Log in

Hoe betreden de linkse partijen de electorale arena?

1 JAAR VOOR DE LOKALE VERKIEZINGEN

Het vele geruzie binnen de regering-Michel de voorbije jaren deed bijna vergeten dat men aan het begin van dit kabinet droomde van 10 jaar centrumrechts bestuur. De peilingen, de terugkeer van een relatieve vrede tussen de federale coalitiepartners en de 'bekering' van cdH tot de centrumrechtse geloofsleer, versterkt alvast de droom van verlengingen. Dat de linkerzijde een volledig decennium tot de oppositie veroordeeld zou worden, is ongezien in onze naoorlogse politieke geschiedenis. Als deze generatie linkse politici dus niet tot in 2024 aan de kant om een ' retour du coeur' wil staan roepen, gaat ze best snel aan de bak. Maar kan dat wel? In een SWOT-analyse lichten we de kansen door van sp.a, Groen en PVDA. We schetsen hun sterktes en zwaktes met het oog op de gemeenteraadsverkiezingen van 2018, die een springplank kunnen zijn naar wat een goed half jaar later volgt: de Vlaamse en federale verkiezingen van 2019.

1 JAAR VOOR DE LOKALE VERKIEZINGEN

In Brussel kiezen we pas echt in 2019
Eric Corijn
Hoe betreden de linkse partijen de electorale arena?
Nicolas Bouteca en Lorenzo Terrière
Komt Antwerpen van Mars en Gent van Venus?
Wim Vermeersch

COMMUNICERENDE VATEN

In onderstaande analyse hebben we uiteraard niet de ruimte om op alle gemeenten van Vlaanderen te focussen. We schetsen daarom 'the bigger picture' en kijken vooral door een nationale bril naar de linkse partijen. Ook al mag de nationalisering van lokale verkiezingen niet overdreven worden, je kan beide niveaus niet volledig uit elkaar denken (Mariën, Dassoneville & Hooghe 2015; Wille & Deschouwer 2011; Olislagers & Steyvers 2015). Wat in de Wetstraat gebeurt, laat ontegensprekelijk sporen na in de Dorpstraat.

De analyse vertrekt ook van de vaststelling dat kiezers grosso modo niet tussen links en rechts gaan. De Belgische kiezer mag dan al hypervolatiel zijn geworden, dan nog wisselt die meestal tussen partijen die aan dezelfde kant van het ideologische spectrum liggen (Walgrave, Lefevre & Hooghe 2010:49). Anders gezegd, kiezers wisselen van verkiezing tot verkiezing tussen ofwel Vlaams Belang, N-VA, Open Vld en CD&V enerzijds ofwel tussen sp.a, Groen en PVDA anderzijds. Dit werd ook bevestigd in het Partirep-onderzoek na de verkiezingen van 2014 dat eerder in Samenleving en politiek is verschenen (Dassonville & Baudewyns 2014; Swyngedouw 2015).

De drie partijen op links zijn dus communicerende vaten. Om echt impact te kunnen hebben, dienen ze uit hun traditionele electoraat te breken. Ze kijken daarvoor vooral naar de linkse CD&V-kiezers, maar in 2014 weken die alvast nauwelijks uit naar links (Dassonville & Baudewyns 2014; Swyngedouw 2015). De peilingen kunnen de linkerzijde misschien wat meer hoop geven. Niet dat die een massale leegloop vanuit CD&V doen vermoeden, maar in de meest recente peiling van De Standaard en de VRT (17 april 2017) waren sp.a, Groen en PVDA samen wel goed voor 32,2% van de stemmen. Daarmee komen ze een stuk hoger uit dan de 23% tot 28% van de kiezers die ze in de periode 1995-2014 samen konden verleiden bij de Vlaamse verkiezingen. Zeker Groen lijkt de wind in de zeilen te hebben, zoals een recente peiling in Antwerpen door Gazet van Antwerpen (31 september 2017) lijkt aan te geven. Maar iedereen weet ondertussen dat peilingen met vrij grote betrouwbaarheidsmarges werken.

Laten we daarom eens kijken, op basis van een SWOT-analyse, hoeveel face validity deze meting geniet. Met andere woorden: voelt de lichte euforie op basis van de peilingen correct aan als we kijken naar de concrete situatie op het terrein?

PVDA: DE 'GAME CHANGER'?

