(Alle Sampol-artikels, behoudens die van de laatste 6 nummers, worden hier integraal beschikbaar gesteld. Geen overname zonder bronvermelding.)

Hoe actief is de cumulard in het parlement?

In de media ontspon zich recent een discussie over de nevenactiviteiten van onze cumulerende politici. Naast vragen over vergoedingen en mogelijke belangenvermenging, werd door sommigen ook gesteld dat cumuleren een impact heeft op de kwaliteitsvolle invulling van de job als parlementslid. In de meest harde beschuldigingen werd zelfs het beeld opgehangen van cumulards die niet meer doen dan een kaartje leggen tijdens de wekelijkse plenaire zitting. Wij onderzoeken in welke mate verticale cumul (de combinatie van een parlementair en lokaal verkozen mandaat) en horizontale cumul (de combinatie van een parlementair en bestuursmandaat) een negatieve impact heeft op het parlementaire werk.

 

Parlementsleden werken zichzelf graag in de kijker via hun parlementaire activiteiten. Op die manier trachten ze hun achterban te tonen dat ze ijverig aan het werk zijn om hun belangen te vertegenwoordigen en te vertalen in beleid. De hoop is om daarmee electoraal te scoren, door de kiezers te overtuigen van hun daadkracht en de partij van hun werklust. Sommige parlementsleden hebben niettemin een drukke agenda naast hun werkzaamheden in het halfrond. Ze zetelen in de gemeenteraad, in verschillende bestuursraden van intercommunales en verzelfstandigde agentschappen. Een aantal leidt nog een eigen zaak, terwijl anderen bedrijven ondersteunen of adviseren. Men zou kunnen verwachten dat politici met veel nevenactiviteiten hun functie in het halfrond verwaarlozen en minder tijd spenderen aan hun parlementaire activiteiten.1

De pessimistische visie oppert dat parlements­leden best zo weinig mogelijk extra mandaten combineren omdat de geïnvesteerde tijd daarin altijd ten koste gaat van het parlementaire werk. Een meer optimistisch perspectief stelt daarentegen dat alle publieke nevenactiviteiten complementair zijn.2 Politici doen ervaring op in de eigen gemeente of tussenstructuren, en kunnen de informatie die daar tot hun beschikking staat gebruiken in hun nationale functie. Informatie, kennis, ervaring en ondersteuning gelden dan als schaalvoordelen die ook in het parlement hun vruchten kunnen afwerpen.

Hoewel cumul in het publiek debat onder vuur ligt, lijken weinigen voorstander van een volledig verbod. Elke partij lanceert daarentegen haar eigen voorstellen om het fenomeen te limiteren, de een al wat drastischer dan de ander. De rode draad doorheen alle voorstellen is om burgemeesters en schepenen uit grote gemeenten en steden niet meer toe te laten om een parlementair mandaat uit te oefenen. We analyseren in dit artikel of die cumulbeperking ‘betere’ parlementsleden zou kunnen opleveren.

In deze bijdrage doen we een eerste exploratieve test van de bewering dat cumulards hun parlementair werk verwaarlozen.3 Het eerste deel is gericht op parlementsleden met een lokaal mandaat. Daarna bekijken we, naar analogie met recente wetsvoorstellen en de wijzigingen aan de partijstatuten, of schepenen en burgemeesters uit grote gemeenten zich passiever gedragen. Tot slot gaan we na of parlementsleden met bestuurlijke nevenactiviteiten minder parlementair werk verzetten. Deze kwantitatieve verkenning is echter beperkt tot een selectie van cases en parlementaire werkzaamheden waardoor noch de volheid van activisme, noch de kwaliteit ervan volledig wordt afgedekt.

