(Alle Sampol-artikels, behoudens die van de laatste 6 nummers, worden hier integraal beschikbaar gesteld. Geen overname zonder bronvermelding.)

'Strenge activering kan leiden tot lagere jobkansen'

Interview met Sarah Vansteenkisten (Arbeidsmarktspecialiste)

september 2017
Vermeersch Wim
2017

Als coördinator van het Steunpunt Werk is Sarah Vansteenkiste (KUL) dagelijks bezig met het monitoren van onze arbeidsmarkt. Voor haar zijn beleidsmaatregelen soms te weinig gestoeld op wetenschappelijk onderzoek. De politiek laat zich hierdoor nog niet sterk leiden. Zo is er iets grondig mis met hoe werklozen verplicht worden te zoeken naar werk, zoals vervat in de Wet Passende Dienstbetrekking. Zo’n strenge activering klinkt goed, maar blijkt nefast. "Werklozen zoeken daardoor wel harder naar een job, maar finaal zijn hun jobkansen lager en komen ze in minder kwaliteitsvolle loopbanen terecht."

 

 

Over de arbeidsmarkt van de toekomst horen we veel sombere geluiden. Technologiepessimisme overheerst. Dat is evenwel niet het geval in de recente studie ‘Toekomstverkenningen arbeidsmarkt 2050’, die Sarah Vansteenkiste met haar KUL-collega’s Luc Sels en Heidi Knipprath schreef, en waarin projectiemodellen staan over hoe onze arbeidsmarkt in 2050 zou kunnen functioneren. Het is verfrissend hoe van de studie een zeker optimisme uitgaat. "Bewust," zegt Sarah Vansteenkiste daarover. "Uiteraard zal niet iedereen als winnaar uit de trend naar digitalisering en robotisering komen, maar het rapport gaat wel uit van een zekere maakbaarheid van de toekomst. Hoe loopbanen en arbeidsvoorwaarden er zullen uitzien, wordt niet zozeer bepaald door een ongrijpbare onzichtbare hand maar is mede uitkomst van beleid en dus van menselijke keuzes."

De arbeidsmarkt in 2050 zal dus grotendeels zijn wat we er op weg naar die datum allemaal samen van maken. Net daarom zou het volgens Sarah Vansteenkiste relevant kunnen zijn om beleidsmaatregelen meer te laten vertrekken vanuit een wetenschappelijke basis. De Leuvense econome maakt er een punt van uitspraken te doen op basis van cijfers. Dat doen politici minder. "Wanneer de werkloosheidscijfers dalen, dan kloppen beleidsmakers zich op de borst dat dit door toedoen is van deze of gene maatregel, terwijl een stuk van de jobwinst gewoon conjunctuurgebonden kan zijn en te wijten valt aan een aantrekkende arbeidsmarkt. Eigenlijk zou je maatregel per maatregel moeten evalueren, via experimenteel onderzoek met controlegroepen, welke impact ze heeft op de werkloosheidscijfers. Dat gebeurt helaas nog niet."

Zo onderzocht u de Wet Passende Dienstbetrekking, die sinds 2012 bestaat, waarin strenge regels staan volgens dewelke een werkloze moet zoeken naar werk.

"Volgens die wet moet een werkloze jobs zoeken en aanvaarden binnen een straal van 60 kilometer of die tot vier uur pendelen per dag vragen, jobs zoeken en aanvaarden waarvan het loon minstens evenredig is met zijn werkloosheidsuitkering en, eens vijf maanden of langer werkloos, jobs zoeken en aanvaarden met gelijk welke jobinhoud. Op straffe van sanctionering. Het zou de werkloze stimuleren om harder te zoeken naar een bredere waaier van jobs en dus de jobkansen verhogen."

En blijkt die aanname correct?

"Ik vind de veronderstelde positieve impact daarvan alleszins niet terug. Integendeel. De werkzoekende die - op het vlak van pendeltijd, jobinhoud of loon - te flexibel solliciteert, omdat hij zijn uitkering niet wil verliezen, zoekt weliswaar harder naar werk maar heeft finaal een lagere jobkans."