We beginnen met het kleinste broertje op links: PVDA. De steile opmars van radicaallinks in Wallonië zal zeker ook rugwind geven aan de partijvleugel in Vlaanderen. Al was het maar omdat het in de volgende campagne moeilijk wordt om de partij uit allerlei televisieformats te weigeren omdat ze geen vertegenwoordigers hebben in de parlementen. Door te hameren op politieke soberheid bespelen ze een gevoelige snaar bij de bevolking. Dat politici zakkenvullers zijn, is immers een staande uitdrukking in Vlaanderen. Met parlementsleden die het maandloon van een gemiddelde werknemer verdienen kan je dus campagnematig wel aan de slag, maar verder weegt PVDA in Vlaanderen nauwelijks op het inhoudelijke debat. Nochtans heeft de partij een jarenlange traditie van studiewerk en onderzoeksjournalistiek, wat bijvoorbeeld tot uiting kwam in debatten over de 'Turteltaks'. PVDA'er Tom De Meester is zelfs de uitvinder van deze dodelijk efficiënt gebleken oppositieterm. Maar alleen de Wetstraatfreaks nemen dat mee in hun oordeel over de partij. Voor de overgrote meerderheid van de Vlamingen is PVDA voorlopig niet meer dan de mediagenieke Raoul Hedebouw (en dan nog). Een Waal die in Vlaanderen overigens nergens op een kieslijst staat.

Het relatief hoge aantal mediaminuten dat PVDA weet mee te pikken mag dan al een sterkte zijn, de negatieve framing van de partij is een serieus minpunt. Terwijl ze zichzelf graag benoemen als 'socialisme 2.0' of 'consequent links', zetten politieke tegenstanders PVDA'ers gemakkelijk weg als communisten. Zelfs in journalistieke stukken vind je geregeld die term terug als het over PVDA gaat. Dat is dodelijk voor de partij, want het roept herinneringen op aan een zwaarmoedig verleden en referenties naar bedenkelijke regimes als Noord-Korea. Terwijl het vandaag eigenlijk vooral een radicaallinkse partij is geworden die terug wil naar het België van voor de neoliberaliseringsgolf sinds de jaren 1990. Je kan er voor of er tegen zijn, maar hen continu als communisten wegzetten verbergt ook een electorale strategie.

Hun radicaallinkse opstelling dwingt PVDA in een partijpolitiek isolement. Strategische kiezers, die inhoudelijk misschien wel iets voelen voor PVDA, dreigen daardoor overstag te gaan voor een regeringsfähig alternatief op links (cf. Verthé & Beyens, 2017). Een gebrek aan politieke bondgenoten beperkt de rol van PVDA tot een zweeppartij, waarbij ze vooral andere linkse spelers uit de slaap houden. En dan nog wellicht enkel in de grootste steden van Vlaanderen.

Zo wordt Antwerpen voor PVDA een belangrijk campagnespeerpunt in zowel 2018 als 2019. Of dat een succesverhaal zal worden, is echter zeer twijfelachtig. De lokale speelkaarten liggen voor PVDA in 2018 te Antwerpen moeilijker dan in 2012. De partij is nu wel wat bekender dan toen, maar terwijl de partij toen openlijk het 'rechtse' beleid van zittend sp.a-burgemeester Patrick Janssens kon aanvallen, dreigt PVDA nu vergeten te geraken in de tweestrijd tussen een mogelijks links kartel sp.a-Groen en N-VA. Bovendien zou er aan de linkerzijde in Antwerpen een soort niet-aanvalspact bestaan. Opdat Bart De Wever uit het Schoon Verdiep kan worden gewipt, belooft PVDA volgens De Morgen (4 september 2017) om geen verdeeldheid te zaaien aan de linkerzijde. Waar Mertens en co dan wel de stemmen hopen te halen, is onduidelijk.

Dan maar doorbreken in 2019 bij de Vlaamse en federale verkiezingen? In Antwerpen-stad zal de partij wel vlot over de kiesdrempel springen, maar in de rest van de kieskring - 'de parking'- is N-VA nog meer dan elders in Vlaanderen heer en meester, met scores tot 46% in het kanton Zonhoven bij de Vlaamse verkiezingen in 2014. Een parlementair zitje lijkt voor Peter Mertens dan ook een verre droom te blijven. Over de feitelijke Antwerpse kiesdrempel kan PVDA misschien wel wippen, over de wettelijke van 5% wordt moeilijk.