ONZE M/V IN BRUSSEL

Voor deze analyse gebruiken we gegevens van de Vlaamse parlementsleden en de Nederlandstalige leden van de federale Kamer uit de periode 2009/2010-2014 (N=175).4 Activiteit wordt in beide parlementen gemeten aan de hand van de wetgevende en controlerende taken. Parlementsleden kunnen het beleidsproces zelf initiëren door een wetsvoorstel in te dienen, als eerste of enige auteur, of als deel van een groep auteurs. Ze controleren daarnaast de regering door schriftelijke vragen te stellen aan de ministers of door mondelinge vragen te stellen tijdens commissies en de plenaire vergadering. De cijfers slaan op de gemiddelde activiteit van een parlementslid over de gehele legislatuur, niet de gemiddelde activiteitsgraad op jaarbasis. Hoewel er nog andere middelen ter beschikking staan5, zijn dit de meest frequent gehanteerde mogelijkheden om hun functie te beoefenen.

Tabel 1 vergelijkt de activiteiten van parlementsleden zonder een lokaal mandaat met leden die tevens gemeenteraadslid, schepen of burgemeester zijn. Slechts 13% van de onderzochte leden is uitsluitend nationaal of regionaal volksvertegenwoordiger. 42% zetelt daarnaast in de gemeenteraad, bijna 23% mag aanschuiven op de schepenbank en 22% gordt in de eigen gemeente de burgemeesterssjerp om. We gaan na of de gemiddelde activiteitsgraad van cumulards statistisch significant verschilt van de basiscategorie, de niet-cumulards.6 Dit toont aan hoe betekenisvol de verschillen zijn, en of gemeenteraadsleden, schepenen en burgemeesters daadwerkelijk minder bedrijvig zijn dan hun collega’s zonder een gemeentelijke functie.

De resultaten tonen aan dat het fenomeen politieke of verticale cumul geen negatief effect heeft op de activiteitsgraad van de parlementsleden. Parlementsleden die simultaan een lokaal mandaat uitoefenen zijn niet significant minder actief dan hun collega’s die geen gemeentelijk mandaat hebben. Integendeel, over de hele lijn dienen de cumulards vaker een wetsvoorstel in en stellen ze meer mondelinge en schriftelijke vragen. Uiteraard zijn er wel subtiele verschillen in de parlementaire taken. Zo lijkt er een getrapt systeem te bestaan bij de mondelinge vragen waarbij gemeenteraadsleden gemiddeld meer vragen stellen in vergelijking met schepenen, en die maken op hun beurt dan weer vaker gebruik van dit controlemiddel dan burgemeesters. Bovendien gaan schepenen zelfs significant meer schriftelijke vragen opstellen dan hun collega’s zonder lokaal mandaat.

Kortom, het algemeen beeld verraadt reeds dat de omvang van het parlementair werk niet heeft geleden onder het uitoefenen van een bijkomende lokale functie in zowel Vlaams als federaal parlement in de voorbije legislatuur.7

POLITIEKE CUMUL: GROTE STEDEN, GROTE VISSEN

Mogelijk is het combineren van politieke functies enkel problematisch wanneer het lokale mandaat zeer tijdsintensief is. Uitvoerende collegeleden uit grote steden en gemeenten hebben bijvoorbeeld een uitgebreid takenpakket. Vaak wordt verondersteld dat de lokale verplichtingen zo veeleisend zijn dat ze het parlementaire werk kunnen verhinderen. CD&V en sp.a trachten nu reeds de grote vissen het cumuleren te ontmoedigen. Naar analogie met de beperkingen in het Europees Parlement dienden de christendemocraten een wetsvoorstel in om schepenen en burgemeesters uit grote gemeenten het cumuleren te verbieden.8 We gaan na of die veronderstelling steek houdt en vergelijken de activiteitsgraad van 24 schepenen (13,7%) en 17 burgemeesters (9,7%) uit gemeenten met meer dan 30.000 inwoners, met alle andere parlementsleden.