Hoe verklaart u dat?

"Werkgevers zijn niet altijd bereid iemand die zich flexibel opstelt een kans te geven. Ze kiezen eerder voor de kandidaat met een lineair profiel. Werkgevers vinden bijvoorbeeld dat de flexibele werkzoekende ervaring mist of dat die te weinig gemotiveerd is. Soms is dat terecht: een aantal van die flexibele werkzoekenden doet immers maar wat, zonder plan voor zijn verdere loopbaan, om de uitkering toch maar niet te verliezen. Het resultaat is dat werklozen die flexibel zoeken gemiddeld minder vaak jobaanbiedingen krijgen in vergelijking met werklozen die meer lineair zoeken naar jobs die in de lijn liggen van hun eerdere jobs en competenties."
"Er is nog een tweede nefast gevolg van de Wet Passende Dienstbetrekking. Als kortdurig werklozen op die manier uiteindelijk wel een job vinden, is dat vaker onder hun niveau. Flexibel zoeken kan dus leiden tot minder kwaliteitsvolle loopbanen. Dat noemen we ‘ondertewerkstelling’. Hierdoor is men minder tevreden met de gevonden job en kijkt men vaker opnieuw naar een andere job, wat werkgevers de volgende keer kan weerhouden opnieuw een flexibele werkzoekende aan te nemen. Ook blijkt uit onderzoek dat een situatie van ondertewerkstelling dezelfde psychologische effecten kan hebben als van werkloosheid: minder welzijn, meer depressies, enzovoort. Erg schadelijk."

In ons land bestaat ondertussen wel een heuse activeringsbusiness.

"Het budget dat naar uitbestedingen gaat neemt jaar na jaar toe. Steeds vaker wordt het activerend arbeidsmarktbeleid uitbesteed, via klassieke subsidiëring of via het uitschrijven van tenders. Zo kende VDAB, die na de zesde staatshervorming ook een aantal sanctionerende bevoegdheden heeft, in 2016 zo’n 259 miljoen euro toe aan samenwerking met externe partners; dat is bijna een verdubbeling ten opzichte van 2012."

Onlangs nog stelde Waals minister van Werk, Pierre-Yves Jeholet (MR), dat de tijd van de excuses voor de Waalse werklozen voorbij is en dat striktere sancties nodig zijn. Ook hij gaat er dus vanuit dat een streng activeringsbeleid automatisch vruchten afwerpt.

"De focus op strenge activering is inderdaad niet typisch Vlaams. Ook in andere landen hebben ze soortgelijke wetten. Soms zijn die strenger, soms minder streng. Mijn onderzoek toonde aan dat ook in deze andere Europese landen deze wetgeving niet onderbouwd was door wetenschappelijke kennis."
"Gelukkig ligt met het Zomerakkoord een voorstel klaar waarbij opnieuw meer gekeken wordt naar de competenties en de vaardigheden van de werkzoekende. Dat is alvast positief. Doordat er een overlap is tussen de competenties van de werkzoekende en de nieuwe job waarvoor hij solliciteert, kunnen werkgevers sneller geneigd zijn hem aan te werven. Maar ook de werkzoekende zelf kan meer gemotiveerd zijn bij het zoeken naar een job die meer in lijn ligt met de eigen competenties. Als dit voorstel gerealiseerd wordt, zijn we het eerste Europese land dat de link tussen competenties en verplicht zoekgedrag van werklozen maakt. Een goede evolutie."

Deze zomer stelde minister van Werk, Kris Peeters (CD&V), dat we in de toekomst naar een volledige tewerkstelling zouden kunnen gaan, wat neerkomt op een werkloosheidsgraad van 3%. Er werd schamper opgemerkt dat hij daarmee ‘een Merkeltje’ deed.