Doordat de partij weinig parlementsleden telt, beschikt ze ook over relatief weinig financiële middelen om campagne te voeren. De hoge inkomsten via lidgelden en de hoge afdrachten door parlementsleden kunnen de financiële achterstand op de grote partijen niet goedmaken. Tot slot is de opgang van PVDA in Wallonië direct gekoppeld aan de neergang van de linkse politieke marktleider aldaar (PS). In Vlaanderen lijkt de politieke ruimte voor het radicaallinkse PVDA om door te groeien meer beperkt doordat het zwaartepunt van de kiezersmarkt zich rechts van het centrum situeert.

GROEN: DE 'EEUWIGE BELOFTE'?

Van de drie partijen aan de linkerzijde lijkt het Groen momenteel het meest voor de wind te gaan. Een van de sterktes van de partij is dat ze de duidelijke eigenaar is van een jong en fris thema, namelijk ecologie. Hoewel het gretig gekopieerd werd door alle partijen van links tot rechts, blijft Groen de meest geloofwaardige speler op dit gebied. Groen is bewust selectief in de dossiers die ze bespeelt: een gedurfde maar geslaagde strategie. Gedurfd omdat hun relatieve afwezigheid of passiviteit in sommige debatten blinde vlekken creëert (denk bijvoorbeeld aan Binnenlandse Zaken, Gezondheidszorg, Overheidsbedrijven, Bedrijfsleven, e.a.), maar geslaagd omdat ze duidelijk zichtbaar zijn in die dossiers waar wel hoog wordt op ingezet (Energie, Fiscaliteit, e.a.). De sociaaleconomische verbredingsoperatie legt enkele KMO-vriendelijke accenten en wordt geruggesteund door passende trends zoals de 'deeleconomie'. Het verschaft de partij een etiket van 'modern links'.

De groene fractie doet het in parlementaire rapporten doorgaans goed, wat bijdraagt aan de geloofwaardigheid van de partij. Kwaliteitsvol werk zorgt voor een (weliswaar beperkte) electorale return onder de vorm van meer voorkeurstemmen (Bouteca e.a. 2015). Groen kan ook profiteren van de afkeer die bij een deel van het electoraat bestaat ten aanzien van de zogenaamde 'trado's'. Als niet-traditionele partij die nog niet zo vaak heeft meebestuurd, ervaart Groen minder hinder van publieke verontwaardiging rond de cumulatie van mandaten. Sp.a behoort daarentegen wel tot het traditionele kamp en laat dat nu net de belangrijkste stemmenleverancier zijn van Groen (Dassonville & Baudewyns 2014). Bij de Groenen leeft daarom meer dan ooit de overtuiging dat de socialisten 'te pakken zijn'. Dat verklaart waarom de partijleiding afkerig is om (lokale) kartels te sluiten met sp.a en liever alleen naar de stembus trekt: in een kartelformule dreigen de groenen immers mee het slachtoffer te worden van het besmeurde nationale imago van de socialisten. De goesting in een kartel met de socialisten is sowieso veel beperkter aan groene dan aan socialistische kant (Wauters e.a. 2016).

De peilingen doen ook geloven dat de kiezer niet van plan is om Groen nog langer om strategische redenen te mijden. In het verleden had de partij daar wel eens last van (Verthé & Beyens, 2017). Kiezers die eigenlijk Groen verkiezen, kozen uiteindelijk voor sp.a omdat die laatste partij een groter coalitiepotentieel heeft. Sp.a heeft een veel grotere bestuurstraditie en werd vaak meegenomen in een federale regering door grote zus PS. Wil je een linkse regering dan koos je best voor sp.a, zo ging de redenering. Die strategische overwegingen behoren nu misschien tot het verleden bij menig linkse kiezer. Als Groen er bij de gemeenteraadsverkiezingen in zou slagen om in veel (grote) steden mee te besturen, kan de partij immers met meer geloofwaardigheid als bestuurderspartij vaart zetten richting de Vlaamse en federale verkiezingen van 2019. Zeker Antwerpen en Gent, die bij lokale verkiezingen heel veel zendtijd op radio en televisie krijgen en waar Groen volgens de peilingen in de lift zit, kunnen inspireren tot electoraal succes in 2019.