Tabel 2 leert ons dat de grote vissen, ondanks hun tijdrovende nevenactiviteiten, nog steeds actief deelnemen aan het wetgevende proces. Schepenen uit grote gemeenten dienen ongeveer evenveel wetsvoorstellen in als de andere parlementsleden, en burgemeesters zelfs net iets meer. Het verschil is echter te klein om statistisch significant te zijn. Dit heeft mogelijks te maken met het feit dat wetsvoorstellen wel eens over verschillende legislaturen worden meegesleept en elke keer opnieuw worden ingediend. De cijfers m.b.t. de controlerende tak van de parlementaire job tonen immers een ander beeld. Het aantal schriftelijke en mondelinge vragen van schepenen is even omvangrijk in vergelijking met alle andere parlementsleden, maar burgemeesters uit grote steden laten duidelijk minder van zich horen. Burgemeesters stellen significant minder vragen. Het aantal mondelinge vragen wordt ten aanzien van alle anderen met de helft teruggeslagen, de schriftelijke vragen worden tot een derde gereduceerd. De spreiding van het aantal vragen is onder de groep burgemeesters echter groot waardoor een kleine groep passieve burgemeesters het algemeen gemiddelde sterk terugdringt. De voorgestelde decumul-maatregelen lijken bijgevolg vooral een symbolische waarde te hebben.

Hoe komt het dan dat het overgrote gedeelte van de dubbelmandatarissen even actief is als de niet cumulerende parlementsleden? Dat gaat immers in tegen sommige theoretische veronderstellingen en zeker tegen populaire verwachtingen. Ten eerste kunnen, zoals eerder betoogd, beide mandaten complementair zijn. Vertegenwoordigers met politieke kilometers op de teller vinden ook sneller hun weg in het parlementaire spel, en weten hoe de partijpolitiek functioneert. Lokale beleidservaring genereert vaardigheden die ook in de nationale politiek renderen. Bovendien vergaren ze op het lokaal niveau dossierkennis en informatie, wat eveneens in het parlement van pas kan komen. De lokale ervaring draagt dan bij aan de parlementaire actie. Voor sommigen loopt de weg natuurlijk ook omgekeerd. Parlementsleden (zeker de actieve) worden door hun partij vaak ingezet op lokale kieslijsten en weten dat om te zetten in een bijkomend verkozen mandaat. Daarnaast zijn er ook andere factoren die naast cumul het activisme veel sterker beïnvloeden. Oppositieleden, bijvoorbeeld, behoren tot het meest actieve segment omdat ze meer inhoudelijke ruimte krijgen en het regeringsbeleid publiek vaker bekritiseren.9 Leden van de meerderheid zijn minder zichtbaar op de bühne maar werken vaker achter de schermen mee. Verder kan een zeer actieve fractieleider de eigen fractie ook opjutten om vaker te participeren of het laken volledig naar zich toetrekken.

Naast het inhoudelijke verhaal is er een methodologische reden om onze conclusies te kwalificeren. Parlementair activisme wordt hier kwantitatief opgevat, de focus ligt op de frequentie en de omvang van een aantal formele taken. Die invalshoek oordeelt niet over de kwaliteit van het geleverde werk. We meten niet hoezeer wetsvoorstellen of vragen bijdroegen aan het maatschappelijk of publiek debat. Mogelijk drijven parlementsleden of hun medewerkers de eigen statistieken kunstmatig op door zoveel mogelijk vragen te stellen. Dat impliceert geenszins een kwalitatieve bijdrage. Om die inhoudelijke verschillen te onderscheiden is meer diepgaande analyse noodzakelijk. Anderzijds kunnen cumulards dezelfde opties anders invullen dan hun collega’s. Vragen lenen zich bijvoorbeeld makkelijk tot een vorm van lokale belangenvertegenwoordiging, waarbij naar de lokale impact van een dossier wordt gepeild. De eigen gemeente vertegenwoordigen in het parlement hoeft niet per se negatief te zijn, maar doorgetrokken tot in het extreme kan dit zware neveneffecten hebben. Parlementsleden dienen dan niet meer het algemene belang, maar het individueel lokaal belang waardoor de publieke middelen disproportioneel en irrationeel verdeeld worden onder de vertegenwoordigde gemeenten.