"Zowel in Duitsland als in België wordt volledige tewerkstelling vanuit politieke hoek als een doelstelling op middellange termijn - 2025 - naar voren geschoven maar als we de werkloosheidsgraad van Eurostat als leidraad nemen, zien we dat de Belgische werkloosheidsgraad anno 2016 zo’n 9% bedraagt, tegenover 4,2% in Duitsland. Daar zitten we dus nog veraf. Bovendien zijn de verschillen tussen de regio’s groot. In het Vlaams Gewest bedraagt de werkloosheidsgraad 4,9%, in het Waals Gewest 10,6% en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest loopt ze op tot 16,9%. België kent de hoogste variatie in regionale werkloosheidsgraden in heel Europa. Dat maakt het, voor België als geheel, moeilijk om aan 3% werkloosheid te geraken."
"Voor Vlaanderen zitten we sowieso al een stukje dichterbij die doelstelling, maar ook bij ons is de geografische spreiding van werkloosheid erg groot. Er is een kopgroep van overwegend kleinere Oost- en West-Vlaamse gemeenten, een tweede groep van voornamelijk gemeenten uit Vlaams-Brabant met een relatief hoge werkzaamheid van 55-plussers, een middenmoot van gemeenten in een inhaalbeweging verspreid over de provincies Antwerpen, Limburg en Oost-Vlaanderen, een cluster van gemeenten die weinig vooruitgang geboekt hebben en een kleinere groep van steden en gemeenten in moeilijkheden die duidelijk achterop hinken. Tien van de dertien centrumsteden vinden we terug in de twee laatste clusters. Die hebben natuurlijk te maken met een specifieke grootstedelijke arbeidsmarktproblematiek."

Zelfs in Vlaanderen is volledige tewerkstelling dus een tikkeltje onrealistisch?

"Voor bepaalde grootsteden alleszins wel. Er valt echter nog een belangrijke kanttekening te plaatsen: Kris Peeters kijkt naar de werkloosheidsgraad, maar die zegt niet alles. Je kan die sterk doen dalen maar tegelijk veel mensen in de ziektestelsels hebben. Dat is nu al zo. Dit jaar kosten de werknemers die arbeidsongeschikt thuisblijven de Belgische overheid voor het eerst meer dan de werklozen."
"Het is relevanter om naar de werkzaamheidsgraad te kijken. Die zegt hoeveel mensen er effectief aan het werk zijn. We zitten in Vlaanderen nu aan een werkzaamheidsgraad van 72%. De doelstelling is 76% tegen 2020. Ook daar is dus nog werk aan de winkel."

Alvast positief is dat de werkzaamheidsgraad bij vrouwen de voorbije dertig jaar spectulair is toegenomen.

"Zeker. Maar ook bij deze positieve trend moeten we een kanttekening plaatsen: de werkzaamheidsgraad bij de vrouwen gaat gepaard met een forse toename in het aandeel deeltijdarbeid. Volgens projecties in ons rapport zou, bij een gelijkblijvende evolutie als in het verleden, in 2050 maar liefst 42,1% van de vrouwen deeltijds werken; één projectie spreekt zelfs van 60,6%."

Moeten we langer werken om onze sociale zekerheid te blijven financieren?

"Dat is zeker nodig om de vergrijzing te kunnen betalen. Het is echter vooral zaak de effectieve leeftijd van uittreding te verhogen. Want je kunt de pensioenleeftijd wel optrekken, als de effectieve uittredeleeftijd niet mee verhoogt, heeft dat geen invloed. Volgens de laatste cijfers verlaat men de Vlaamse arbeidsmarkt gemiddeld op de leeftijd van 59,6 jaar. Ondanks alle inspanningen stijgt de gemiddelde uittredeleeftijd slechts met één maand per jaar. Zet deze evolutie zich door, dan landen we in 2050 op een gemiddelde uittredeleeftijd van 63,3 jaar. Dat is nog steeds te vroeg. Wel verwachten we dat de pensioenhervorming de groeivoet positief kan beïnvloeden."
"Het duurt bij ons erg lang om een inhaalbeweging te maken. Vooral bij mannen. Daar ligt de werkzaamheidsgraad nog maar de laatste jaren terug op het niveau van voor de jaren 1980. Opnieuw is de sterke toename in het aandeel werkende vrouwelijke 50-plussers opvallend. Die lag in 1985 nog op 36% en in 2015 al op 58,1%. Maar ook dat is in Europees perspectief nog altijd niet zo hoog."