Groen zit in een positieve flow en kiezers stemmen graag voor winnaars. Niettemin bleef bij verkiezingen tot nu toe steeds de indruk bestaan dat Groen iets is voor fijnproevers, een partij bestemd voor een specifiek doelpubliek. De jonge fracties zijn weliswaar bekwaam in het oppositievoeren maar missen bestuurservaring. Bovendien, in hoeverre is het geleverde parlementair werk zichtbaar voor de burger? Overtuigen de KMO-vriendelijke accenten effectief de ondernemersklasse? Groen mag dan de geloofwaardigste zijn op ecologische thema's, maar er moet al een kernramp of voedselcrisis plaatsvinden om de bevolking daadwerkelijk van het prioritaire belang van duurzaamheid te overtuigen. Verkiezingen draaien nooit om klimaat en milieu, maar meestal rond sociaaleconomische discussies zoals werk en pensioen, of rond migratie- en veiligheidsvraagstukken. De electoraal meest interessante dimensies van het groene thema, zoals energieprijzen, worden bovendien ook druk bespeeld door alle andere politieke partijen. Met het thema duurzame mobiliteit kunnen ze op lokaal niveau misschien wel meer potten breken.

Dat Groen hier en daar lokaal meebestuurt (bijvoorbeeld in Mechelen, Gent en in de provincie Limburg) kan campagnematig misschien voor een kleine valse noot zorgen. In Mechelen lijkt dat niet onmiddellijk slecht uit te draaien (GvA, 31 september 2017), maar het maagdelijk witte oppositiekleed zit sowieso comfortabeler. Zeker de deelname aan verschillende districtsbesturen in Antwerpen brengt de partij in een ideologisch en strategisch spagaat. In vier van de negen Antwerpse districten bestuurt Groen samen met de rechtse N-VA, de partij die zo hard bestreden wordt in de 'stad' Antwerpen. In het naburige district Borgerhout voeren de groenen samen beleid met het radicaallinkse PVDA, een partij die men liever niet bij het kartel met sp.a in de stad Antwerpen wil betrekken, opdat Bart De Wever hen anders als 'communistenvrienden' zou wegzetten.

De partij is, met andere woorden, allang niet meer zo groen achter de oren als het gaat om het spelen van strategische spelletjes. Dat blijkt ook uit de gretigheid waarmee ze zich op de 'zuivere politiek' heeft gestort. Tegen de malversaties die Groen aan het licht bracht bij Samusocial valt niets in te brengen, maar het dossier rond Geert Versnick was voor bepaalde waarnemers op het randje. De 'propere handen'-politiek verschaft de groenen volgens de enen geloofwaardigheid, maar volgens anderen balanceren ze op het randje van populisme. Als de partij wil oogsten in die groep kiezers die een afkeer heeft van politieke spelletjes én tegelijk haar anders-karakter wil bewaren, dan zal ze wat subtieler te werk moeten gaan in de strijd voor politieke vernieuwing. En wat houdt de partij eigenlijk tegen om het geloof in de politiek te versterken door in haar partijprogramma een uitgebreid pleidooi op te nemen voor het verlagen van de partijfinanciering?

Er zijn ook een aantal kleinere zwaktes te vermelden bij Groen. Zo is PVDA altijd een kiezelsteen in de schoen van de partij. PVDA snoept elke verkiezing wat stemmen weg bij Groen die zeker lokaal kostbaar kunnen zijn bij de zetelverdeling. Groen staat sterk in stedelijke gebieden, maar daar tegenover geldt een beperkte verankering in 'la Flandre profonde'. In peilingen wordt Groen nog al eens overgewaardeerd, waardoor de verkiezingsuitslag soms als een koude douche aanvoelt. De partij roept zo het beeld op van 'de eeuwige electorale belofte'. Zo ging de partij in 2014, ondanks de hoerasfeer bij de groenen, amper 1,4 procentpunt vooruit in vergelijking met de federale verkiezingen van 2010. Nochtans lag communicerend vat sp.a toen al met knock-out in de touwen en had die partij daarenboven net een aantal 'rechtse' maatregelen (bijvoorbeeld snellere degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen en het schrappen van de wachtuitkering na drie jaar zonder job) mee goedgekeurd in de regering-Di Rupo. Groen mag dan al virtueel in het geel zitten op links, het is pas aan de eindmeet dat de prijzen worden uitgedeeld.