Kortom, er is veel nuance nodig bij de interpretatie van de gevonden resultaten. Maar het beeld dat cumulards in het parlement hun hangmat komen uithangen, lijkt in elk geval fel overtrokken.

SPIN IN HET BESTUURSMANDATENWEB

Parlementsleden kunnen hun functie niet alleen combineren met een lokaal mandaat, maar kunnen daarnaast een functie in verschillende publieke of private structuren opnemen. De bovenstaande redenering geldt hier opnieuw. In hoeverre belemmeren al die nevenactiviteiten de kerntaken van een parlementslid? Al die bijkomende taken vergen immers tijd, die niet aan parlementaire werkzaamheden kan worden gespendeerd.

Parlementsleden zijn verplicht om ieder jaar al hun mandaten aan te geven bij het Rekenhof.10 Het aantal aangegeven functies is echter enorm gevarieerd. Daarom wordt hier gebruik gemaakt van een bijkomende filter. Mandaten binnen de politieke partij of binnen de parlementaire instellingen worden niet meegenomen, we beperken ons daarentegen enkel tot de bestuursfuncties. Partijmandaten worden door sommige leden zeer gedetailleerd aangegeven (bestuurslid of lid van lokale, provinciale of nationale afdeling), terwijl anderen enkel het lidmaatschap van de nationale partij aangeven. Dat zorgt voor een kunstmatige inflatie van het aantal mandaten, waardoor we deze functies niet meenemen in de analyse. Ten tweede combineert een beperkte groep een aantal bijkomende functies binnen de politieke instellingen, zoals fractieleider, secretaris of quaestor. Vermits die deel uitmaken van het parlementair takenpakket worden ze niet meegenomen in de analyse. De overige bestuursmandaten omvatten posities in intercommunales of nv’s, vzw’s, verzelfstandigde agentschappen, autonome gemeentebedrijven of private bedrijven. Het is daarentegen onmogelijk te achterhalen wat achter elke vennootschap of vzw schuilgaat. Bijgevolg kan het voorzitterschap van de lokale basketbalvereniging eveneens onder de koepel bestuursmandaten zitten. Desalniettemin geeft de bijkomende selectie ons een accurater beeld van de bestuursverstrengeling dan het totale aantal aangegeven functies.

De parlementsleden uit ons onderzoek worden in vier gelijke groepen opgesplitst naargelang het aantal uitgeoefende bestuursfuncties. Het eerste kwartiel heeft geen enkel of één extra functie. Het tweede kwartiel combineert twee of drie mandaten, wat betekent dat de helft van de parlementsleden minder dan vier bestuursfuncties opneemt. Het derde kwartiel bezit tussen de vier en zes mandaten. En de laatste groep cumuleert meer dan zeven mandaten.

Wat blijkt? Het combineren van publieke of private functies heeft, net als politieke cumul, geen negatieve gevolgen voor het volume van wetgevende of controlerende taken. Opnieuw valt het gebrek aan significante verschillen op. Cumulards onderscheiden zich zelfs op wetgevend vlak en initiëren vaker een voorstel dan zij die amper of niet cumuleren. In hun controlerende rol lijken cumulards vooral minder schriftelijke vragen te stellen, al is dat verschil te beperkt om duidelijke conclusies te trekken. Het gemiddeld aantal vragen wordt bovendien de hoogte ingejaagd door een paar uitzonderlijk actieve parlementsleden met veel bestuursmandaten.