Hoe komt het dat we het zo slecht doen inzake werkzaamheidsgraad bij 55-plussers?

"In de jaren 1980 heerste de idee dat door veel 55-plussers op pensioen te laten gaan, ruimte zou worden gecreëerd voor jongeren die toen in groten getale werkloos waren. Men zette daarom sterk in op het vroegtijdig uittredebeleid en brugpensioenstelsels. Uit later onderzoek bleek dat die logica fout was. Er is geen één op één correlatie tussen een oudere die uittreedt en een jongere die intreedt, en het is ook niet zo dat er een vast aantal jobs is."

Waarom verloopt de re-integratie van werkloze 55-plussers op de arbeidsmarkt vandaag zo moeilijk?

"Uit mijn onderzoek kwamen een aantal verklaringen naar voor. Eerst en vooral zagen we dat hun zoekintensiteit een stuk lager was dan bij jongere leeftijdsgroepen. Werkloze 55-plussers zijn even gemotiveerd om opnieuw aan de slag te gaan als de jongere leeftijdsgroepen, dat zeer zeker, maar veel van hen zijn het solliciteren verleerd. De arbeidsmarkt en de kanalen om vacatures te verspreiden, zijn veranderd. Vooral in de eerste maanden van hun werkloosheid heeft die groep dus intensieve begeleiding nodig. Tweede verklaring is dat ze gemiddeld hogere lonen vragen waartegen ze een job wilden aanvaarden. Geen spectaculair hoge lonen, maar toch significant hoger dan de jongere leeftijdsgenoten."

Speelt de schroom bij werkgevers om 55-plussers aan te werven ook geen belangrijke rol?

"Uit mijn onderzoek bleek dat een lagere zoekintensiteit en hogere looneisen een factor zijn, maar er bleef ook een erg grote restcategorie die de lagere jobkans van 55-plussers niet kon verklaren. Dat kan erop wijzen dat discriminatie en vooroordelen langs de kant van de werkgevers een belangrijke rol spelen. Dat is erg problematisch. Als de loopbanen langer worden, betekent dat dat iemand van 50 jaar nog bijna een vierde van zijn loopbaan moet afleggen. Die zit nog niet in de laatste rechte lijn. Het is essentieel om de werkgevers mee te krijgen in dit verhaal."

Is het daarom dat u pleit voor stages voor 55-plussers?

"Inderdaad. Die zouden voor een stuk die vooroordelen, bijvoorbeeld over hun veronderstelde lagere productiviteit, kunnen wegnemen. Op een stage zie je hen namelijk aan het werk. Het is overigens niet de bedoeling dat de 55-plusser inboet op zijn loon bij zo’n stage. Hij zou bovenop zijn werkloosheidsuitkering een bijlage kunnen krijgen van de werkgever, die op haar beurt geen RSZ-bijdragen zou moeten betalen. Zoals in het systeem van de Individuele Beroepsopleiding (IBO), een opleidingsmaatregel van de VDAB, al het geval is."

De arbeidsmarkt verandert razendsnel. Is het risico op kwalificatieveroudering het grootst bij 55-plussers?

"Het klopt dat ze iets vaker kampen met kwalificatieveroudering, maar volgens het Europese Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop) is dat stilaan ook een probleem bij 40- en zelfs 30-jarigen. Een groot deel van de werkende bevolking heeft geen vaardigheden meer die up-to-date zijn. Inzake levenslang leren doet Vlaanderen het erg slecht. Anno 2015 nam slechts 7,0% van de bevolking tussen 25 en 64 jaar deel aan een opleiding. We blijven daarmee ver achter op de gemiddelde opleidingsdeelname in de EU-15 (12,5%). Het afgelopen decennium werd hierin te weinig vooruitgang geboekt. Kwalificatieveroudering is nochtans één van de grote uitdagingen waar we voor staan. Zeker als de digitalisering en de robotisering zich doorzet."