SP.A: HET SPUTTEREND 'ROOD FABRIEKJE'?

Bij sp.a is het momenteel zoeken naar echte sterktes. Na een aanslepende voorzitterswissel hebben de partijrangen zich gesloten rond de nieuwe voorzitter. Het occasionele friendly fire lijkt vooral afkomstig van figuren in de marge van de partij. Sp.a ervaart ook nog altijd de voordelen van de verzuiling. De partij is sterk lokaal verankerd, heeft veel meer leden dan de andere partijen op links en beschikt over een arsenaal van zuilorganisaties. Door het jarenlang besturen kregen ze toegang tot raden van bestuur van talrijke bedrijven en (publieke) instellingen. Er zitten ook nog wel wat topambtenaren in de vele 'sterke' overheidsadministraties en sp.a heeft ook nog greep op diverse publieke ondernemingen die België rijk is. In de wetenschap dat informatie macht is, voeden deze getrouwen de partij met (voor)kennis en, althans dat beweert de literatuur, zouden ze ook tegenwind kunnen bieden aan andersdenkende ministers (Devos & Bouteca 2017: 420). Een nieuwe legislatuur op de oppositiebanken dreigt de vertakking van de socialistische partij in de maatschappij evenwel verder te ondergraven.

Sp.a is ook de historische eigenaar van het thema sociale zekerheid. Een thema dat alle Vlamingen, van links tot rechts, zeer na aan het hart ligt. Zeker op het vlak van pensioenen en gezondheidszorg ziet de Vlaming een belangrijke rol weggelegd voor een herverdelende overheid (Laenen e.a., 2016). De recente discussies rond de pensioenen toonden aan dat dit nog steeds in het voordeel van de partij speelt. Tot slot beschikt sp.a dankzij de gulle partijfinanciering na N-VA over de best gevulde oorlogskas (ruim 16 miljoen euro), wat vergelijkbaar is met het vermogen van respectievelijk CD&V en PS (Smulders & Maddens, 2017). Een duidelijk voordeel op de andere linkse partijen, want de politieke strijd kost geld en wordt steeds kapitaalsintensiever.

Een serieus minpunt van sp.a is het oubollig links imago dat aan de partij kleeft. In zijn ideologisch herbronningsboek Ctrl-Alt-Del reikt Crombez wel de hand uit naar duurzame ondernemers en houdt hij een pleidooi voor entrepreneurship. Toch hangt aan sp.a nog altijd veel meer een etiket van vaste benoemingen en verworven rechten. Dat komt door de mentale link die velen leggen tussen sp.a enerzijds en de vakbond en PS anderzijds. Als het ACOD een algemene treinstaking afkondigt of Elio Di Rupo lanceert het idee van een vierdaagse werkweek, dan komt sp.a in een ongemakkelijke catch 22 terecht. Als ze hun linkse familieleden afschiet, dan spreekt men van ruzie in het socialistische huishouden. Doet ze het niet, dan krijgt ze de wind van voren en het verwijt dat ze veel te links is.

De band met het ABVV en zusterpartij PS is nochtans verslapt de voorbije jaren. Daardoor wordt sp.a misschien wel minder 'chanteerbaar' door hun politieke concurrenten, maar tegelijk kan men zich minder beroepen op de nog altijd heel sterke mobilisatiekracht van het ABVV en de tot voor kort 'eeuwig' besturende PS. De Franstalige socialisten waren lange tijd de levensverzekering voor sp.a, omdat de grote Franstalige zus hen vrijwel altijd mee opnam in de federale regering. Dat hoeft geen verleden tijd te zijn, maar aan de afkalvende PS uit de peilingen heeft sp.a natuurlijk weinig.

De neergang van de Waalse zusterpartij zorgt ook voor tegenwind in Vlaanderen. Toch moet de schuld voor de haperende gang van zaken bij sp.a niet aan de andere kant van de taalgrens gezocht worden. Het aura van 'goede bestuurders', dat ten tijde van de Teletubbies nog rond de partij hing, kreeg een ferme deuk door grote en kleine schandalen zoals Optima, Publipart en de beschuldigingen van belangenvermenging in Hasselt. Het beoogde reinigende effect van een oppositiekuur blijft uit. De langdurige beleidsdeelname in het verleden ondermijnt tot vandaag het oppositiewerk. Als sp.a ten strijde trekt tegen de Turteltaks of de pensioenhervormingen, stoot de partij terstond op de rapid rebuttal-teams van de meerderheid die in koor tweeten dat sp.a 25 jaar heeft (mee)bestuurd. Sp.a heeft na drie jaar oppositie nog steeds geen zinnig antwoord klaar op die beschuldiging. Daarom doet de bewering dat het 'allemaal de schuld is van de sossen' het nog steeds goed.