Kortom, we vinden geen duidelijke aanwijzingen dat de horizontale bestuurlijke vorm van cumul tot minder parlementaire activiteit leidt. Uiteraard zijn de nuances die we vermeldden na de analyse van de verticale cumul ook hier van toepassing. De kwantitatieve focus heeft zijn beperkingen en maskeert de kwalitatieve verschillen. Eén bestuursmandaat in een omvangrijke intercommunale kan tijdrovender zijn dan vier mandaten in kleine nv’s die slechts eenmaal per jaar vergaderen. Anderzijds gelden de schaalvoordelen hier eveneens. Het Belgisch systeem is een netwerk van politieke structuren, publieke of semipublieke instellingen en tussenniveaus die dicht in elkaar verweven zijn. Kennis en ervaring in dat kluwen kan eveneens lonen in het parlement. Of ook, dat kluwen kan enkel functioneren omdat er in dat web spinnen zitten die de uiteinden met elkaar verbinden.

CONCLUSIE: CUMULEER JE ROT?

In deze bijdrage gingen we op zoek naar het verband tussen politieke of bestuurlijke cumul en de activiteitsgraad in het parlement. Ondanks de populaire verwachting dat dubbelmandatarissen minder actief zijn in het halfrond, wijzen de resultaten uit dat het cumuleren weinig effect heeft. De gespendeerde tijd aan bijkomende nevenactiviteiten gaat niet noodzakelijk ten koste van de parlementaire werkzaamheden.

De verticale variant van het fenomeen, het combineren van politiek verkozen mandaten, ondermijnt de activiteitsgraad niet. Zowel gemeenteraadsleden, schepenen als burgemeesters dienen niet significant minder wetsvoorstellen of vragen in dan hun niet-cumulerende collega’s. Burgemeesters uit grote gemeenten met meer dan 30.000 inwoners daarentegen stellen wel opvallend minder schriftelijke en mondelinge vragen. Men kan zich evenwel de vraag stellen of al die vragen even zinvol zijn? Kabinetten en administratie worden de laatste jaren geconfronteerd met een overvloed aan vragen. Sommige parlementsleden proberen via een hoog aantal vragen ook artificieel hun score opdrijven in de parlementaire rapporten die aan het einde van de legislatuur worden gegeven door de pers. Vragen om vragen te stellen is echter geen synoniem van een kwalitatieve invulling van het parlementaire mandaat. Indien zou blijken dat burgemeesters van grote steden zich niet focussen op hoeveelheid maar op inhoud, is hun beperkter aantal vragen zelfs niet problematisch.

Het combineren van een parlementszetel en verschillende bestuursmandaten, de horizontale versie van cumul, reduceert eveneens de activiteit niet. Zelfs parlementsleden met meer dan zeven extra mandaten gaan niet minder wetsvoorstellen of vragen indienen. Kortom, de resultaten tonen aan dat beide vormen van mandatenaccumulatie niet per definitie tot een verwaarlozing van het parlementair takenpakket leiden. De populaire these is bijgevolg ongegrond. Met die nuance natuurlijk dat voor dit onderzoek slechts een selectie van parlementsleden voor één legislatuur werd gevolgd.

Hoewel het opstapelen van nevenfuncties de kwantiteit van activiteiten niet beïnvloedt, betekent dit niet dat er geen kwalitatieve verschillen kunnen zijn. Cumulards kunnen hun rol bijvoorbeeld anders invullen en zich richten op de lokale impact van regionale of federale dossiers. Het ontbreken van een duidelijk verband tussen het dubbelmandaat en de parlementaire activiteiten impliceert ook geenszins een oproep om alle vormen van cumulatie te gedogen. Het blijft legitiem om beide praktijken in vraag te stellen en de voor- en nadelen ervan tegen het licht te houden. Maar schepenen en burgemeesters weren, lijkt het parlement niet meteen een kwaliteitsinjectie te bezorgen. Slechts een beperkt aantal burgemeesters in grote steden toont zich minder actief op controlerend vlak. Bovendien is kwantiteit niet noodzakelijk gelijk aan kwaliteit. Dat neemt niet weg dat de voorstellen om het cumuleren te beperken symbolisch natuurlijk wel belangrijk kunnen zijn. Het geeft een signaal aan de burger dat de politiek haar fouten inziet en begrepen heeft dat de uitwassen van ons ondoorzichtig en nodeloos complex politiek kluwen eruit moeten. Al kan men zich dan ook de vraag stellen of politici die zich inspannen om het cumuleren te weren de politiek niet meer kwaad dan goed doen? Een probleem dat minimaal lijkt, neemt door de opeenstapeling van anticumuleringsvoorstellen proporties aan die het niet heeft. En dat terwijl het publiek heel erg gevoelig lijkt voor dat cumuleren.

