat. Er kwam reactie met een manifest: ‘Nous existons! Wij bestaan! We exist!’. Het kreeg op enkele dagen tijd meer dan tienduizend handtekeningen. Daaruit ontstond het Platform van de Civiele Maatschappij waarin de vakbonden en patronale organisaties, het kunstenoverleg, het netwerk van buurtcomités, de milieuorganisaties, een denktank en enkele sociale media elkaar vonden. Die lanceerden de grootse operatie van de Staten-Generaal van Brussel. Aan de universiteiten werd gevraagd 16 thematische rapporten te maken en dat te doen met onderzoekers overheen de communautaire en filosofische breuklijnen. In het najaar van 2008 en voorjaar van 2009 werden die 16 rapporten voorgelegd aan 16 publieke hoorzittingen. De teksten werden meer dan 26.000 keer gedownload en de debatten kregen bijna 3.000 deelnemers. Het gehele proces werd gebundeld via twee congressen en een eindrapport. Dat werd in een overvol Kaaitheater aan de politiek voorgelegd. Voor het eerst werd beleid ontworpen dwars doorheen de institutionele bevoegdheidsverdelingen. Het duurt voor zoiets doorsijpelt, maar de politiek in Brussel is sindsdien wel enigszins gewijzigd.

Er is vooral al veel gebeurd in het veldwerk. Zo hebben de universiteiten hun diverse Brussel-onderzoek genetwerkt in een Brussels Studies Institute. Zo werd het Brussels Cultuurplan voorgesteld aan de enige gezamenlijke vergadering ooit van de Franse en Vlaamse cultuurcommissies. Zo wordt er gewerkt aan een Marnixplan voor een drietalige kennis in elke middelbare school in Brussel. Zo hebben KVS en Théatre National nu een structurele samenwerking. Er is dus druk van onderuit.

POLITIEKE HOOGSPANNING

Het Brussels politiek regime staat onder druk. Niet alleen van onderuit. Ook door de al te gesloten bestuursvormen die aanleiding gaven tot misbruiken en schandalen. En dus moet er wel gepraat worden over een nieuwe ‘governance’. Dat wordt alleszins de inzet van de komende verkiezingen.

Eerst dus het voorspel in 2018. Daarin zullen in vele gemeenten tweetalige lijsten opkomen en niet alleen vanuit de traditionele partijen. Er beweegt veel. Of dat in de lokale verkiezingen al te zien zal zijn, is nog niet duidelijk. Er zullen nog wel enkele peilingen en personeelswissels gebeuren voor het speelveld duidelijk wordt. Maar ook al mogen de EU-burgers op dat niveau meestemmen, weinigen doen het omdat ze weten dat de grote lijnen in het gewest worden uitgezet.

De gemeenteraadsverkiezingen in Brussel maken deel uit van de sociale geografie en hebben dus verschillende politieke agenda’s.

De arme centrale gemeenten missen open ruimte, collectieve voorzieningen en een gezond stedelijk weefsel, maar ook een stevig fiscaal draagvlak. Ofwel richt het beleid zich op het aantrekken van een draagkrachtige bevolking en zoeken ze opwaardering via vermenging en gentrificatie. Ofwel geven ze prioriteit aan sociale programma’s en opwaartse sociale mobiliteit. Vooral omdat die plekken wijken van aankomst zijn en het overgrote deel van de demografische boom opvangen. Het is een echte maatschappelijk keuze.

In de al dure gemeenten in de hoogstad of het zuid-oostelijke kwadrant, gaat het om een meer duurzame ontwikkeling en economische dynamiek. Maar ook om het verzet tegen verdere verdichting en zeker tegen al te grote instroom van nieuwkomers of sociaal behoeftigen. Het bestaan van autonome gemeenten heeft er in Brussel voor gezorgd dat je een betere spreiding van lokale infrastructuur en diensten hebt, vergeleken met de meeste andere steden. Daar is vooral het centrum bediend ten nadele van de perifere buurten. Maar die gemeentelijke autonomie zorgt ook voor meer concurrentie in de zoektocht naar investeringen en kapitaal.

De lokale verkiezingen leveren de thuisbasis voor de politici die van daaruit visies ontwikkelen over de gewestelijke stadsontwikkeling. De besliste decumul zal een scheiding invoeren tussen gemeentelijke burgemeesters en schepenen, en de gewestelijke parlementsleden. En vermits er geen ingrijpende institutionele hervormingen te verwachten zijn, zal veel beleid afhangen van samenwerken, visie en leiderschap. Dan is het de vraag waar de politieke zwaargewichten zullen terechtkomen. Ze zijn nu al vooral municipalisten. De vrees bestaat dat de meesten liever burgemeester zijn en van daaruit het gewestelijk beleid bepalen. Dan wordt het nog moeilijker voor de gewestelijke politiek om een transversaal beleid te voeren.

In 2019 komen dan de gewestverkiezingen. Daarin mogen de niet-Belgen niet meedoen. Een derde van Brussel is dus uitgesloten. En dan zal de inzet worden bepaald door de balans van de rechtse coalities, door de al dan niet zevende staatshervorming, door de peilingen voor N-VA en PS, door de voorakkoorden en de coalities en… door de nieuwe besturen in de 19 gemeenten. Maar in al dat gewoel zullen het voor Brussel toch ook weer ‘lokale ‘verkiezingen zijn. Want dan wordt de nieuwe regering - ons schepencollege - en de nieuwe minister-president - onze burgemeester - aangeduid. Misschien wordt het ooit institutioneel wat transparanter. In afwachting zal er steeds meer moeten worden samengewerkt in het raam van één gewestelijke visie. Men kan hopen dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voldoende politiek gewicht en leiderschap kan genereren tussen hamer en aambeeld van de lokale baronieën en de federale particratie.

Intussen staat één ding vast: geen van de twee andere gewesten kan overleven zonder Brussel en geen van die twee alleen zal de Brusselaars ooit meekrijgen. Dat is de gordiaanse knoop van elke separatist in België. Brussel is misschien wel een derde gewest maar van een totaal ander type dan Vlaanderen of Wallonië: het is immers een stad. Intussen wordt die steeds meer een transnationale stad - de tweede meest diverse stad van de wereld - met een missie te worden wat ze al is: de hoofdstad van Europa. En zo is hier de lokale politiek ook zeer direct verbonden met de wereldpolitiek. Men kan bezwaarlijk stellen dat de Belgische politieke koterij er inspirerend is voor mondiaal leiderschap. Dat is misschien wel het grootste Brussel-vraagstuk voor politieke wetenschappers: hoe kan een versnipperde, gesegmenteerde en gefragmenteerde institutionele organisatie vanuit die vele minibevoegdheden een erudiet politiek leiderschap voor een Europese hoofdstad genereren?

Eric Corijn
Cultuurfilosoof en sociaal wetenschapper, hoogleraar Stadsstudies aan de VUB,
vicevoorzitter van het Brussels Studies Institute en directeur van de Brussels Academy.

Samenleving en politiek, Jaargang 24, 2017, nr.08 (oktober), pagina 13 tot 20

gemeenteraadsverkiezingen - Brussel - gewesten

Free business joomla templates
Ontwerp Amsab - Powered by Amsab helpdesk