Sp.a mag dan al eigenaar zijn van het populaire Sociale Zekerheid-thema, op actuele brandende thema's als migratie en terreurbestrijding hebben de socialisten het veel moeilijker om duidelijk een punt te maken. Zo vaart sp.a volgens voorzitter Crombez blijkbaar een 'CD&V-koers' op het vlak van migratie en integratie (De Morgen, 2 september 2017). Op zich misschien niet onzinnig, maar dat is verre van duidelijk. De partij blaast immers vaak koud en warm omtrent deze materie, terwijl concurrent Groen op dit vlak wél een duidelijk links profiel heeft. De groenen hebben het natuurlijk ook veel makkelijker om hierover eensgezind naar buiten te treden. De leden zitten intern heel sterk op één lijn, terwijl geen enkele partij in Vlaanderen zo sterk verdeeld is over globaliseringskwesties als sp.a (Bouteca, Vandevoorde & Devos 2017:94).

In vakbondsmiddens klinkt soms de roep om het onduidelijke verhaal van sp.a daarom in te wisselen voor een radicaallinkse koers. Vooral de voorbeelden van Bernie Sanders in de Verenigde Staten en het succes van Jeremy Corbyn in Groot-Brittannië doen dromen. De vraag is evenwel of dat voor Vlaamse socialisten een succesrecept kan zijn. Hun grootste electorale succes de voorbije 20 jaar boekten de socialisten net door een centrumkoers te varen. Bovendien stelt zich de vraag of de Vlaamse samenleving enerzijds en de Britse en Amerikaanse anderzijds zomaar met elkaar gelijkgesteld kunnen worden. De verschillen tussen rijk en arm in België (Vlaanderen) zijn niet te vergelijken met die in de Angelsaksische wereld. Vergelijk de veel hogere GINI-coëfficiënt van de Verenigde Staten (0,39) en Groot-Brittannië (0,36) met die van België (0,26) (OESO, 2017). De Brits-Amerikaanse sociologische realiteit biedt daarom wellicht een veel vruchtbaardere voedingsbodem voor een radicaallinkse koers dan de vrij egalitaire Vlaamse klei. In hetzelfde opzicht begreep zelfs Elio Di Rupo in een opvallend interview in De Morgen (28 augustus 2017) goed waarom John Crombez sommige 'ultralinkse' voorstellen uit zijn nieuwste boek Nouvelles Conquêtes meteen afserveerde: 'Het is normaal dat sp.a andere antwoorden formuleert op de Nederlandstalige realiteit dan PS op de Franstalige. Politiek, sociologisch, spelen wij op een ander terrein.'

Politiek is niet alleen een strijd van ideeën, maar ook van kopstukken. Ook daar ontbreekt het sp.a aan. In dat opzicht is het uitkijken hoe de pensionering van Daniël Termont in Gent en Louis Tobback in Leuven zal worden opgevangen. En ook de zelfopgelegde anti-cumulregels zijn geen cadeau. Door voorop te lopen in de decumul-heisa legt sp.a bekwame burgemeester-parlementsleden zoals Peter Vanvelthoven en Hans Bonte aan banden. In hun plaats komen wellicht nieuwelingen en dat terwijl de huidige fractieleiders nog onvoldoende renderen. Aan de politieke vernieuwingsdrift van John Crombez zijn dus ook nadelen verbonden. Niet enkel strategisch trouwens, maar ook meer fundamenteel. De cumulards danken hun verkiezing niet zelden aan hun voorkeurstemmen die ze van de kiezer kregen, terwijl de jongeren die in de plaats van de cumulards moeten komen hun zetel vooral aan de partijvoorzitter te danken zullen hebben die hen een goeie plaats op de lijst bezorgt.