Hoe kunnen we kwalificatieveroudering tegengaan?

"We hebben nood aan op maat gemaakte opleidingen in universiteiten en hogescholen voor mensen die aan het werk zijn. We moeten het leren meer integreren in de loopbaan. We zouden tijd kunnen creëren middels een spaarrekening die zorgt voor een krediet aan beschikbare tijd. Die rekening kan bestaan uit een sokkel met een aantal automatisch uitoefenbare rechten zoals ouderschaps- of moederschapsverlof, plus een bovenbouw die aangroeit met het aantal gewerkte jaren voor her- en bijscholing. Daarnaast zou er een leerrekening kunnen komen die geld voorziet voor de te volgen opleidingen. De middelen van zo’n leerrekening zouden zowel door werkgever als werknemer worden gespijsd, en de overheid zou de geldinleg met een fiscaal gunstregime kunnen stimuleren."

Ook in de wet rond wend- en werkbaar werk van Kris Peeters komt er meer mogelijkheid tot opleidingen op de werkvloer. Gemiddeld vijf opleidingsdagen per jaar voor iedereen. Voldoende?

"Het is goed dat er meer aandacht is voor opleidingen, maar we moeten nog meer inzetten op een beleid rond heroriënteringen. Dat zit voorlopig niet in de wetgeving rond wend- en werkbaar werk vervat."

Wel positief nieuws, zo lezen we in uw rapport, is dat we in 2050 nog maar een kleine groep laaggeschoolden zullen kennen.

"Volgens onze projecties gaan we richting 10% laaggeschoolden en 50% hooggeschoolden in 2050. Dat het aandeel laaggeschoolden daalt, is goed nieuws. Maar het betekent ook een extra uitdaging voor de overheid: naarmate de groep van laaggeschoolden verkleint, wordt ze tegelijk ‘hardnekkiger’ en moeilijker inzetbaar op de arbeidsmarkt. Toen onze samenleving nog veel laaggeschoolden telde, zat er in deze groep veel verborgen talent dat behoorlijke kansen had om het alsnog te maken op de arbeidsmarkt. Maar eens een grote meerderheid degelijk geschoold is, stijgt de kans dat laaggeschoolden echt niet meer aan de bak zullen komen."

Volgens sommigen kunnen we hen enkel aan het werk krijgen door hun lonen te verlagen.

"Voor de econoom Bart Cockx (UG), die ook interessant onderzoek heeft gedaan naar de scarring effects van werkloosheid bij jongeren, zijn de hoge minimumlonen alleszins een factor bij de lage tewerkstelling van laaggeschoolde jongeren. Hun productiviteit ligt immers lager dan het hoge minimumloon dat ze krijgen. Anderzijds biedt een hoog minimumloon een redelijke bescherming tegen armoede. Vooral een subsidie voor de laaggeschoolde jobs lijkt me daarom relevant."

Gaat deze groep laaggeschoolden überhaupt nog aan de bak komen in de gedigitaliseerde arbeidsmarkt van morgen?

"Dat is moeilijk te voorspellen. Wie weet liggen er voor laaggeschoolden in de toekomst wel opportuniteiten in artificiële intelligentie. Een werknemer die niet kan schrijven, zou deze taken kunnen overlaten aan bepaalde vormen van artificiële intelligentie en zelf andere dingen doen die beter aansluiten bij zijn competenties. Op termijn gaan we sowieso naar systemen van co-robotisering. Dus geen robot die voor ons werkt, maar één die samen met ons een aantal taken uitvoert."

De robot zal de werknemer niet per definitie vervangen?

"Precies. Er wordt over de impact van digitalisering te veel in binaire termen gedacht: of een job is veilig, of ze verdwijnt. In de realiteit is echter sprake van complementariteit. Sommige taken zullen volledig worden geautomatiseerd, andere worden het best uitgevoerd als robot en mens elkaar aanvullen. Denk aan de robotchirurgie of de besturing van een militaire drone."