Nicolas Van de Voorde
Predoctorale medewerker aan het Centrum voor Lokale Politiek (UGent)

Nicolas Bouteca
Professor aan Ghent Association for the Study of Parties and Representation (GASPAR - UGent)

Samenleving en politiek, Jaargang 24, 2017, nr.03 (maart), pagina 50 tot 57

Noten
1/ Bach L. & Cohen D. (2012). Faut-il abolir le cumul des mandats? Paris: Presses de la Rue d’Ulm.
2/ François A. & Weill L. (2016). Does holding a local mandate alter the activities of deputies? Evidence from the French Assemblée Nationale. French Politics, 14(1), 30-54.
3/ Een meer diepgravende analyse volgt in het doctoraatsonderzoek van Nicolas Van de Voorde dat momenteel aan de gang is.
4/ De steekproef bevat enkel parlementsleden waarvoor alle gegevens volledig waren (85%). Over 30 parlementsleden was de informatie onvolledig, en deze werden als gevolg uitgesloten. De data werd verzameld op basis van de publiek toegankelijke informatie op de website van de Kamer en het Vlaams Parlement.
5/ Parlementsleden kunnen daarnaast amendementen indien op bestaande wetsvoorstellen, ministers interpelleren en resoluties stemmen. In het Vlaams Parlement kunnen parlementsleden bovendien een vraag om uitleg stellen. Deelname aan het deliberatieve proces, bijvoorbeeld hun stem te laten horen tijdens het actualiteitsdebat is tevens een mogelijkheid.
6/ De Kruskal Wallis test wordt gebruikt omdat alle parlementaire activiteiten niet normaal verdeeld zijn. We beperken ons steeds tot een vergelijking tussen een vorm van cumul (bijvoorbeeld gemeenteraadslid) met de basiscategorie (niet-cumulards). Het verschil tussen de verschillende vormen van cumul wordt niet meegegeven.
7/ Ter controle werd de analyse uitgevoerd voor het Vlaams Parlement en de Kamer apart. De verschillen tussen beiden waren dermate klein dat hier enkel het globale beeld wordt meegegeven.
8/ CD&V verbiedt in de partijstatuten haar leden om een parlementszetel en uitvoerend mandaat in een gemeente met meer dan 30.000 inwoners te combineren. Na de meest recente statutenwijziging is in sp.a het burgemeesters- en schepenmandaat onverenigbaar met elk andere politiek mandaat. Een uitzondering kan echter aangevraagd worden voor gemeenten met respectievelijk minder dan 20.000 of 30.000 inwoners. Europarlementsleden mogen geen lokaal uitvoerend mandaat hebben in steden met meer dan 50.000 inwoners. CD&V wil die Europese beperking ook in de Belgische parlementen invoeren.
9/ Louwerse T. & Otjes S. (2016). Personalised Parliamentary Behaviour Without Electoral Incentives: The Case of the Netherlands. West European Politics, 39(4), 778-799.
10/ Alle gegevens van de mandatenlijsten kunnen teruggevonden worden op de website www.cumuleo.be. In deze bijdrage hanteren we het aantal mandaten in 2013, het laatste volledige legislatuurjaar.

parlement - cumulards - politieke vertegenwoordiging

Free business joomla templates
Ontwerp Amsab - Powered by Amsab helpdesk