KOPSTUKKEN

Met de personeelsproblematiek bij sp.a zijn we bij een probleem van de ganse linkerzijde in Vlaanderen aanbeland. Zo stond in de meest recente poppoll van De Standaard en VRT (april 2017) geen enkele politicus van de linkerzijde binnen de top 15. Zelfs de mediagenieke Kristof Calvo niet. Ook Wouter Van Besien scoorde maar matig in de recente peiling van Gazet van Antwerpen (31 september 2017) waarbij Groen een kwantumsprong maakte. Mensen sympathiseren vandaag nochtans veel meer met personen dan met partijen. Een imago hang je op aan een persoon en niet aan een partijprogramma. Je kan dat jammer noemen, maar dit is een realiteit waar de linkse partijen in Vlaanderen niet op voorbereid zijn. N-VA, CD&V en zelfs Open Vld komen op dat vlak veel sterker voor de dag.

Daarmee belanden we opnieuw bij de vaststelling aan het begin van dit artikel: de kaarten voor een verderzetting van centrumrechts liggen veel beter dan voor een centrumlinkse regering. Maar anderhalf jaar tot de verkiezingen van 2019 is nog lang in de politiek. Nu de concrete uitwerking van het Zomerakkoord moet gebeuren, klinkt de Kumbaya rond het centrumrechtse kampvuur een beetje vals. Misschien brengen de gemeenteraadsverkiezingen van 2018 wel een verrassing voort die alsnog van linkse regeringsdeelname kan doen dromen.

Bibliografie

Bouteca, Devos, Maddens, Smulders & Wauters (2015). 'A fair day's wage for a fair day's work'? Exploring the connection between the parliamentary work of MP's and their electoral support. Paper gepresenteerd op Belgium: State of the Federation, Luik, 18 december 2015.

Bouteca, N., Vandevoorde, N. & Devos, C. (2017). Zijn Vlaamse partijen makelaars of ideologen? Een onderzoek op basis van de inhoudelijke opvattingen van partijleden. In B. Wauters (red.), Wie is nog van de partij? (pp; 81-100). Leuven: Acco.

Wauters, B., De Vet, B., Devroe, R., Devos, C. & Bouteca, N. (2016). Partijleden en link(s)e samenwerking. Samenleving en Politiek, 23(7), pp. 19-24.

Dassonville, R. & Baudewyns, P. (2014). Volatiliteit: veel beweging, geen aardverschuiving. Samenleving en Politiek, 21(7), pp. 5-16.

Devos, C. & Bouteca, N. (2017). De uitvoerende macht. In C. Devos (red.), Een plattegrond van de macht (pp. 388-439). Gent: Academia Press.

Laenen, T., Meuleman, B., Abts, K. & Swyngedouw, M. (2016). De Vlaming over zijn sociale zekerheid: voor wat, hoort wat? Analyse op basis van postelectoraal verkiezingsonderzoek 2014. IPSO: Leuven.

Marien, S., Dassonneville, R. & Hooghe, M. (2015). How Second Order Are Local Elections? Voting Motives and Party Preferences in Belgian Municipal Elections. Local Government Studies, 41.

OESO (2017). OECD Income Distribution Database (IDD): Gini, poverty, income, Methods and Concepts. http://www.oecd.org/social/income-distribution-database.htm. Geraadpleegd op 11 september 2017.

Olislagers, E. & Steyvers, K., Choosing Coalition Partners in Belgian Local Government. Local Government Studies, 41(2), pp. 202-219.

Smulders, J. & Maddens, B. (2017). Vives Briefing 2017/06. Het vermogen van de Belgische politieke partijen. Vlaams instituut voor Economie en Samenleving. KUL: Instituut voor de Overheid.

Swyngedouw, M. (2015). Verkiezingsonderzoek 25 mei 2014 revisited. Samenleving en politiek, 22(1), pp. 60-72.

Verthé, T. & Beyens, S. (2017). Strategic voting in Belgium: the 2014 federal and regional elections, in Aldrich, John H., Blais, André & Stephenson, Laura B. (eds.) The many faces of strategic voting. Michigan: University of Michigan Press [Nog te verschijnen]

Wille, F. & Deschouwer, K. (2007). Het beschermde dorp: nationale tendensen bij gemeenteraadsverkiezingen. Res Publica, 49 (1), pp. 67-68.

Samenleving en politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 8 (oktober), pagina 4 tot 12