Het technologiepessimisme is nergens voor nodig?

"De toekomst van de arbeidsmarkt is moeilijk voorspelbaar. Maar we moeten ons bewust zijn van de methodes die worden gebruikt in de meer pessimistische onderzoeken. In The Future of Employment (2013) rekenden Frey en Osborn voor dat maar liefst 47% van de jobs in de VS weggeautomatiseerd kan worden tijdens de volgende twee decennia. Zij gingen er in hun methodiek echter vooral vanuit dat jobs in hun geheel zouden verdwijnen. De Hoge Raad voor de Werkgelegenheid paste in 2016 dezelfde methodologie toe op Belgische data en kwam uit op 39% van de werkgelegenheid."
"Je zou echter ook een meer taakgebaseerde benadering kunnen gebruiken, waarin je kijkt naar taken binnen jobs die kunnen worden automatiseerd, zoals een recente OESO-studie deed: die kwam uit onder de 10%. Dat lijkt me al veel realistischer. Maar ook in dat scenario blijven heroriëntering en levenslang leren essentieel."

In de meeste analyses lezen we dat de lovely jobs aan de top en lousy jobs aan de onderkant zullen blijven bestaan, en dat de middenjobs gevaar lopen.

"Het zijn vooral de routinematige en administratieve jobs die het in de toekomst moeilijk zullen krijgen. Dat klopt. Maar dat betekent niet dat er bij laaggeschoolde en hooggeschoolde werknemers geen slachtoffers kunnen zijn. Zo bedreigt de Momentum Machine, die 400 hamburgers per uur kan maken in een hamburgerketen, de job van laaggeschoolden. Anderzijds zijn er ook al voorbeelden van financiële dienstverlening die geautomatiseerd kan worden, wat jobs van hooggeschoolden bedreigt. Artificiële intelligentie heeft bijvoorbeeld ook een invloed op de toekomstige job van radiologen die slechts een beperkt aantal beelden per dag kunnen bekijken met bovendien een zekere foutenmarge. Artificiële intelligentie kan dat een pak sneller en accurater."

Moeten we dan nadenken over een robotdividend?

"Het lijkt me een maatregel die erg beschermend bedoeld is tegenover een evolutie die moeilijk tegen te houden zal zijn. We mogen er natuurlijk niet vanuit gaan dat alles zomaar goed komt. Want dan loopt het fout. Het lijkt me wel noodzakelijk om als samenleving na te denken over robotisering en digitalisering. Niet over de wenselijkheid van technologische vooruitgang op zich, maar vooral over de maatschappelijke gevolgen, de winnaars en de verliezers. De baten van technologische vooruitgang zijn immers ongelijk verdeeld. Ten gronde is de discussie over technologische ontwikkeling een debat over hoeveel sociale ongelijkheid we dulden."

De politiek moet voor de nieuwe trends op de arbeidsmarkt een wetgevende kader creëren?

"Op dit moment is dit er echter niet voor evoluties op vlak van deeleconomie, zoals Uber en soortgenoten. De toekomst is mede uitkomst van beleid. Want er zijn twee benaderingen. Zien we Uber-chauffeurs als gewone werknemers, die bijgevolg recht hebben op een minimuminkomen en alle sociale rechten die ermee gepaard gaan? Of worden Uber-chauffeurs gezien als micro-ondernemers? Dat is de koers die België tot hiertoe volgt. Zo wil minister van Digitale Agenda, Alexander De Croo (Open Vld), Uber-chauffeurs belasten tegen een gunstig tarief van 10% op inkomsten lager dan 5.000 euro en bijklussen fiscaal aanmoedigen. Dat is een duidelijke politieke keuze. We gaan in de toekomst steeds meer met dat soort vragen te maken krijgen."

Samenleving en politiek, Jaargang 24, 2017, nr.07 (september), pagina 26 tot 34
foto's: Bart Dewaele 

Free business joomla templates
Ontwerp Amsab - Powered by Amsab helpdesk